wbrakman.nl

Gewrongen tegen de tijd: over het oeuvre van Willem Brakman

Johan Velter

uit: De leeswolf. Tijdschrift van het Vlaams bibliografisch, documentair en dienstverlenend centrum, Antwerpen, september 2004.

Het werk van Willem Brakman (Den Haag, 1922) verontrust. Het is proza dat zich niet laat uitleggen, die de grenzen van het verstaanbare, van het menselijke uitdaagt en verlegt. De teksten van Brakman komen op de lezer af als een dichte massa. Binnen de literatuur fungeert dit werk als een zwart gat: niet zozeer de woorden en de zinnen hebben een densiteit die moeilijk uitlegbaar is maar het is de betekenis die onrust zaait. Niet alleen zijn de verhalen moeilijk na te vertellen maar ook de uitleg die er bij hoort, is steeds naast de kwestie. Wie een voorbeeld van autonome kunst wil, die kan het hier vinden.

Neem bijvoorbeeld de beginzin van 'Leesclubje', een roman uit 1985: "Daar de waarheid een verhalend karakter bezit, dat wel degelijk ook de leugen kan insluiten, begin ik met weloverwogen te vermelden dat het dorp waar ik woonde een prachtig dorp was." Of, ter aanvulling, de eerste zin van het verhaal Oom Izak uit 'Jongensboek' (1987): "Door omstandigheden die ik hier maar beter niet kan noemen ben ik op prille en zeer ontvankelijke leeftijd bij mijn ouders weggehaald en verder bij Oom Izak opgevoed."

Beide voorbeelden zondigen niet alleen tegen de literaire conventies maar ook tegen de afspraken die gemaakt zijn om de menselijke communicatie mogelijk te maken. In het eerste voorbeeld verschuift Brakman het waarheidsconcept dat niet langer eenduidig en één is maar ook zijn eigen tegendeel (de leugen) kan bevatten. Daarmee gaat hij in tegen het Westers denken dat de Aristotelische uitsluiting (iets kan niet niet-iets zijn) als een basiselement van zijn structuur heeft. De waarheid krijgt daardoor een fictioneel karakter, is dus niet meer concluderend en/of beschrijvend maar wordt gekoppeld aan de fantasie. De waarheid behoort dus eerder gezocht te worden in de geesteswetenschappen dan in de exacte. Het fictionele karakter daarenboven is niet willekeurig, triviaal maar bewust, rationeel gedacht ('weloverwogen'). Brakman breidt ook het waarheidsbegrip uit: doordat het begrip zijn tegendeel insluit wordt het ruimer dan conventioneel gedacht. De waarheid wordt daardoor uitgebreid tot wat is, ongeacht de appreciatie die er aan toegekend wordt. Dit universum wordt daardoor een amorele ruimte: waar/onwaar; goed/slecht; mooi/lelijk zijn begrippenparen die hun zin verloren hebben. De opponenten sluiten zichzelf in en het is daardoor dat het universum van Brakman zo moeilijk te begrijpen is: hij tart ons voorstellingsvermogen, hij ontregelt de denkmechanismen.

Het tweede citaat weerspreekt de eis naar authenticiteit. De eerlijke, echte mens spreekt zich volledig uit -de romantiek van Rousseau- en toont zichzelf in zijn naaktheid. Die naaktheid wordt gedacht de waarheid te zijn -ach, een waan. Niet alleen de mens zelf moet volledig verhaald worden ook de omstandigheden: de oorzaken, de aanleidingen. Zo wordt de waarheid opgebouwd: men geeft de ander alle elementen om een volledig beeld te krijgen. Niet zo bij Brakman. In dit citaat -maar uiteraard zijn er tientallen andere- weigert hij volledige klaarheid te geven, weigert hij alle informatie te verstrekken. Eigenzinnig bepaalt hijzelf wat belangrijk is en geeft hij aan dat hij dingen verzwijgt. Omdat het verzwijgen en de duisterheid essentieel zijn om het leven te vatten. Een schrijver die geen rekening houdt met zijn lezer en autonoom zijn eigen weg gaat, een eigen oeuvre opbouwt, geen concessies doet. Daarom blijft dit werk ook altijd vreemd, is het nooit volledig te doorgronden, er blijft een rest die niet uit te leggen is.

Hoe particulier dit oeuvre ook kan zijn, toch voegt het zich in in de Westerse cultuurgeschiedenis omdat het een reflectie is over haar grondvesten. Meer: dit oeuvre is bij uitstek een modernistisch project omdat het verder bouwt op de verworvenheden van de Verlichting. Niet door deze klakkeloos te aanvaarden maar door ze verder te ontwikkelen. Het tegendeel als constituerend element.

Het modernisme kenmerkt zich door een open geest. Het is, naast een mentaliteit, ook een intellectuele zoektocht naar het nieuwe in de wetenschappen en de kunst. Het is geen speuren naar het nieuwe om het nieuwe -het is geen consumentisme- maar omdat de waarheid en de kennis vernieuwd moeten worden. Het modernisme zet zich af tegen het verleden, de traditie waar het verknechtend, belemmerend is. Maar toch is er steeds een teruggrijpen naar het verleden- geen Joyce zonder Homeros, geen Broch zonder Vergilius. Aldus wordt het verleden een constituerend element van het moderne. Het modernisme is daartoe een in essentie beweeglijk denken en heeft zijn wortels in een voor-socratisch denken. Het is een afwijzing van het systeemdenken. Het interessante aan het modernisme (maar bij uitbreiding aan het westerse denken) is dat het steeds zijn eigen tegendeel in zich draagt. Zowel heden als verleden, aanvaarding als afwijzing, mateloze trots als vreugdeloze angst. Het unieke aan Brakman is dat de tegengestelden in één persoon versmolten zijn, dat de dialogische beweging in een monoloog gestold wordt.

Het modernisme draagt in zich een utopisch moment maar deze utopie -deze zogezegde plaats van vrijheid- is -anders dan verwacht- geen progressieve plaats. Het is een verlangen naar een aards paradijs, een Arcadia, een plaats waar geen verscheuring is, geen dispuut maar eenheid -vandaar ook het gemak waarmee avant-gardisten konden overstappen naar een totalitair denken. Deze reactionaire kern wijst de nieuwe tijd af -vandaar ook dat de cultuurfilosofie een verwijtend moralisme in zich heeft- en verheerlijkt het verleden waar er eenheid gedacht wordt. Er is een verlangen, een nostalgie naar het andere geslacht (de tweegeslachtelijke Platoonse mens), de eenheid met de kosmos, de natuur, de eenheid van denken en handelen. En tegelijkertijd is er de fascinatie voor het nieuwe dat zich manifesteert in het zoeken naar nieuwe vormen, nieuwe denkwijzen en gedachten. Ook bij Brakman bestaat de kern van zijn oeuvre uit een nostalgie. Bij hem is dat de besloten ruimte van het gezin waar iedereen een eigen functie kent, waar de rollen duidelijk zijn en de moederliefde het hele leven beschermt en doordrenkt.

Het oeuvre van Willem Brakman spiegelt zich aan dat van de filosoof Theodor W. Adorno (1913-1969). Ook bij hem vinden we die merkwaardige mix van hedendaagsheid en teruggrijpen naar een verleden. Een aristocratische houding, een denken dat gedrenkt is in het humanistische, Westerse denken, een esthetisch inzicht dat de moderne muziek erkende en verdedigde zolang die voortkwam uit de Westerse traditie maar afgewezen werd wanneer die ontsproten was uit een andere cultuur en die voortbewogen wordt door het zoeken naar een utopie en tegelijkertijd een afwijzen van de maatschappelijke realiteit die gebaseerd is op een waardestelsel uit het verleden. Het heden wordt nooit als een logisch uitvloeisel van het verleden gezien maar wel als een aberratie, als een kankergezwel, als juist het meest nefaste dat uit de vele alternatieven mogelijk was. Dit denken kenmerkt zich door het fundamentele besef dat wat is, niet noodzakelijk is. Het is een dialectisch denken, een beweeglijk denken. Niet alleen in oppositie met andere denkers of de maatschappij maar ook in oppositie tot zichzelf. Denken en moraal zijn voor hem in elkaar gestrengeld: de tegengestelden worden opgeheven om een andere weg te bewandelen. In de 'Minima moralia' schrijft Adorno het zo: "De moraal van het denken bestaat erin noch strak noch soeverein, noch blind noch leeg, noch atomistisch noch consequent te zijn." In de Hegeliaanse traditie staat hij erop om de dingen afstandelijk te bekijken én er tegelijkertijd betrokken bij te zijn. De tegenspraak, de paradox moet niet opgeheven maar wel aanvaard en uitgewerkt worden. Het denken van Adorno heeft geen vast standpunt: de reflectie is beweeglijk.

De detective is uiteraard een triviaal genre wanneer het zich concentreert op de spanning, het ontmaskeren van de kwade medemens. Het wordt interessanter wanneer de detective als metafoor voor het Westers denken gezien wordt, wanneer de methode beschreven wordt om tot de waarheid te komen. Het is niet te verwonderen dat Brakman dit genre gebruikt heeft om het te bezoedelen, om het met zijn gif te infiltreren. Een Maj Sjöwall en Per Wahlöö zijn bekend geworden door hun maatschappijkritische misdaadromans. Ze gebruikten de traditionele structuur (probleem, zoektocht, oplossing/catharsis) om een roman te schrijven. Het waren hun commentaren die een kritisch element bevatten. De denkwijze zelf, de methode, werd niet in vraag gesteld. Bij Brakman is er geen structuur maar chaos.

'De afwijzing' (2004) is het relaas van een moord en een beschuldiging. De hoofdfiguur is een schrijver. Hij woont in een dorp dat zoals alle dorpen aan elkaar hangt van clichés, noodzakelijke en dus overbodige sociale contacten en verveling. Na een reis komt hij thuis en constateert dat zijn huis bewoond wordt door anderen. Hij neemt zijn intrek in het dorpshotel en daar ziet hij uit op de woning van de toneelschrijver Bartolomeus Straatsma en zijn vrouw Elena waarvoor de schrijver een fascinatie heeft opgevat. Straatsma wordt dood aangetroffen en de hoofdfiguur grijpt de kans om Elena te krijgen -wat hem natuurlijk niet zal lukken want ze heeft een oogje op Nol Gregoor. Met deze laatste heeft de schrijver een appeltje te schillen. Er zijn echter nog meer verdachten voor deze moord, meer nog het blijft onduidelijk hoe de moord gebeurd is en of het wel moord was of zelfs wie de dode is -is Straatsma ook de verteller? Verdachtmakingen, mogelijkheden, beschuldigingen, redenen, motieven, bekentenissen: alles vloeit ineen en buiten die rode, hartverscheurende liefde voor Elena, is de woordenmassa van een gifgroene kleur.

Deze kleine roman bevat alle mogelijke componenten van het wereldbeeld van Brakman: zijn thema's, zijn filosofie, zijn levenshouding. Zoals het voor sommigen onbelangrijk is wat de biografische trivialiteiten van een leven zijn, zo ook zijn de onderwerpen van de afzonderlijke boeken van Brakman niet ter zake doende. Bij hem voegt het ene verhaal niets wezenlijkers toe dan het andere. De vertelde feiten, de romanlijnen, dragen niet bij aan het wereldbeeld maar zijn slechts de mogelijkheden om een levensverhaal te vertellen. Het zijn de woorden, de ideeën en de beelden die bij Brakman het belangrijkste zijn. Zij presenteren zich in afzonderlijke boeken, maar zijn onderdelen van dat ene oeuvre, dat in zijn eigenzinnigheid een eerbetoon is aan het nutteloze, het noodzakelijke, de verbeelding.

Net zoals voor Adorno, is voor Brakman de kunst de laatste hoop van het humanisme. De kunst is een vrijplaats geworden voor het Kantiaanse individu, want de enkeling die zich verzet wordt geïsoleerd en onschadelijk gemaakt. Het individu is de speelbal van de maatschappij en de anderen. Willem Brakman exploreert dit individuele door de subjectiviteit consequent te ontwikkelen en dit ten nadele van de logische verhaallijn. Waar het verhaal staat voor het dialogische -het vertellen aan de ander- waardoor er een gemeenschap ontstaat- is de subjectiviteit het bevestigen van het onlogische, van de eenzaamheid, het particuliere universum. Brakman hanteert de literatuur als een poging om samenhang te creëren, maar hij beseft -en in dat besef is hij de kompaan van Samuel Beckett en de schilder Bram van Velde- dat dit noodzakelijk op een echec zal uitdraaien.

Bij Brakman is elk personage zowel rechter als verdachte, de straffer en de gestrafte. Iedereen is hoe dan ook schuldig. Het schuldmotief is in het oeuvre van Brakman essentieel: de schrijver neemt de schuld van zijn en van het leven op zich. De schuld bestaat enkel en alleen in het zichzelf zijn, heeft niets te maken met een willekeurige daad. Hoe lieflijk Brakman de wereld (de besloten wereld) ook kan beschrijven, hij doet dat nooit zonder de nodige weerhaken: steeds moet de man op zijn hoede zijn, steeds wordt hij belaagd door allerlei hem vijandige krachten -en wanneer hij er geen reden toe kan hebben, pas dan heeft hij recht van spreken, pas dan is de dreiging het grootst. Dit schuldmotief komt ook in 'De afwijzing' tot uiting: de schrijver bekent de moordenaar te zijn, als een zondebok neemt hij deze kwalijke dood op zich. En tegelijkertijd beseft iedereen dat daarvoor geen bewijzen voorhanden zijn. De schrijver presenteert zich als een Messias, een verlosser van de wereld.

In de filosofie wordt de waarheid geleerd, beargumenteerd, verdedigd, bewezen. In het kunstwerk wordt de waarheid getoond. Dit gebeurt niet op een simpele manier: de lezer moet kennis hebben (van het leven, van de cultuur) en hij moet op een rationele manier het boek ontleden en tot zich nemen. Naast deze analytische methode om cultuur tot zich te nemen, is er ook nog de mystieke. Tot vervelens toe is al gesproken over het proza van Brakman als een zwart gat, een granieten rots, een kolkende zee, een stormend zwerk. Armzalige metaforen voor een overrompelende leeservaring. Maar toch is dit essentieel in de kunstervaring van Brakman: de lezer/de beschouwer moet zich in het kunstwerk kunnen verliezen. Hij moet zijn eigen individualiteit kunnen achterlaten om op te gaan via het individuele kunstwerk in het culturele veld. Dit is niet de wereld van de musicals, de laatste hype in literatuurland maar de culturele traditie. Dit verleden is ook de norm waarmee het heden vergeleken kan worden. Het werk van Brakman spiegelt zich aan die culturele groten: het bouwt een dialoog op en het is doordrongen van het besef van een tekortkoming. Daarom is het werk van Brakman catalogiseren bij het postmodernisme een intellectuele oneerlijkheid : de standpunten die Brakman inneemt zijn niet vrijblijvend, de referenties zijn geen spel van cryptogram of kruiswoordraadsel. Dit oeuvre is doordrongen van een strengheid, van een besef van het moeten. Dit werk wil niet troosten of verstrooien maar inzicht geven in dit bestaan, in deze wereld.

Het kunstenaarschap is -ondanks de doem- een priesterrol, een voorgangersfunctie. Tussen schrijven en leven is er geen romantische breuk. Schrijven is daarentegen het leven maximaliseren. Het is een bewustmakingsproces waardoor dit leven het loutere bestaan overstijgt. Door en in de kunst wordt de mens zich bewust van zichzelf, zijn opdracht, zijn bestemming. Kunst is leven in het kwadraat, is de ervaringen intensifiëren. Dit wordt door Brakman verduidelijkt door de settings waarin hij zijn romans laat afspelen: dit is een wereld van koningen, helden, toneelspelers -niet alleen in het milieu maar ook in de thematiek dringt een vergelijking met het oeuvre van Thomas Bernhard zich op. Hoe barokker, hoe beter. Hoe weidser de gebaren, hoe echter. Hoe plechtstatiger de woorden, hoe duidelijker de waarheid. Brakman zet de romantische authenticiteitszoekers een hak: de waarheid wordt gedacht helder, eenduidig en duidelijk te zijn, maar die is zo niet. De waarheid toont zich maar door het toevoegen aan de wereld, door de chaos te tonen en te aanvaarden. Ook hierdoor is Brakman een modernist in de dadaïstische traditie die ingaat tegen het kleinburgerlijk denken en voelen, die de schoonheidsnormen van het dressoir ontkent door ze au sérieux te nemen. Het is de kunst die woorden, kleuren, vormen schept waardoor de wereld verklaarbaar wordt. De kunst moet niet vereenvoudigen door de dingen te scheiden, door op een analytische manier de wereld te beschrijven maar moet die wereld als een eenheid tonen, met haar tegenstellingen en paradoxen en op een synthetische manier daarvan verslag van doen.

Kaderstuk:
'De afwijzing' is het eenenvijftigste boek van Willem Brakman. Sedert enkele jaren wordt door schrijver, uitgever en fanclub gekoketteerd met het -grote- aantal boeken. Al is dit bijzonder irrelevant, tenzij het opgevat wordt als het ereteken van een schrijverschap zoals dat door Roland Barthes beschreven werd aan de hand van de oeuvres van markies de Sade, Ignatius van Loyola en Fourier: het ras der logotheten. Op de omslag van 'De afwijzing' wordt dit aantal ook gerelativeerd: slechts de helft van wat Simon Vestdijk geschreven heeft, een kwart van Simenons oeuvre.

Het werk van Brakman werd bekroond met de van der Hoogtprijs (1961) voor zijn debuut 'Een winterreis', met de F. Bordewijkprijs (1979) voor 'Zes subtiele verhalen' en met de P.C. Hooftprijs (1980) voor zijn volledige oeuvre. Voor het -grote- aantal boeken en voor de eigenzinnige kwaliteit hiervan is dit toch wel mager.

Brakman is dan ook vooral een 'writer's writer'. Hij zet zich af tegen het consumerend lezen. Zijn werk is een reflectie over de kunst en het schrijverschap. Brakman heeft zijn eigen oeuvre ook op essayistische manier begeleid in de boeken 'Glubkes oordeel & Over het monster van Frankenstein' (1976) 'Een wak in het kroos' (1983), 'De jojo van de lezer' (1985), 'Glossen en schelfhoutjes' (1988) en 'Vrij uitzicht' (2001). Het tijdschrift Yang heeft in het nummer 145 (1990) een themanummer aan zijn werk gewijd. Ook Bzzlletin (nr. 85, 1981) heeft dit gedaan. Bij uitgeverij Bzztôh verscheen een bundel beschouwingen over het werk van Brakman 'Het verlangen om er niet te zijn'.

De website wbrakman.nl is gewijd aan het werk van Brakman. Het bevat beschouwingen, recensies, interviews. Hier kan men zich ook opgeven als lid van de Willem Brakmanclub. De website wordt geredigeerd door G.J. Kleinrensink die bezig is aan de biografie van Brakman. Werk van Brakman is ook verschenen in kleine bibliofiele uitgaven: brokstukken, brieven, gedichten.

Willem Brakman is een dubbeltalent. Hij is ook een schilder. Sommige omslagen bevatten een prent van zijn hand. Gerben Wynia heeft in het boekje 'Een zweem van blauw' (1990) een relatie pogen te leggen tussen schrijvershand en schildersoog.

Samenvatting 'De afwijzing'.
Het hoofdpersonage van deze korte roman is de schrijver zelf. Na een reis in het buitenland constateert hij dat zijn huis door vreemden bewoond wordt. Vreemdeling in de wereld was hij al, nu is hij dat ook in eigen huis en dorp. De toneelspeler en regisseur en schrijver Straatsma wordt vermoord. Wie is de dader, wie is het slachtoffer. De zoektocht bevat weinig helderheid, tenzij de liefde van de schrijver voor de weduwe Straatsma. Een vrouw die borg staat voor wulpsheid maar haar ziel -als een Delvaux-vrouw- bevriest voor haar aanbidder. Zoals de schrijver nee zegt aan de wereld, zo wijst de vrouw hem af. Brakman situeert zijn verhaal in een barokke wereld: Jeroen Bosch, Breughel, de Ghelderode.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright