wbrakman.nl

De Financieel-Economische Tijd, 10 oktober 2001

OP HET BESTE AFGEWEZEN

Bart Vervaeck

De Brakman-lezer, die ongeveer elk jaar met een nieuwe roman verwend wordt, heeft meer dan vijftien jaar moeten wachten op een nieuwe essaybundel. Die is er nu. Hij heet ‘Vrij uitzicht’, bevat 27 essays en is bijna driehonderd bladzijden dik.

In de korte openingstekst licht Brakman de titel van zijn bundel toe. Voor hem moet de schrijver beschikken over een blik die de buitenwereld vanuit de binnenkant bekijkt, en omgekeerd. ‘Dat is wel uitzicht’, zegt hij, ‘maar met veel inzicht’. Het objectieve wordt gecombineerd met het subjectieve, en dat wordt mogelijk door de literaire vorm. Het diepste ik van de schrijver krijgt immers algemene proporties dankzij die vorm. Proust is het ideale voorbeeld. Deze ‘meester der innerlijke schouw’ heeft zijn ‘onversneden ervaringen uit de kindertijd’ zo’n perfecte vorm gegeven dat ze een algemene waarde en herkenbaarheid krijgen.

Blik en vorm

Zonder vormgeving is een ervaring onvatbaar en in die zin niet echt te ervaren. Slechts door de formulering (in een roman, een muziekstuk of een schilderij) wordt ze voelbaar, ‘een mirakel omdat alleen als het passende woord gevonden is en mogelijk, een eigen ervaring pas tot een eigen ervaring wordt’. En toch zorgt dat woord er ook voor dat je afstand neemt van je ervaring. Dat is de paradox waar het in de kunst volgens Brakman steeds om draait: de schrijver wil zich zijn verleden, zijn herinneringen en algemener zijn ervaringen toe-eigenen door ze in een literaire vorm te gieten, maar hij verliest ze op datzelfde moment.

Om dat verlies tot een minimum te beperken, moet de vorm zo dicht mogelijk aansluiten bij het vrije uitzicht, de dubbele blik die in de pool de tegenpool ontdekt, ‘de zich verdiepende blik, het oog voor het vreemde in het overbekende, de schoonheid van het alledaagse’. Zo ziet Kafka het duistere in het heldere, Sterne de vreugde in de melancholie, Tsjechov de humor in de klacht, Nabokov de kwelling in de liefde en Botho Strauss het bedreigde subject in de dictatuur van de massa. Voor al deze auteurs geldt: ‘De blik die over het eigen leven dwaalt ziet de grote verbanden of schept ze’. De vorm die zij hanteren, is afgestemd op hun blik. Hun kunst schept verbanden, laat in het fragment het geheel doorschemeren.

Dat het hier gaat om doorschemeren is van groot belang. Kunst is gebaat bij suggestie en resonantie, niet bij explicitering of alles verhelderende toelichtingen. Kafka bezit ‘het wondere vermogen het onzegbare te zeggen’, maar hij doet dat wel in raadsels en onbegrijpelijke fragmenten. De goede schrijver vernietigt het mysterie en het onuitsprekelijke niet, hij beoefent ‘een welbespraakt zwijgen over het onzegbare’. Literatuur is niet het laatste woord, maar ‘de suggestie van het juiste woord. De suggestie, want zij wil wel, maar kan niet het laatste woord spreken en juist dat voert haar naar het hooggebergte.’

De weg naar het hooggebergte is niet alleen geplaveid met suggestieve maar ook met tonende taal. Wie zich verliest in betogende, filosofische, religieuze of wetenschappelijke uiteenzettingen, is geen literator. De schrijver laat zien wat niet in woorden te vatten is en in die zin is hij een tekenaar of een schilder. In ‘Taal en tekenen’ heeft Brakman het uitvoerig over de verstrengeling van beide en in zijn essay over Francis Bacon zegt hij dat deze het verhaal en het betoog buiten zijn schilderijen wil houden: ‘Geen woorden voor, is zijn boodschap en in deze zin zeker iets om niet over te zwijgen.’

Geen wonder dat Brakmans essays ook voorbeelden zijn van deze suggestieve vorm en het daarbijbehorende ‘dubbelzien’. In de onderwerpen en kunstenaars die hij bespreekt, hoor je steeds zijn persoonlijke bekommernissen en obsessies doorklinken. Voor hem geen dorre, analytische en wetenschappelijke benaderingen, die het laatste woord willen spreken, maar wel ontmoetingen die vertrekken vanuit de subjectieve ervaring. Als hij het over de Haagse School heeft, heeft hij het ook over zichzelf, zijn jeugd, het vreemde licht dat over de kindertijd hangt. Boekenwijsheid is daarbij secundair: ‘Om dit duidelijk te maken moet ik alles wat over deze schilderkunst in boeken steekt ter zijde laten om des te beter te kunnen wijzen op wat hier van wezenlijk belang is, en dat is de hand van de tekenmeester aan de school in de Doornstraat te Scheveningen.’ Als hij schijnbaar theoretisch over Adorno schrijft, heeft hij het, in een van de mooiste passages van het boek, ook over de laatste weken van zijn moeder. Die herinnering maakt de dialectiek van toen en nu, van beschouwing en ervaring duidelijk. Ze tóónt de wisselwerking zonder er eindeloos over te filosoferen. Dat wil niet zeggen dat filosofie of wetenschappelijke kennis onbelangrijk is en dat alles voortkomt uit vrijblijvende subjectieve voorkeuren. In het stuk over museumbezoek pleit Brakman voor de combinatie van de twee polen, een kennis die ook een ervaring is: ‘Het is even onvermijdelijk als kwalijk dat de huidige mens steeds meer beschikt over kennis die als het ware buiten hem om is geboren, maar waarover hij met grote vanzelfsprekendheid beschikt. Groei van de geest, het doen toenemen van de substantie daarvan, van geestelijk eigendom, ontstaat (in ieder geval in de kunst) alleen in een proces dat men zelf voltrekt.’ Ook hier zijn uitzicht en inzicht verbonden.

Adorno en het kind

De naam van de neomarxistische filosoof Theodor Adorno is hierboven al even gevallen en allicht is hij het belangrijkste referentiepunt om Brakmans dubbele blik te plaatsen. In ieder geval krijgt Adorno het langste essay in dit boek, dat dan ook nog eens centraal geplaatst wordt. Voor wie ook maar enigszins in Brakman en/of in Adorno geïnteresseerd is, zijn deze vijftig bladzijden verplicht leesvoer.

Brakmans dubbele blik is ten dele een literaire versie van Adorno’s negatieve dialectiek, de onuitgesproken aanwezigheid van de tegenpool in de pool, ‘dissonerend in samenhang’. ‘Negatieve dialectiek is tegen veel’ en vooral tegen elk systeem dat beweert te weten hoe het is of moet zijn. Dat wil niet zeggen dat de waarheid als een bespottelijke illusie overboord gegooid wordt, maar dat ze in het negatieve gezocht wordt: ‘Wat waarheid is, hoe een ideale gemeenschap er uit moet zien, weten wij niet, maar één ding is zeker: zo niet!’ Vandaar dat Adorno en Brakman de waarheid zoeken in al wat in onze tijd niet meer kan en wat dan ook meestal in negatieve termen aangeduid wordt, zoals het onbegrijpelijke, het onooglijke, het oncontroleerbare en vooral: het ondeelbare. Onze wereld is gebouwd op tweedelingen, terwijl de filosoof en de schrijver zich toeleggen op ‘het kunnen zien van het ene in het andere’.

Dat is een pijnlijk zien, want wie in het nu het toen kan zien en in de geliefde de gehate, die maakt het zichzelf onmogelijk om het nu of de geliefde ooit zuiver te vatten. Hij beseft dat er steeds iets anders schuilgaat achter alles wat hij ziet, iets wat er niet echt is, maar wat toch schrijnend om aandacht vraagt. Pijnlijk is dat, maar tevens zalig, want zonder die dubbelheid wordt alles eendimensionaal, gevangen in mode, massa en directe consumptie. Zowel Adorno als Brakman kiezen voor dit ‘bittere geluk’ van het dubbele uitzicht, dat een blik gunt op alles wat de eendimensionale mens niet ziet, maar dat tegelijkertijd toont hoezeer dit alles slechts als gemis aanwezig is.

Dit uitzicht herinnert aan ‘de geniale kinderblik’, die nog geen weet heeft van de splitsing tussen binnen en buiten. Het kind versmelt nog met zijn omgeving, het gaat volledig op in het boek dat het leest of in de dingen die het ervaart. Literatuur moet deze primaire ervaring herstellen, en dat is geen lieflijk en kneuterig jeugdsentiment, want in de kinderblik zit ook de versmelting van geluk en angst, zaligheid en gruwel, liefde en moord. Freud geeft volgens Brakman slechts een zwakke benadering van deze donkere én hemelse kinderwereld. De kunst en de filosofie à la Adorno zijn betere toegangswegen. In tegenstelling tot Freud willen zij die mysterieuze samenhang niet verklaren en reduceren tot duidelijke begrippen zoals het oedipuscomplex. Zij spreken een ‘onverzoenlijk nee’ uit over dergelijke reducties en weigeren een ultieme verklaring te aanvaarden: ‘Het negatieve in dit denken is het niet afsluiten, het niet willen beslissen, maar het opschuiven, uitstellen en verdagen.’

Ook dat uitstellen past Brakman op zijn eigen essays toe, bijvoorbeeld in het stuk over het museumbezoek: ‘In mijn jeugd was er de staande uitdrukking “een boterham met schuifkaas”, wat in die beruchte jaren van de crisis wilde zeggen een boterham waarop een klein stukje kaas was gelegd dat voor iedere hap vooruit werd geschoven […]. De overeenkomst van het opschuiven met deze lezing omvat de niet geringe dreiging dat u veel dorre kost voor lief moet nemen alvorens de tanden te kunnen zetten in een uit de collectie van dit museum gekozen kaas.’ In het essay over ‘Mijn bezetting’ past Brakman dit treiterend én humoristisch toe door voortdurend het verhaal over zijn verdwenen kat uit te stellen. Het is een principe dat zijn hele werk doortrekt: uitstellen, als een verzet tegen de directe consumptie én tegen het grote afstel dat ooit, in de vorm van de dood, moet komen.

Kunst is kritiek

In bijna alle essays uit deze bundel kun je het lezen: kunst is per definitie kritisch, ze is ‘antithese van de samenleving’. Er wordt in dit boek dan ook heel wat kritiek geleverd: op de massa, de mode, de cultuurindustrie, de anekdotische en journalistieke literatuur, de al te heldere literatuur waaraan Willem Frederik Hermans zich af en toe schuldig maakt, de al te drammerige literatuur waaraan Lowry zich in zijn ‘Under the Volcano’ zou bezondigen, de alles-moet-kunnen-idologie die volgens Brakman het postmodernisme karakteriseert, de ‘liquidatie van de subjectiviteit’, de gezondheidsobsessie van de huidige lichaamscultuur, de pragmatiek van het zogenaamd gezonde verstand.

Daartegenover pleit Brakman voor de afwijking en de ziekte (‘gezonde mensen schrijven geen mooie boeken’), voor de ‘epische stagnatie’ à la Sterne die de snelle en chronologische flutverhaaltjes moet vervangen, voor ‘de noblesse van het raadselkarakter’, de onmodieuze, zelfs negentiende-eeuwse individualiteit (‘eeuw van het individu, alleen het woord doet mij al krimpen van nostalgie’) en vooral de ervaring van het ondeelbare.

Zo’n kritische houding stuit uiteraard op weerstand, zelfs afwijzing. Er is in onze tijd niet veel waardering voor kunst à la Brakman. Enerzijds leidt dat de auteur tot een afgrondelijk pessimisme: ‘Is er nog hoop? Het beste antwoord hierop lijkt mij een krachtig nee.’ ‘Instinct zegt mij dan ook dat de strijd verloren is en hier rest nog slechts de elegie.’ Anderzijds ligt in deze afwijzing veel trots besloten. Aan het eind geeft Brakman een bittere én verheugende ‘samenvatting van mijn schrijverschap en schrijversleven, namelijk te worden afgewezen op het beste dat ik had te bieden. En dat is toch iets om trots op te zijn.’

Deze essaybundel is inderdaad iets om trots op te zijn. Wie eigenzinnigheid en intelligentie geen scheldwoorden vindt, moet dit boek ter hand nemen. Zoals de dialectiek dicteert, zijn er ook mindere momenten. Brakmans verzet tegen de huidige tijd neigt af en toe naar het eenzijdige, ten koste van het dialectische. Het is ook nooit goed. Enerzijds pleit hij voor het onooglijke en het alledaagse, maar als ‘De Gids’ hem een onooglijk dagelijks object toestuurt zegt hij: ‘Het is zeer van deze tijd, dit uitvergroten van het gewone: van de gewone man of vrouw in de voorkeuren der media.’ Formeel gezien had dit boek wel wat strakker gekund. De essays overlappen te vaak: sommige voorbeelden komen herhaaldelijk en letterlijk terug, zinnen en zelfs hele alinea’s uit het ene essay duiken ongewijzigd op in het andere, en wie de vroege essays van Brakman kent, zal hier meer dan eens een herschrijving of een (lang maar onvermeld) citaat ontdekken. Dergelijke herhalingen dragen niet bij tot de overtuigingskracht, maar met enige goede wil passen ze in het grote gebaar van de samenhang, dat zo typisch is voor het werk van Brakman.

Willem Brakman, ‘Vrij uitzicht’. Amsterdam, Querido, 2001, 278 blz., ISBN 90 214 5420 3.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright