wbrakman.nl

afbeelding: 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11

Schilderij

De Blauwzilveren koning, 1977.

HET HAD NOG ERGER KUNNEN ZIJN, NOG MEER TORENS EN PIEKEN ALS SCHRILLE GIL NA GIL

Willem Brakman; Schrijvers op reis voor DE TIJD

6 augustus 1982

[Ook te Downloaden als Adobe PDF file.]

Na Füssen, een om een plomp kasteel geplakt garnizoensstadje, staat opeens nog verassend een bord aan de kant van de weg waarop het in de Alpen zo passende woord 'Königsschlösser'. Het bord verwijst naar de kastelen van die tweede Ludwig van Beieren en is daarom een wat droevig bord, geen Paul de Eerste van Rusland, Iwan de Verschrikkelijke, Caligula of Nero wordt daar opgeroepen maar een heerser die hoewel ook zwak in het hoofd slechts droomkastelen bouwde, 's nachts naar Wagner luisterde en tenslotte maar geheimzinnig versmoorde in het Starnbergermeer. Allemaal toch aantrekkelijke zaken die de toeristen dan ook in groten getale doen toestromen. Vanaf grote hoogte moet de recreatieve aarde waar opeens zoveel mensen samenklonteren doen denken aan een bos waarin het aas herkenbaar is aan het wriemelen van vele doodgravertjes.

Op weg naar de burchten Neuschwanstein en Hohenschwangau kan men de auto kwijt op een immense parkeervlakte die in zijn dimensies duidelijke taal spreekt omtrent wat de hoogzomer te bieden heeft. Vanaf dit punt moet verder gelopen worden, heuvel op en het is dus raadzaam zich eerst te sterken in een van de restaurants die daar met vaste hand zijn opgericht. Een ervan, restaurant Kainz!... is wat merkwaardig zwaar van bouw, als ontworpen voor bijzonder sterke en woeste toeristen. Bij navraag blijkt het fundament nog van de vroegere stallen te zijn van het slot Hohenschwangau, bruut geofferd aan het recreatieve zoals zoveel. Bij verdere navraag oogst ik niet veel meer, maar na wat aandringen over de koning stoot ik toch nog verrassend op een: ,Ja, ja, der Kini ......" het doet behoedend en wat vertederd aan alsof er toch nog een speciale relatie van de bewoners met hun koning van destijds buiten het recreatieve om is behouden.

Weer terug op mijn stoel overweeg ik dat dit dus het domein geweest moet zijn van die graaf Hohlnstein, de sinistere opperstalmeester die altijd opdook en een rol bleek te spelen als het de koning slecht ging. Het is met deze koning vaak slecht gegaan, meer nog, het kon met deze monarch niet goed gaan, er zijn foto's genoeg van hem die dat keer op keer bevestigen; als knaap (van een schoonheid even lyrisch als lichtelijk hysterisch door tijdgenoten beschreven als onaards...) staat hij lang en slap als een asperge, hangt onwennig in zijn pak, bleek van hoofd, de ogen nergens op gericht, de oogleden half dicht, de mond zwak, het haar gegolfd als plaatijzer, zwart als ebbehout en dik in de lak.

Maar dat is allemaal nog maar de buitenkant, binnen in hem circuleerde weliswaar het bloed van een duizendjarige dynastie maar waarin zijn moeder toch maar enige dropjes gif had gemengd. Er was veel pathologische onrust in de Braunschweig-Hannover-Hohenzollern-familie, de ouders van Ludwigs moeder waren neef en nicht, haar grootmoeders waren zusters waarvan er een spoken zag en waarbij 's nachts gewaakt moest worden. De grootouders van haar moeder waren ook al neef en nicht en dan had ze nog een neef, de fantastische Friedrich Wilhelm IV, de laatste koning van Pruisen die geheel in geestesverduistering ten onder was gegaan.

Ook in het huis Wittelsbach woonde een vreemd volkje. Ludwig I: bizar, artiesterig, lijdend aan een bouwwoede zoals eens zijn arme kleinzoon zou hebben en z6 overgevoelig voor vrouwen dat het hem van staatszaken afleidde waarom hij zowel hier- als daarom werd onttroond. Hij bezat overigens nog een zuster die beweerde een glazen piano te hebben ingeslikt. Aan deze molmige stamboom bungelden de twee broers: Ludwig en Otto, der fröhliche Otto zoals hij werd genoemd, levendig, elegant, populair maar zie... ook hij opeens totaal omneveld en als zodanig opgeborgen voor de rest van zijn leven (zo'n veertig jaar) in Fürstenried.

Zo pakten zich al vanaf het begin donkere genetische wolken samen boven het overgecoiffeerde hoofd van Ludwig, hij moet ervan geweten hebben want van stambomen wist hij alles af en zonder zijn angst eens hetzelfde lot te ondergaan als zijn broer, een levenlang achter de geraniums, brabbelend en verzonken in peilloze droefenis, kan zijn vaak zo bizarre gedrag niet worden bekeken.

Deze noodlotsschaduw geeft hem bijna de zwaarte van de antieke tragische held maar dat zou toch te veel eer zijn en het is maar goed dat mijn oog hoog tegen de hemel het suikergoedtorentje van Neuschwanstein ziet blikkeren. Zoiets relativeert en verder helpen wat luidruchtig passerende Amerikanen mij aan een wel toepasselijke naam voor de sfeer om deze toch wat moeilijk te omlijnen gotische droomkoning: Disneyland.

Al deze voorbeschikkingen en zijn maar al te bekende einde zouden haast doen vergeten dat hij ook gelukkige dagen heeft gekend, maar dat voert al direct krachtig in de richting van kasteel Hohenschwangau. Om dit kasteel te bereiken dient men een zekere lethargie van zich af te schudden, op te staan, af te rekenen en over het grote parkeerterrein de aangegeven richting uit te lopen. Het is vlakbij, de bulk van toeristen beklautert de steile beboste helling of laat zich per paard en wagen naar boven brengen naar Neuschwanstein, Hohenschwangau is meer voor de kenners. De koninklijke familie bracht hier regelmatig haar vakantie door, Otto en Ludwig dwaalden dan door de omgeving, voerden de zwanen op de Alpsee, roeiden wat op het meer of maakten lange wandelingen met hun moeder die dik begon te worden en wilde afvallen.

Het landschap is wat zwaar zoals gezegd, een lichte niet onbehaaglijke melancholie siepert aan de bergen, het zit in de droge lucht, de harsige geur van de pijnbomen en de verre zwanen. Het is zwanenland, de legende wil dat de zwanenridder daar in die streek heeft gehuisd en Ludwigs vader Maximiliaan zou zijn kasteel op de ruïne van de oorspronkelijke burcht hebben opgericht.

Grote gebeurtenissen hebben zich er niet afgespeeld maar er zijn een paar punten waar ik nieuwsgierig naar ben. Zo zou ik willen dat instinct mij de plaats aanwees waar Wagner iedere ochtend zo copieus zat te ontbijten toen hij in de zonnigste dagen van de vriendschap een week op Hohenschwangau logeerde. Ludwig, nog maar pas koning en theatraal als altijd, speelde de geheel door staatszaken opgeslokte en was dan ook 's morgens niet aan de ontbijttafel en ook niet te bereiken vanwege zeer belangrijke besprekingen. Wagner, lyrisch van geluk en genegenheid voor de jonge koning, schreef al ontbijtend en op de toppen van zijn impulsiviteit beschamend gesuikerde liefdesbrieven aan zijn edele redder van Gods genade. En steeds weer werd hem door een lakei op een zilveren blad het geparfumeerde antwoord van de koning aangereikt. Het lievelingsparfum van de koning dat hij in overdaad en overmaat gebruikte was chipre.

Een speciaal uit München gearriveerd muziekgezelschap deed ieder uur van een van de vier torens van het kasteel motieven horen uit de Lohengrin. Door de wat kneuterige poort reden ze uit, of samen, of Wagner alleen die zich een rit met zes gepluimde paarden niet liet ontgaan. Zijn oude en vertrouwde bediende stond met veel begrip voor het moment aan de poort en staarde zijn meester verbijsterd en hoofdschuddend na. Hoewel letterlijk op dat moment de enige, figuurlijk was hij dat allerminst en Wagner moet de druk van al die verbaasde en afgunstige achter-nakijkers wel degelijk hebben gevoeld. De hoofdstad roezemoesde van die figuren.

Ludwigs verschijnen in het leven van Wagner was niets minder dan een wonder en werd, hoe slordig het noodlot anders ook kan zijn in dit geval met grote zorg voorbereid. Men kan de hand van het fatum als het ware zien ordenen; vader Maximiliaan, een beige koning, de voorspelbaarheid zelve, deed plotseling iets onverwachts en stierf aan een bloedvergiftiging. Zijn zoon Ludwig, een dégeneré superieur, toen al licht chaotisch, nu en dan zelfs hallucinerend, nam kroon en scepter over en was op dat plechtig moment nog maar negentien jaren oud. Hoewel Maximiliaan niet gemakkelijk was gestorven, zijn hoofd was namelijk paars en indrukwekkend gaan zwellen als in een laatste verschrikkelijke gram, was Ludwig niet het minst onder de indruk. Als eerste regeringsdaad herinnerde hij zich de verpletterende indruk die de opera Lohengrin op hem had gemaakt (hij was erdoor in convulsies geraakt) en daarom gaf hij nog tijdens de begrafenisplechtigheid de kabinetssecretaris Pfistermeister opdracht de compositeur op te sporen en hem te verzoeken bij de koning van Beieren te komen daar deze hem boven alle maten liefhad.

Wagner was op dat moment op het dieptepunt van zijn bestaan aangeland; op de vlucht voor schuldeisers was hij door Europa gekriskrast en tenslotte berooid en moe schuilgegaan in een schamel hotel in Stuttgart. Daar zat hij op de rand van zijn hotelbed, de ergste plaats in zo'n geval, overwoog naar eigen zeggen net een eind aan zijn leven te maken toen er op de deur werd geklopt. Het was Pfistermeister! Wat later, weer alleen was hij in het bezit van een roodlederen cassette, inhoudende goudstukken, een medaille van de koning en een door deze hoogstzelve geschreven uitnodiging.

Ware het de mens gegeven zich even ongedwongen door de tijd te bewegen als door de ruimte, ik reisde direct af naar het moment van de ontmoeting die plaatsvond in 'das innere Audienzzimmer' van het Residentiepaleis om mij daar, een en al oor, te verschuilen achter een paravent. Dat moet een geweldig gezicht geweest zijn: aan de ene kant de koning, één bundel posen, licht loenzend van de zenuwen, bleek als een miskaars, met zijn sterk afhangende schouders, lange bleke handen, lange x-benen en zijn veel te grote voeten; aan de andere kant Wagner, 51, klein, grijzend, met zijn opvallend grote hoofd en te korte benen, met ogen en oren die het allemaal nog niet goed konden geloven maar die toch al heel goed kansen zagen en hoorden.

Ik heb de ruimte opgezocht, een niet te grote, vrij sobere ruimte; wat rood, wat goud, een klein podium waarop een krombenig vaal stoeltje. Daar heb ik gestaan in het grote, ijle veel en veel te laat van de toerist. Hoe dan ook, toen was het een wonder! Ludwig beleefde een uniek moment, voor het eerst en voor het laatst in zijn leven trad een van de giganten die hij zo bewonderde op afroep naderbij. Later zou het voor hetzelfde kastelen bouwen worden tot diep in de Nibelungen-hemel die even leeg zouden blijven als koud en kil.

Hoe dankbaar we hem ook als mecenas moeten zijn, als megalomaan heeft Ludwig er verkeerd aan gedaan Wagner in zijn leven te roepen. Nog tijdens zijn leven heeft hij er de vitterijen, roddel, vernedering en spot om moeten verdragen, maar ook na zijn dood kon het niet anders of deze machtige hulplijn die hij zelf had getrokken zou de zwaar geornamenteerde dwerg die hij was genadeloos onthullen. Dagboeken, briefwisselingen van beiden zijn beschikbaar en het is niet te veel om te zeggen dat de zo hyperbool uitgejubelde vriendschap even bol als hol was.

Wagner was Ludwig een ongehoorde kans, een voorwaarde, maar al tijdens de gelukkige week in Hohenschwangau begon hem het gebabbel van de koning al aardig op de zenuwen te werken, ook in de koets met zes paarden. Ludwig was geen begaafd amateur, geen ingevoerde. Na de eerste Tristan opvoering reed hij wel voor op de locomotief staande terug naar zijn kasteeltje in Berg om het vervoerde hoofd wat af te koelen, maar sprekend over de opera kwam hij niet verder dan wat details de toneelregie betreffend. Bij Wagner, de aartsprofiteur, doet men er goed aan te overwegen dat het een componist betrof die bij de ontmoeting in '64 zijn Tristan al geschreven had en daarbij met schrik, zo schrijft hij in een brief, blasfemische overeenkomsten had ontdekt tussen de figuur van Tristan en de leidende Amfortas in de Parzifall, een werk dat hij pas aan het eind van zijn leven, zo'n twintig jaar later, zou schrijven. Dat is niet alleen een groot profiteurshoofd, dat is ook een magistraal hoofd vol visie en concept.

Het kasteel is fris en eigeel opgestreken, hier en daar klappert zacht een blauwwit zonneschermje. het is vriendelijk Biedermeier en heeft zelfs een adres: Alpseestr. 30. De entree is gedempt en kerkelijk, in de schemerige verten een kapelletje met aan het eind de onvermijdelijke Lodewijk de Heilige en de grote keurvorst oplichtend in glas en lood. Verder binnen lijkt de zwaan toch iets uit de hand gegleden, in de bleekdroge wandschilderingen zwemt hij over de muren, duikt op in ornamenten, knipoogt achter pilaren en achtervolgt de bezoeker geborduurd, in steen, met juwelen behangen of opgestopt. Hoogtepunt is de eetzaal waar alle wanden door de zwanenridder zijn bezet.

Wat zoiets doet in een niet al te sterk jongenshoofd is natuurlijk alleen maar somber te vermoeden maar de plaats waar de zwaan zich voorgoed in zijn geest heeft genesteld is aan te wijzen: het is het slaapvertrek. Een verrassend klein, wat saai vertrek, het bed hiermee in overeenstemming. De zolder is voor de helft blauw geschilderd, hier en daar brokkelen wat gaten, daar waren vroeger kristallen in aangebracht die dan boven de insluimerende Ludwig fonkelden in het licht van een kunstmaan. Diep in het witte gedeelte van het plafond stort zich een engel naar beneden, het zal wel iets bedoelen maar het doet toch even vreemd aan, waarom geen zwaan?

In het kasteel hangt de wat verveelde, zonnige rust van de zondagmiddag maar ook nog meer. In de biljartzaal waar een monument van een biljarttafel staat opgesteld, hangt een overweldigende geur van boenwas, als een koepel staat de scherpe geur boven het groene laken en doet mij sterk denken aan mijn tante Kaatje, die zich al boenend en poetsend het gekkenhuis heeft ingewerkt. De zondagmiddagvisites bij haar waren niet om door te komen: sigarenlucht, zon en terpentijn. Al die dimensies in de tijd maken ijl in het hoofd.

In het slaapvertrek is Ludwig een keer achterna gezeten door een oververhitte toneelspeelster, Bulyowsky. Ze deed dit gedeeltelijk uit vrije wil, gedeeltelijk in opdracht, om eens te zien hoe de koning op vrouwen reageerde. Sidderend van schrik heeft de Wittelsbacher zich in een nis verstopt, zegt de overlevering, een slordig gegeven, want de slaapkamer heeft nergens een nis zodat hij misschien tot in het paleis is achtervolgd, God weet tot onder het biljart.

Was de ontmoeting voor Wagner een wonder, voor Ludwig was het een catastrofe. Aan Wagner kan men de negentiende eeuw zo aflezen; de nacht en doodsverbondenheid, de hang naar het monumentale, grandioze, symbolische en mytische. Wagner was een verlossingsgenie, een Schopenhaueriaan die als geen het wringen en woelen ervoer van de 'erotische Wille' en die zijn kunst hanteerde als een catharsis, een reiniging en verlossing door het schone. Zijn muziek, delirant verlokkend, vol verboden fluisteringen en edelhysterie, moet veel in het koninklijk hoofd voorgoed hebben ontwricht. Terecht achtte men in München Wagners invloed schadelijk, ja even verderfelijk als destijds die van de Spaanse danseres Lola Montez op zijn grootvader en die deze de kroon had gekost. Men sprak al over de componist als 'Lolus' en de voorstelling van Wagner als verleidende Spaanse danser is ook niet geheel zonder resonans.

De op gang gebrachte anti-Wagnerbeweging werd krachtig geleid door de kabinetssecretaris Pfistermeister (die de roodlederen cassette met goudstukken maar niet vergeten kon, een en ander in verband met zijn eigen geringe jaarwedde) en de eerste minister Von der Pfordten, een ondanks zijn Schubert-brilletje felle Wagner-hater. Wagner zelf hielp ijverig mee; spilziek, verkwistend, ijdel en provocerend waar hij maar kon, hij was nu eenmaal gelijk Nietzsche al opmerkte, de onhoffelijkste van alle genieën.

Zo hadden 'Pfi und Pfo' het niet moeilijk de val van Wagner voor te bereiden, een zo overdadig met geschenken en schenkingen overladen gunsteling kan ook niet op veel steun rekenen. Niet lang na de heerlijke dagen in de bergen waar 'der Einsame von Hohenschwangau mit dem Herrlichen die Siegfriedluft atmete', maakte de regering er een kabinetszaak van en het was 'hij of wij'. Achthonderd bakkers, boekbinders, leerlooiers en zilversmeden dankten Herr Pfi plechtig voor zijn pogingen om München te redden, de oude Prinz Karl sidderde en trilde verbolgen, de koningin-moeder viel flauw en de aartsbisschop eiste persoonlijk het hoofd op van de antikrist.

De koning zwichtte, op de tiende december in alle vroegte en stilte vertrok Wagner uit München, verpletterd en ontgoocheld. Hij zag er uit als een geest, zijn haar was grijs als sigarenas, alleen zijn oude hond Pohl en zijn knecht vergezelden hem. Een beeld om bij stil te staan: Wagner even zonder tekst, de grote histrio zonder geste. Wel moet hij volgens de overlevering nog iets hebben gemompeld maar 'nichts Grosses...'.

Ludwig is die klap nooit te boven gekomen, zijn Münchenhaat ontwikkelde zich in hoog tempo, de wet verplichtte hem twintig dagen en nachten per jaar in de hoofdstad te verblijven, hij bleef er geen uur langer. Waar zoveel Münchenaars uitademen, kan ik niet inademen, placht hij te zeggen. Wagner kon hij niet vergeten, wel verkoelde de verhouding door diens relatie met Cosima, maar het gemis bleef schrijnen. Zo schreef Ludwig een paar jaar later een ontroerend briefje dat ontdaan van alle linten en krullen de volgende inhoud had: 'Beste en geliefde vriend, ik zit hier in Hohenschwangau in de bekende blauwe nis bij het raam. Buiten woedt de storm en rukt aan de ramen. Ik mis u verschrikkelijk'.

Naar die blauwe nis heb ik uitgekeken; tussen toeristenhalzen door, over kuiven en om Internationale schouders heen, maar geen nis fluisterde: 'hiero...'. De rondleider, een wat overdreven gezonde Beier met hemelsblauwe oogjes heb ik er nog naar willen vragen maar oog in oog met hem deinsde ik terug, het leek me opeens van geen enkel belang. Dat is echter niet zo, het past alleen niet in rondleidingen. Een ernstig feit.

Bij het naar buiten gaan kies ik de poort aan de achterkant van het kasteel, de enige poort waar een rijtuig met zes paarden door kan en die dus de poort van Wagner moet zijn. Buiten schijnt een levenskrachtig zonnetje dat behaaglijk aandoet na zoveel dood en verleden maar voor een goed toerist is er geen rust. Omkijkend naar het voorzichtig gotische bouwseltje van de 'olle Max' herinner ik mij dat daar de lugubere commissie is neergestreken uit München aan het begin van die ellendige junidagen in '86. Noodlotsgevogelte in het diepste beambtenzwart, innerlijk genietend van de ernst en de zwaarte van hun opdracht, maar naar buiten toe diep, diep bezorgd over koning en koninkrijk. Natuurlijk was graaf Hohlnstein ter plaatse en de zo hinderlijk ernstige dokter von Gudden die het gevangennemen van de waanzinnige koning voor het oog van de wereld wetenschappelijk moest onderbouwen, enkele ziekenverplegers met van die krachtige handen en ook Legationsraat Rümpler, de enige die met een fijn instinct aanvoelde dat hij in een operette zat en daarom geheel in het rood was gekleed, compleet met steek en pluimen.

Na de lange tocht uit München kwamen ze eerst wat uitrusten in Hohenschwangau, zich geestelijk voorbereiden zoals dat heette maar wat wilde zeggen overvloedig en smakelijk eten om daarna het holst van de nacht af te wachten.

Als in een goed verhaal was er echter een stalknecht weggeslopen die ademloos van de zeer steile klim de koning in het nabijgelegen Neuschwanstein waarschuwde. Deze ontstak in woede, stampte als een vervaarlijke en verbolgen Nibelung door de gang en nam vervolgens maatregelen. De brandweer in Füssen werd gemobiliseerd, wat houthakkers, het stalpersoneel en enkele boeren: sommigen hadden een mes, maar allen hadden een fakkel. Geruchten verspreidden zich snel zodat toen de commissie nachts om drie uur voorzichtig en waardig omhoog trappelde in de koetsjes bij de ingang van het kasteel een zeer gemengd maar uiterst vijandig groepje mensen hen stond op te wachten.

Het de hand slaan aan een vorstelijk persoon eist een zorgvuldig afgewogen mimiek en gebarentaal waaruit zorg spreekt, respect, eerbied maar ook een smartelijk bewustzijn van het onvermijdelijke. Hierin nu werd de commissie ernstig gehinderd: er werd grof geschreeuwd, zelfs met molest gedreigd zodat er tenslotte niets anders overbleef dan een waardige terugtocht, heuvel af en terug naar Hohenschwangau. Echter, niets is zonder reden waarom het zo is, commissies met boze bedoelingen kruipen niet zomaar omhoog door het holle van de nacht.

Ludwig heeft zich tijdens zijn koningschap niet ontwikkeld tot wat ook, eerder is hij al woekerend uiteengestort in zacht omschimmelde brokken. Gedeeltelijk na, gedeeltelijk naast elkaar onthulde hij zich zodoende eerst als een in politiek wat angstige en verwilderd opgeschrikte dilettant. De zevenweekse oorlog waarin de Beieren door de Pruisen bijna komisch werden verpletterd bij Königgratz vertoefde de koning op het rozeneiland in het Starnbergermeer; overwegend mokkend om de stoornis, soms Lohengrin spelend met zijn vriend Paul Turn und Taxis en nu en dan vuurwerk ontstekend. Opeens wilde hij echter afstand doen van de troon en reisde in het geheim voor steun en raad af naar 'der geliebte Freund' bij Luzern. Het schone Triebschen stond daar op dat moment zomers en wit te blikkeren, de ramen waren wijd open en naar buiten parelde de droge Luthersche muziek van Die Meistersinger die Wagner bezig was te componeren. Cosima humde mee in de keuken en de hond Russumuck rolde op het warme gras.

Daar meldde zich een lange, sombere gestalte, hij was gekleed in een lange zwarte mantel en had de grote zware hoed diep over de ogen. Aanmelden liet hij zich als Walther von Stolzing. Een diepe zucht moet wel aan de borst van de componist zijn ontsnapt. Wagner ontraadde de koning krachtig de troonsafstand, vermoedelijk ook om praktische redenen voor zichzelf en zo reisde Ludwig slechts half getroost maar weer terug. Na veel aandringen liet hij zich toen nog even bij de dappere troepen zien (die geschoren ezelskoppen) en een Hessische officier Fuchs zegde een Adonis te hebben aanschouwd, zo schoon en goddelijk in zijn blauwzilveren uniform dat zijn hart ervan dreigde stil te staan...

De oorlog van '70 bracht Ludwig er niet beter af, wel vocht Beieren ditmaal aan de kant van de Pruisen maar na afloop was er opeens een Duitse keizer, een Duits rijk en een Beieren daarin opgenomen, afhankelijker dan ooit. Weliswaar hadden deze oorlogen zonder Ludwig vermoedelijk eenzelfde verloop gehad maar als men eenmaal over een koning met gefronst voorhoofd aan het aftrekken en optellen is, telt dat niet meer mee.

Ook op een heel ander slachtveld oogstte de koning slechts aftocht en nederlaag. Ludwigs relaties tot vrouwen varieerden van weinig tot- geen interesse en om daar iets aan te doen stuurde men appetijtelijke actrices op hem af zoals de reeds genoemde Bulyowsky die de koning tot zelfs in zijn slaapvertrek op hoogst ernstige wijze achterna zat, en ook de naar de mode van die tijd zeer forse en weelderige primadonna Scheffski. Het gebeurde allemaal niet in het geheim, de combinatie actrice-koninklijke maîtresse kon terugzien op een rijke traditie, maar het mocht niet baten, ze hadden niets ergs te melden. Zelfs de hyperromantische wintertuin op het dak van het Residentiepaleis (in '88 afgebroken en indien niet dan nu weggebombardeerd) compleet met vijver en kunstmaan brachten de koning niet tot een gebaar dat het overdenken waard was.

Wat betreft de wintertuin is er een anekdote die m.i. veelzeggend is: een bediende die over de wintertuin ging spoedde zich op een keer hevig verschrikt de tuin in omdat hij de koning, die naar zijn vaste overtuiging niet in het paleis was, daar hoorde lachen. Het bleek echter het krijsen van de papegaai te zijn die tot de menagerie behoorde.

Toch kwam het nog tot een verloving en wel met zijn nicht Sophie, Sophipilerli voor vrienden, de jongste zuster van koningin Elisabeth van Oostenrijk. Wie de verhalen nagaat merkt met enige huiver hoe autonoom zich een nationale jubel kan ontrollen; dreigende ontroeringen barstten los, een allesziend maar zedig oogknipperend wegkijken, een nationaal welgevallen in het jong geluk maar met een glimlach van staal. Voorbereidingen werden in alle pracht en praal getroffen, de trouwkoets alleen al kostte een miljoen gulden. De officiële verlovingsfoto is eerder griezelig dan wat anders, de een is verstijfd van schrik, de ander al diep ongelukkig.

De koning moet wanhopig zijn geweest, hij draaide, aarzelde, twijfelde en een enkele maal trachtte hij braaf over zichzelf heen te springen. Zo reed hij op een nacht totaal onverwacht naar het kasteel Possenhofen, aan de andere kant van het Starnbergermeer waar Sophipilerli zedig en kuis de gebeurtenissen afwachtte en brak zich groot, gemanteld en gelaarsd het slot binnen. Regelrecht dreunde hij naar het slaapvertrek, men riep ach en wee, vloog her en der met rode blosjes want dat ging ongetwijfeld een defloratie worden waarbij zelfs Wagner geen muziek kon bedenken. Stilletjes zat de koning echter aan haar bed en bracht het ontnuchterd niet verder dan: 'Du hast schöne Augen'.

Regering en volk waren bitter gestemd toen de verloving tenslotte werd afgeblazen en opeens zag het verbolgen oog wat de koning dan wèl was en dat was voor die tijd niet gering: men had te maken met een uiterst verkwistend baasje met een hang naar slechte vrienden, een homofiele monarch, ook dat was duidelijk, en verder met een gezalfde die zich geen snars van staatszaken aantrok.

Wat zijn homofilie betreft gehoorzaamde Ludwig geheel aan een cliché; er was het onvermijdelijk gerommel in de marge met efemere favorieten gekozen uit het garnizoen, zijn lakeien of uit de toneelspelers die hem opvielen bij zijn privévoorstellingen. Het verloop was steeds hetzelfde: een intiem, in het geheim overgebracht briefje met de invite, dan de geschenken, het tonen van zijn kastelen en schatten, daarna de ongenade. Zo had de koning zijn glimpen van geluk, de wegsluipende ex-favoriet, zijn cadeaus, de verhalen en zijn briefjes die ook veel geld opbrachten.

Toch tekenen zich nog wel enkele figuren af in deze broeipot zoals de baron de Varicourt, ongetwijfeld een man van een hoog soortelijk gewicht daar hij in staat was met de koning te tafelen van zeven tot middernacht. Ook gunstig steekt de opperstalmeester Hornig af (Hohlnstein was er eindelijk uitgeduveld), Ludwigs Anti-nous, een man met een nobel gevormd gezicht en die zijn koning oprecht trouw was, min of meer beminde en nous, een man met een nobel gevormd gezicht en zeventien jaar lang diens nuffige luimen en grillen verdroeg. Als het zo uitkwam bezorgde hij zijn koning een jonge en frisse gestalte zoals eens Lebel in het parc au cerfs op zoek ging voor zijn Lodewijk als deze wat zenuwachtig was geworden.

Een uitgesproken ongunstige figuur is de toneelspeler Kainz, feiten staven mijn afkeer niet maar ik baseer die op een foto die is gemaakt aan het eind van de vakantie die Ludwig met hem had doorgebracht aan het Vierwoudstedenmeer alwaar ze de sporen waren nagegaan van Schillers Tell. De bom is al gebarsten op de foto; murw van het gedwongen citeren moet Kainz de monarch tenslotte hebben toegeroepen: 'Leck mich am Arsch...!'

Het is een merkwaardige foto, vooral door zijn directheid, men kan de koning als het ware tot op zijn huid naderen. Onthutst kijkt Ludwig naar de fotograaf, zijn hoofd is te klein voor het geweldige logge lijf, zijn oogjes loensen van de onzekerheid maar in de diepte gloeit die merkwaardige boosaardigheid waarop geen pijl te trekken is en die men in gestichten nogal eens tegenkomt. Door de oudheid van de foto is het door de vale vlekkerigheid of de koning door de leem heeft gerold en zich daarna maar vluchtig heeft afgeborsteld. De rechterhand heeft ook een wat wonderlijke 'pink-op-de-naad-stand' alsof de koning zichzelf in de houding heeft gezet. Het meest opvallend is echter dat Ludwig staat en Kainz zit en niet alleen dat, hij zit erbij als in een café en kijkt voor zich uit met een ongunstig heldere oogopslag. Wie de illustere personages niet zou kennen heeft een foto voor zich van een slimme kermisbaas, compleet met een rattenkop en zijn dommekracht die 's avonds met het publiek worstelt voor een kleine vergoeding. Een hinderlijke, onmajesteitelijke, veelzeggende foto.

Aan de voet van de kasteelberg bevindt zich de bekende toeristenrail, ik dompel mijn theezakje en rook er mijn pijp in vrede. Er zijn maar weinig toeristen waar ik zit, geen kinderen en de zon schijnt. De lucht is zuiver en helder, dat is echter maar schijn, de berghellingen staan er rot bij, gevlekt als een zieke paardenhuid. Er is een boomziekte in opmars, zure regen valt neer, spoelt kostbare stoffen uit de bodem enzovoort, enzovoort. Ook in mijn hoofd is het gevlekt: ridders, elfen en zwanen zitten daar achter elkaar aan, Westgothen hebben het aan de stok met Oostgothen, alles onder leiding van Ludwig der Bayer en het geheel tegen Elsa von Brabant.

Een paar punten drijven als vanzelf boven, het ondanks de zenuwslopende wandschilderingen kalme fatsoen der kamers, de waarlijk oeverloze grijsheid die de koningin-moeder Marie gezien haar vertrekken moet hebben vertegenwoordigd, de logeerkamer van Wagner, zo sobertjes bleek van hout en met een naar doodskistenbed en het goedgemutste beeld van August de Sterke, in Saksisch porselein, breed geschouderd en bol van kuiten en bereid het tegen zijn legende op te nemen die zegt dat hij per maand honderd nakomelingen verwekte.

Het is een merkwaardig geval eerst nog wat af te dalen en dan over de vrij steile weg naar het kasteel Neuschwanstein te wandelen, alsof men een illustratie binnendringt; er is een lichte druk op de oren en alles wordt langzaam wat stijfjes en onwerkelijk. Langzaam maakt zich een muur uit het boomwerk los, het is een klimmende, in een bocht naar boven verlopende lichtgrijze muur waarboven opeens de zware toren Luginsland is te zien. Dat is de toren waar Ludwig zich aan het eind vanaf wilde werpen. Dagenlang zanikte hij om de sleutel die opeens nergens te vinden was. Dat hij het gedaan zou hebben acht ik niet onmogelijk, in de zelfmoord is ook altijd wel een verhouding tot het eigen lichaam verweven, sommigen nemen waardig een snelwerkend gif, anderen gooien zich onder de trein.

Ludwig wilde van de toren en enig protest tegen zijn lijf zal hij ook wel hebben gehad, hij was aan het eind dik, vet, pafferig, nachtbleek als de maan zelf en niet meer in het bezit van zijn voortanden. Bevelen blafte hij om deze redenen dan ook vanachter een deur of een scherm. Hem aanzien bij het bedienen was streng verboden. De kok Hierneis die Ludwig zo dik had gemaakt, stelde waarlijk fabuleuze diners samen zonder de dentistische moeilijkheden uit het oog te verliezen: alles romig, zacht, rul, krokant of zachtjes knisperend.

Na het poortgebouw, dat Ludwig overigens alleen maar in de steigers heeft gekend, is het wachten geblazen op de binnenplaats tot een groep is teruggekeerd en er weer ruimte is voor een nieuwe. In de eerste gang die we tenslotte gezamenlijk doorstommelen, zijn de vertrekken te zien van de bedienden: houten banken en tafels, alles laag, plomp en donker. Daarin is de commissie, aanvankelijk teruggekeerd naar Hohenschwangau maar spoedig daarop gearresteerd en te voel teruggebracht naar Neuschwanstein gevangen gezet. In zijn privé-vertrekken beende de koning tierend heen en weer en beval de leden eerst levend te villen en daarna voor het leven in de kerker te werpen. Vooral graaf Hohlnstein, toevallig ter plaatse, moest het ontgelden, deze moest vol in de borst worden getroffen en daarna aan de toren opgehangen voor de raven, kortom, zo riep de woedende koning in vertederende inconsequentie: de hele troep voor de deur zetten en de hoed achterna smijten ... !

Langzaam druppelde de commissie het kasteel weer uit, weer heuveltje af, maar nu naar München. Een paar dagen later waren ze weer terug en deze keer op beslissende wijze. In de tussenliggende tijd was Ludwig als verlamd geweest, zo'n beetje tussen verwezen en sereen dwaalde hij door het kasteel waar overal de verlaten rommel stond van de bouw: tonnen, stenen en planken her en der. Hij dronk te veel, citeerde van alles en was al met al onaanspreekbaar. Zo drong de enige goede raad, namelijk die van Bismarck, niet meer tot hem door. Die oude rot had heel goed door dat de enige werkelijke reden de geweldige schuldenlast van de koning was en de daarom niet gehinderde baaierd van nieuwe bouw- plannen. Daarom raadde hij de koning aan naar München te gaan en zich voor de regering te verantwoorden. Maar Ludwig draaide zijn gezicht naar de muur en zweeg, dacht vermoedelijk aan broeder Otto.

Geleidelijk sloop iedereen weg uit het kasteel, tot en met zijn friseur wat Ludwig wel bijzonder angstig en verschrikkelijk vond. Het kasteel is lelijk, het kan geen al te dichte toenadering verdragen en ook geen trage gang. Beiden worden afgedwongen door de klossende rondleiding. Het is een burcht om in maliënkolder en wapperende mantel, gekroond en omzweven door non-achtige vrouwen in gangen op te doemen en weer te verdwijnen, steeds op weg naar graal of zaal, naar groet of begroeting, om iets na te turen of om een zwaard in ontvangst te nemen. Een en ander steeds flets van kleur, traag van gebaar en glazig van oog. Langzaam voortschuifelend treedt veel aanstellerij naar voren, duimzuigerij en vooral veel verveling. De troonzaal zou bijvoorbeeld veel aandacht moeten krijgen door de pathetiek van de ontbrekende troon, maar in alle overdaad valt het nauwelijks op en is niet meer dan een mededeling. Hoog aan de muren en in de ramen de heilige koningen, verder Christus, cherubijnen, vrouwelijke deugden, evangelisten en de zeven gaven van de Heilige Geest. Niet gering maar alles staat veraf en vreemd als achter water. Het tumult der ornamenten maakt slap in de benen, overal zwanen, aren, krullen, ranken, lelies en bladeren. Het goede ornament is iets geheel anders, zoiets als de perfecte bediende; bescheiden zorgt hij voor orde, ondersteunt precies waar dat nodig is en is voortdurend werkzaam zonder storend te zijn. Hier begint het oog te vluchten, te dwalen, verveelt zich. De zware, onder snijwerk en zilverbrokaat verstikte slaapkamer, toch het hart van het kasteel, bevestigt deze wanverhouding en mogelijk heeft Ludwig er nog goed om geknord.

Uit het kleine gotische venster kon de koning de waterval zien die neerruiste in de Pollätschlucht. Een kleine nevel kruipt omhoog uit de zwarte spleet, daar droomt de koning 's nachts van, dan zit hij op het smalle bruggetje met zijn blote achterste, een hand (natuurlijk van zijn vader) schiet uit het duister omhoog en grijpt hem bij zijn koninklijke testikelen om hem naar beneden te sleuren. Zo gaat dat als men van Gods genade is en een kasteel heeft laten bouwen als een bruidstaart op de punt van een rots en om het bed staan een privékapelletje en Tannhäusers venusberg.

Ludwig heeft het kasteel nooit af gezien, hij is om zo te zeggen gearresteerd op een bouwterrein, de hoffotograaf kiekte het nog in die dagen: een kale heuvel, veel gevelde boomstammen, een paar paarden en wat negentiende-eeuwse mannen met van die knieën in de broek. De Sängersaal hoog in het kasteel waar de koning in wanhoop heen en weer beende was een troep, overal planken, stenen en tonnen met kalk. Ook dat zijn trieste dingen in droeve tijden.

Na de slaapzaal komt men in de grotto, een wat grillig gipsen kijkdoosje, zwaar lijdend door gebrek aan ruimte. Toch is Ludwig door deze grot gestapt naar de hal met de trap naar de toren. De historische ruimte is donker en stil, mijn groep is naar boven naar de Wartburgzaal, de volgende nog niet te horen. De rondleidster wilde nog dat de koning de trap op is gestormd en bovenaan nog heeft geworsteld, maar dat is niet zo, hij is blijven staan, hevig geschrokken toen hij de duistere verplegers uit de schaduw zag treden. Op dat moment wist hij dat het uit was met de pret en dat onkel Lupo op de troon zou kruipen als regent van de arme Otto. Eindelijk weer buiten is het nog wel zonnig maar niet meer warm. Een gevoel van onbehagen raak ik niet kwijt, alsof ik te lang in een mausoleum heb rondgeneusd met overal moedeloze botresten. Aan de stalletjes hangt Ludwig in reeksen glimmende ansichten en laat nu en dan onwagneriaans de zon flitsen, hij is roze als een paasei en zijn haar is zwart als drop, de eikel.

Nog eens omkijkend op weg naar beneden staat het kasteel er nog steeds, steriel omhoogschietend in de opeens lege Beierse hemel en ik realiseer me dat ik de rondgang niet graag een tweede keer zou maken. Wie de platen heeft gezien die de bouwer Jank heeft nagelaten voor slot Falckenstein dat hierna gebouwd zou worden, weet dat het allemaal nog erger had kunnen zijn, zuurstoflozer, nog meer torens en pieken als schrille gil na gil. Vanaf dit punt ondernam de koning zijn nachtelijke tochten naar Linderhof, visionaire gebeurtenissen, vooral in de sneeuw zodat de boeren zich bekruisigden.

Het hoofd van Ludwig viel in twee manieën uiteen: het trage geweld der legendarische teutonen met Wagner als spil en in de barokke trippel van de Franse absolute koningen gecentreerd om de zonnekoning, daartussen kruimelde hij wat met Moorse kiosken en Turkse kamers. Eerst in de laatste jaren puilden in zijn geest de Bourbons door de Nibelungen heen en ontstond er wat verwarring. In zijn nog overzichtelijke tijd ontstond het slot Linderhof bij Ettal, een prachtig slot, bij geruchte geïnspireerd op het Trianon en het slot Marly en ondanks alle megalomane plannen van de koning door de architect Dollmann volledig onder controle gehouden.

Het is goedkoop op toeristen te kankeren, die kwamen trouwens al kijken toen hij nog leefde, maar het moet toch een feest zijn en geestverheffend daar wat rond te lopen met slechts weinigen en eens zonder groepstherapie te kijken wat kasteel en eigen hoofd alzo te bieden hebben. Hoewel zeven maanden van het jaar in de ijzige greep van de winter, is het op zon ingesteld en ondanks kou en het helle licht aan Venus gewijd. De stijl is nergens zuiver maar volgens kenners overwegend Duitse barok, dat wil zeggen het is helder en wit, nergens blij zonder bijbedoeling en er is geen bijbedoeling zonder ondeugendheid. De beelden rollen en heupwiegen zachtjes, overal zijn schalkse pilaren en kokette hagen en nergens is gelukkig de zo ernstig deinende fallus van de zwanehals te zien.

Eenmaal binnen heeft Ludwig het weer voor het zeggen: alle ruimte is tweemaal gebruikt, er is de bekende overdaad, ditmaal met grote kracht samengedrukt. Het resultaat is een benauwd blauw, lila, roze, geel, goud en lapis lazuli. Voetje voor voetje wrijft men zich langs rocailles, Meissen, Dresden, Sèvres, brokaat, parket en inlegwerk. Absoluut hoogtepunt is het slaapvertrek, de pathologie is onmisbaar en het is alsof men in al het goud en koningsblauw de papegaaielach van Ludwig hoort. Opvallend veel Lodewijk de Veertiende is verwerkt in klokken en staturen maar gelukkig is ook de vijftiende Lodewijk niet vergeten, een interessant man, somber en met veel doodsangst. Terecht is een salon aan hem gewijd waar hij gegroefd en pastel ons nog eens aanraadt hem na te slaan bij Nancy Mitford.

Ten tijde van Ludwig waren ze ook als schim actief, het bedienend personeel hoorde nadat er voor meerdere personen was gedekt de koning opgewekt met hen converseren. Ook marie-Antoinette, die hij zeer vereerde, was van de partij, hij beklaagde het lot van deze ongelukkige koningin ,zeer, gedacht haar in zijn gebeden als 'la sainte reine', vermoedelijk als een voorschaduw van wat hem zelf te wachten stond. Bedienden hoorden hem tegen zijn spookgezelschap de echte Versailles-steekwoorden pruttelen zoals 'nous le roi' en 'tel est notre bon plaisir'. Een zonderlinge monarch, dat is zeker maar indien niet dan stond er op deze plaats een motel.

Aan de ingang van het paleis was een pilaar die Ludwig bij aankomst immer kuste, zekerheid omtrent welke pilaar precies was er niet te krijgen, maar ik heb er een in het oog gevat en gedacht: 'dat is hem! tel est mon bon plaisir'. De Moorse kiosk in de tuin heb ik met vreugde overgeslagen, mijn oog verliest direct aan glans als ik in welke vorm dan ook de grenzen van Europa overschrijd. Meer aan mij besteed is de beroemde grot, de broeierige venusholte waarin onze koning afdaalde, blijkbaar moeiteloos overschakelend van zonnekoning naar Tannhäuser.

Het is geen echte grot maar een als grot vermomd gebouw en de ingang is

een als rotsblok poserende deur. Binnen is het schemerig en hier en daar rood en blauw verlicht. Er is een vijvertje in aangelegd waarin Ludwig zachtjes rondpeddelde in zijn schulpje en in het water staarde naar het schommelende toneeldecor. Aan Freud is hier niet meer te ontkomen, de grot was te verwarmen, het water ook ...

Van Linderhof is de behoefte om naar Herrenchiemsee te gaan niet erg groot meer: weer die Bourbons. De enige reden om te gaan zou mijn nieuwsgierigheid zijn naar een marmeren beeld wat daar moet staan en waarvan ik heb gelezen dat het een vreesaanjagend beeld is (het is van Elisabeth Ney, een Amerikaanse die ook verantwoordelijk is voor een olieglad koppetje in Hohenschwangau): Terror in the startled eyes, madness in the wild expression! Horror! The look of one who suffers unendurable agonies ... "

Ik kies uiteindelijk maar voor het andere uiterste, het kleine kasteeltje Berg, dat niet te bezichtigen is. Gelegen aan de Wittelsbacherstrasse aan het Starnbergermeer is het zo dicht met bomen en struiken omgroeid dat er zelfs geen dakpunt is te ontwaren. Het doet onvriendelijk en geïrriteerd aan, echt struikgewas van mensen die over Ludwig niets meer kunnen horen. Wel heb ik geïnformeerd wie er woont; het kasteel Berg is het privé bezit van Albrecht, hertog van Beieren, die nog steeds als officieel hoofd van het huis Wittelsbach geldt en volgens een verklaring van een woordvoerster van de Dienst Beheer Beierse kastelen in München 'unser Fürst sein würde wenn Bayern ein Königreich wäre'.

Deze Albrecht is een afstammeling van Ludwig III. Hij is op 8 mei 1905 in München geboren en tweemaal getrouwd. Het is geen onbelangrijk kasteeltje in het leven van Ludwig; vlak na zijn troonsbestijging trok hij er zich handenwrijvend terug met enkele getrouwen. Een Frans diplomaat die wat ongelegen aan de bel trok, weet te berichten dat alles in grote wanorde was en dat in de gangen de verontrustende geur had gehangen van etsende zuren. (Lulu deed in die tijd aan foto- grafie, vermoedelijk kunstfoto's ...). Kortom, iemand had plezier.

De tijd met Wagner vond daar zijn stralende begin, uit de ramen kon hij zijn geliefde rozeneiland zien, altijd bereid hem te verstoppen, hij zat er een paar dagen gevangen na zijn arrestatie en wel achter getraliede vensters en verder is hij er verdronken en binnengedragen. Een groot deel van het park dat nu openstaat voor het publiek behoorde vroeger tot het kasteel en zo kan men over historische grond nog de plaats bereiken waar Ludwig destijds is gevonden. Op de plek in het water staat een kruis waaraan een plastic kransje en de tekst: 'Vereinigung Ludwig II. Deine Treuen. Zur Erinnerung an dem 13 juni 1886'.

Het kruis is aan de onderkant groen, heeft een baard van algen en het water klotst er wat koud en onbewogen omheen. Er is veel geheimzinnigheid om de dood van Ludwig geweven maar wie er de vele boeken op naslaat, ziet uit het gemiddelde de waarheid wel omhoogstijgen. Het meest waarschijnlijke is dat de koning in een plotselinge opwelling wilde vluchten, daarvoor moest hij het water in om een hek te omwaden. Zijn hoop was ongetwijfeld op de boeren gevestigd die hem in die buurt zeer goed gezind waren of misschien wel op het rozeneiland want hij was een goed zwemmer.

Een worstelpartij werd voor beiden fataal, de dikke koning werd er onwel van, dokter von Gudden die hem op het avondwandelingetje vergezelde is vermoedelijk even bewusteloos geraakt na een hengst met een verrekijker. Tot aan het middel in het water is zoiets al voldoende voor een te dikke psychiater. Onwaarschijnlijk is een moordkomplot, of koningin Elisabeth wachtend in een koetsje achter het hek, of de inmenging van een gigantische zwaan...

Ik heb mijn kousen en schoenen uitgedaan, mijn broek opgestroopt en ben het water ingegaan om aan de voet van het kruis een rolsteen op te diepen. Die gaat voortaan op mijn bureau. Terugwadend zie ik dat hoog aan de oever een gruwelijk lelijke kapel is opgericht van detonerend rood steen, het lijkt wel de kop van een grijnzende Japanner. Het blijft altijd oppassen met 'Treuen'. Terwijl ik mijn bemodderde voeten laat drogen denk ik na over Ludwig die daar zachtjes voor me in het water dobbert.

Aldous Huxley placht zijn vrienden graag aan de cesarentest te onderwerpen, dat wil zeggen, hij schonk hen in gedachten een absolute macht en overwoog dan hoe ze zich zouden gedragen en ontwikkelen. Bij sommige goede vrienden kon hij een huivering niet onderdrukken, bij anderen weer werd hij door medelijden bevangen.

Bij Ludwig is medelijden zeker op zijn plaats; een aan alle kanten zwakke koning geplaatst in een geweldige ruimte van de macht. Al zijn prietpraat werd voor vol aangezien, alle nukken en grillen resonneerden tot hoog in de regeringsregionen en werden daar met grote ernst om en om gedraaid. Nergens een gezonde stofwisseling met de werkelijkheid, wie daar niet diep neurotisch van wordt is niet geestesgezond.

Vreemde opvattingen koesterde onze monarch die het daglicht van nu zeker geen moment zou hebben overleefd, nooit heeft hij getwijfeld aan de oneindige superioriteit die zijn positie hem verleende, gezwelgd heeft hij in een haat voor het vulgaire, een verachting voor de mensheid die daarin is verborgen en een diep geloof in al zijn privileges. Moge Verlaine hem in zijn bekende gedicht hebben toegezongen als 'seul roi de ce siècle', zeker is dat Ludwig het koningschap op fatale wijze van binnen heeft belicht.

Schoonheid, dat grote alibi der negentiende eeuw kwam ook hier goed van pas. Ludwig, geïnfecteerd door de figuur van Wagner wilde op zijn beurt aantonen dat het rijk der schoonheid bestond en zich tegelijk een plaats scheppen waar hij geestelijk zowel als lichamelijk kon overleven. En meer nog, wie zich de grote lege zalen van Neuschwanstein voor de geest haalt, deze overdadig versierde, holle en wereldvreemde ruimten, voelt de invite, de smeekbede aan die wereld zo onbereikbaar ver in de fresco's van zijn paleizen om toch tot hem door te breken en hem op te nemen in het midden der helden.

In dit opzicht is het verhaal van de als Lodewijk de Veertiende geschminkte, in goudbrokaat en met rode hakken rondtoerende Ludwig veelbetekenend. Keer op keer deed hij stilhouden en vroeg dan in gebroken Duits naar Neuschwanstein ... Vandaar mogelijk nog zijn schrik en terugdeinzen in de donkere hal van de toren toen in zijn uiterste nood opeens gestalten op hem toetraden. Het was echter slechts de werkelijkheid met de stem van von Gudden: 'Aber Majestät ! ... wir sinds es nur, die Irrenärzte ...

Vorig <   > Volgend

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright