wbrakman.nl

Deze lezing werd in 1997 gehouden voor de Willem Brakman Kring, Utrecht

Twee vaders en twee zonen

Arjan Peters

Om er maar meteen mee voor de draad te komen, want je kunt dit soort ontboezemingen beter achter de rug hebben: vóór u staat een krantenlezer. En het is nog erger. Ik schrijf zelfs voor een ochtendblad, en acht het mijn taak de krantenlezers in den lande te bedienen. Kan het kwalijker? De Brakmaniak die zich heeft aangesloten bij de Kring die ik nu voor het eerst van mijn leven in de ogen zie, zal mijn persoon reeds nu bedenkelijk vinden. 'Hij is een krantenlezer': een typering die bij Brakman afdoende is om een personage de mond te snoeren en door een valluik af te voeren. Zo iemand leest na gedane arbeid de krant, omdat hij wil weten wat er in de wereld is gebeurd. Een krant is wegwerpproduct, vervaardigd op papier dat de vergelijking met pleepapier niet eens kan doorstaan, want dát kent nog een beginfase van smetteloosheid, terwijl de krant al besmeurd is voordat de consument er met zijn tengels aan komt. Met drukletters namelijk.

Dat u mij vanavond in uw midden duldt, en meer dan dat: het woord schenkt, is buitengemeen hoffelijk, om niet te zeggen verdacht. Neem van mij aan dat ik voldoende Brakmannetjes heb gelezen om te weten dat u bij uw vorige besloten vergadering hebt zitten smiespelen en gniffelen bij het snode voornemen alleen al, mij als spreker te inviteren. Aan elke fanclub zit een luchtje- ik rook het meteen toen ik dit zaaltje betrad- van vermomde zelfhaat en nauwelijks beheersbare afgunst. U allen bewondert Willem Brakman, maar u bent hem niet, en daarom ligt u dikwijls 's nachts in bed met grote ogen naar het plafond te staren, of u bijt in uw kussen van nijd, en vraagt God waarom er voor u niet meer in het vat zat dan het lot, andermans liefhebber te zijn.

Eén ding heeft u: de Kring, die magische cirkel van gelijkgestemden, getrokken rond het Boekelose mirakel. En een kring, dat weet iedereen die kind is geweest en toentertijd bij voortduring was verplicht tot deelname aan spelletjes- een kring is bedoeld om derden buiten te sluiten, uit te stoten, te vernederen en vertrappen. Het gezellig met z'n allen onder elkaar zijn is immers altijd nóg een schep gezelliger in de wetenschap dat anderen die er misschien zielsgraag bij hadden gewild maar niet durven of de ingang niet weten, buiten moeten blijven.

Houdt u maar niet van de domme. U spant samen tegen mij, ik voel het aan uw zwijgen, de conspiratieve stilte die hier hing voordat ik daarnet met spreken begon. Het moet gek lopen, wil ik er vroeg of laat op deze avond niet uit gemieterd worden. Alles wat ik hier verder over kwijt wil is dit: handel vooral zoals u goeddunkt, maar vergeet niet dat ik een paar vrienden heb meegetroond, jong van jaren, gespierd van vuist, die hebben gezworen mij bij te springen in geval van handgemeen. Ik wens iedereen een goede avond.

Mij is gevraagd alhier te spreken over Het groen van Delvaux, de roman van Willem Brakman uit 1997. Dat wil zeggen: de voorzitter Kleinrensink liet mij geheel vrij in de keuze van het thema van mijn voordracht, maar hij stelde het op prijs wanneer ik die roman zou noemen.

Aan die verplichting heb ik dan nu voldaan. Waarna ik graag iets heel anders wil aansnijden dat, hoe kan het ook anders bij een oeuvrebouwer als Willem Brakman, toch nog íets met die recente roman van doen heeft. Achterop Het groen van Delvaux poseert de schrijver zelve met in de hand een pijp. Tuub Tigges, de socioloog en puzzeldokter met de denkerskop die een vriend is van de verteller Quilp, gaat ook altijd vergezeld van een pijp. Terzijde, wat die vertellersnaam betreft: in NRC Handelsblad meende critica Janet Luis te moeten opmerken dat Quilp alleen al door zijn ongebruikelijke naam een buitenstaander is. Neen, Luis, iemand die Quilp heet staat niet alleen! Hij is lid van de wijdvertakte familie der dwergachtige nurksen, met als stamvader Daniel Quilp, de schurk uit The Old Curiosity Shop van Charles Dickens.

Terug naar Brakman, zijn Quilp en de pijp. 'Pijprokers,' zegt Quilp, 'zijn mannen die een diep verband onderhouden met vuur en rook. (…) Zij hebben (…) momenten waarop veel om de pijp een samenhangende en zingevende gestalte aanneemt.' Ik ben een krantenlezer en rook nooit pijp bovendien, maar misschien juist daarom let ik goed op als anderen zoiets doen. Ik vroeg mij af wanneer Brakman dit voorwerp, bij uitstek geschikt voor peins & puf en als zodanig een, met excuses voor de woordspeling, begeleidmotief van de eerste orde, de pijp dus voor het eerst in zijn werk heeft bezongen. Daarvoor moeten we terug- u weet dit allang, ik hoef u überhaupt niks te vertellen, ik zeg dit alles alleen om u te laten zien dat ik huiswerk heb gedaan- naar Een winterreis, het romandebuut uit 1961. Daarin strijkt hoofdpersoon en dokter Wim Akijn op zeker moment in Hulst neer. Preciezer: in café Het Bonte Hert. Een oude man die zegt niets te doen te hebben behalve zitten en kijken en pijp roken, zet koffie voor hem neer. Koffie zetten is een kunst, verklaart de oude, en een pijp roken is evenzeer moeilijk: 'Je pakt de kop zo beet, en dan zorgen dat de tabak niet onderbroken wordt, anders gaat-ie steeds uit. (…H)et aandrukken is niet te leren, dat is bijna een genade. Kijk… even aansteken en uit laten gaan, dat gaat gauw genoeg, even aandrukken… en dan aanzuigen met grote vlam. (…) Hij is nog uit de tijd van mijn overgrootvader… dat is dus de tijd van Napoleon. Generaties hebben er troost uit geput en dat heeft hem geadeld als een kerk. Jawel, hij is er anders door geworden, alsof de lucht eromheen een beetje zichtbaar is. Vroeger werden de dingen nog oud en nobel door de tijd… nu slijt alles op, of gaat kapot.'

Ziehier tot welke diepten men zich met behulp van de pijp kan roken. Het lurken aan de pijp is een, ik voel een woordgrapje opspelen, wezenstrek van Brakmans werk. Nooit voelen zijn hoofdpersonen zich thuis in het hier en nu, of in groot gezelschap. De omgang met het verleden, zo vreemd aan elke verstokte krantenlezer, is hun refugium. De pijp is een rustpunt dat het verleden aan bod kan helpen komen, door al wat voorbij is via diepzinnige wolkjes uit de kop te voorschijn te laten kringelen, en de overige rook door de steel richting mond te sturen, de roker daar als het ware mee te beademen.

De oude Hulstenaar is door middel van zijn pijp met zijn overgrootvader verbonden; Wim Akijn is in Zeeland op zoek naar sporen uit het verleden van zijn vader Henk, van Hendrik, roepnaam Eendrik, die als bakkerszoon op jeugdige leeftijd in de zaak van zijn vader Izaak stond. Een winterreis is een queeste, ondernomen omdat vader Akijn inmiddels een oude en zieke weduwnaar is geworden die het niet lang meer zal maken.

Er zijn meer dan toevallige overeenkomsten tussen dokter Wim Akijn en Willem Brakman, arts te Enschede ten tijde van het verschijnen van Een winterreis. En vader Hendrik-met-de-neus lijkt sprekend op de vader uit Brakmans autobiografie Pop op de bank, waarin staat: 'Mijn vader, Eendrik met de neuze zoals hij in zijn land van herkomst werd genoemd om zijn fraaie gok, was wisselloper op een joods bankierskantoor dat lieflijk en rustiek gelegen was aan de Lange Vijverberg. Dat wissellopen was een merkwaardig beroep, het gaf aanleiding tot de prachtigste verhalen waaruit bleek dat mijn vader kind aan huis was bij de duurste joodse families in de beste buurten. (…) Hij wilde (…) niet dat ik buiten over zijn werk sprak, en heeft daar nooit een reden voor opgegeven.'

Toen ik Willem Brakman in 1996 in een Hilversumse studio twee uur sprak voor het radioprogramma Opium, zei hij dat hij bij alle kennissen en familieleden die zich ooit in zijn werk hadden herkend, een slechte pers kreeg: 'Een nicht, het laatste familielid dat ik nog onder handbereik heb, heeft van mijn werk gezegd: "Schande! Schande! Mensen die álles voor je over hebben gehad, je vader en moeder, zó te behandelen." 'Een winterreis gaat over mijn vader. Ik vind dat je een mens geen groter eerbetoon kunt geven dan dat je hem beschrijft zoals-ie is. Hij vond het hoogste niveau dat je kon bereiken onderwijzer. Daarboven werd het eigenlijk al hoogmoed. Officier, dat was voor hem ook een hoog mensenslag. Wij hadden een familie vol beroeps-ónderofficieren, die veel kankerden op de echte officieren. Maar stiekem had mijn vader daar ontzag voor. Toen ik officier van gezondheid werd, viel hij bijna uit elkaar van trots. Toen ik arts werd, begreep-ie het niet meer. Ik kan met de hand op het hart beweren: ik heb verschrikkelijk veel van die man gehouden. Zo veel, dat ik het het leven nooit vergeven heb dat hij aftakelde, zoals ik dat in Een winterreis beschreven heb. Ik neem het zelfs hém kwalijk, dat hij dat heeft laten gebeuren. 'De verhouding tot je vader is een gecompliceerde. Ik heb altijd grote moeite gedaan dat te ontraadselen, om de waarheid te ontfutselen. Dat is als een schanddaad door de hele familie gegaan, omdat die mensen geen enkele behoefte hebben aan zoiets als waarheid. Ik heb een zoon. Als die een boek over mij zou schrijven als Een winterreis, dan zou ik zeer trots zijn. Dan zou ik weten dat ik voor hem in mijn volle aanwezigheid heb bestaan. En dat vind ik niet niks. Maar dat zijn categorieën waar je in mijn familie niet mee aan moet komen.'

In de literatuurkritiek zowel als aan de universiteit is het een onoverkomelijke zonde als je de schrijver identificeert met zijn hoofdpersoon, maar nu Brakman het met betrekking tot Een winterreis nadrukkelijk heeft over 'ik' en 'mijn vader', zie ik niet in waarom ik hier terughoudendheid zou betrachten. Vraag wordt dan: waarom heeft Brakman zich Akijn genoemd? Blijkbaar niet omdat hij een ander is. Misschien wél omdat het hier zijn debuut betreft. De schrijver presenteerde zich aan zijn publiek, dat hem nog niet kon kennen, met een kennelijk zeer persoonlijk boek. Wellicht heeft hij niet direct open kaart willen spelen. Daarbij komt dat de onversneden autobiografische roman anno 1961, dus drie jaar voor Ik Jan Cremer, en vier jaar voordat Jan Wolkers Terug naar Oegstgeest schreef, nog niet gemeengoed was.

De flaptekst van Een winterreis (dat wil zeggen: van de vierde druk die ik bezit. Ik hoor u meewarig kreunen: 'Ook dat nog. Meneer behelpt zich met een Salamandertje!') maakt gewag van de speurtocht die Akijn onderneemt naar zijn vaders verleden: 'Wie hij (Akijn, AP) ontmoet zijn echter ook oud en afgetakeld. Zij kunnen weinig meer dan zijn fantasie prikkelen. In een coup de théâtre, een kunstgreep naar het verleden, eindigt zijn reis vergeefs.' Het prikkelen van de fantasie wordt hier als een zwaktebod aangemerkt, een tegenvaller voor de hoofdpersoon die zich ten doel had gesteld naar de waarheid op zoek te gaan.

Hier hebben we dus een andere reden gevonden waarom Brakman zich achter de naam Akijn kan hebben verscholen: hij was nog niet helemaal zichzelf. Want de fantasterijen waar Akijn zich aan overgeeft, zijn slechts een bedeesde prelude tot de ongebreidelde vertellingen waar de latere Brakman en zijn hoofdpersonen in uitblinken- en die door middel van verbeelding, poëzie, geest dieper doordringen in de waarheid dan Akijn vermag, die nog van anderen afhankelijk is, van hen moet horen hoe het vroeger echt is geweest.

Een winterreis is derhalve stevig verankerd in het realisme. Akijn bezoekt Duindorp, Terneuzen en Hulst. Als gezegd vindt hij weinig tastbaars en waardevols. Maar bij oom Arie en tante Lide in Zeeland krijgt Wim wel een stamboek over de familie Akijn in handen, opgesteld door een gymnastiekonderwijzer: 'Geschiedenis van de familie Akijn, 1540-1922, door J.A. Akijn.' Het motto luidt: 'Met eerbied zij herdacht, uit wie wij zijn ontsproten.' Eronder staat: 'Uit B. Ledeboer, 2e druk', een formulering die Akijn bewijst dat J.A. een nauwgezet en eerlijk man is.

Het is een oud, slap, verschoten boek, beginnend bij Hans Ackeijne die in de zestiende eeuw voor de hertog van Parma uit Antwerpen is gevlucht naar Middelburg. Ook vindt Wim zijn ouders terug, maar louter als onderdeel van een tabel: 'Hij wist toch zoveel van ze, hun namen zouden toch iets anders moeten zijn dan de rest, waaraan zijn blik zou moeten blijven haken. Maar ze gedroegen zich keurig, ze bewogen niet, ze wenkten niet, ze bleven de tabel trouw en toch ook weer niet, het werden zelfs een beetje vreemde namen vond hij.' In het Willem Brakman-nummer van De Revisor uit 1992 staat een afbeelding van de authentieke tabel, afkomstig uit het boek Geschiedenis van de familie Brakman, door J.A. Brakman in 1922 opgesteld. Brakman schrijft in zijn debuut wel dat Akijns gedachten bij het bladeren in het stamboek

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright