wbrakman.nl

Vrij Nederland, 9 februari 2002

geplaatst 26 febr. 2002

Ik zie alles

De schrijver als ziener

De jongste essays van Willem Brakman zijn gebundeld. Ze geven een prachtig beeld van de gepassioneerde zoektocht van de schrijver naar 'de volle klank van de waarheid'.

Tomas Vanheste

In Willem Brakman is een streven naar hoger. Niet zonder zelfspot maar tegelijkertijd intens serieus noemt hij zichzelf in de inleiding van de essaybundel Vrij uitzicht, een rijpe vrucht van vijftien jaar denkend schrijven, een ziener. 'Ik zie alles, ik ben een ziener, mij is gegeven de zich verdiepende blik, het oog voor het vreemde in het overbekende, de schoonheid van het alledaagse, voor mij geen over het hoofd zien.'

Waar ziet Brakman dan naar uit? Zijn schouwen peilt dimensies voorbij het begrip, reikt naar hetgeen hij het kostbaarste noemt dat er is: 'Tot in het merg te kunnen ervaren en niet te begrijpen.' In de Haagse Bosjes van Poot overkwam hem in zijn jonge jaren een haast mystieke ervaring.'Tussen mijn benen door keek ik noch naar het pad, noch in mijzelf, ook niet in dat wat beide zou omvatten, maar regelrecht in een diep in het lijf gezeteld weemoedig geluksgevoel, en ik wist met zekerheid dat er niets was zonder dat het lijf van waaruit ik staarde zich daarin mengde.' Om dit soort primaire ervaringen, waarbij lichaam en geest één vormen, en de 'oerkwetsuur' dat ze 'niet meer - nooit meer' zullen terug- komen, draait Brakmans schrijven. 'Eigenlijk heb ik altijd geschreven over het kind dat ik was, over zijn mythologische dimensies en zijn blik om het grote verlies.'Wonderlijk is het dan ook niet dat een van Brakmans mooiste beschouwingen gewijd is aan Marcel Proust, en wat hij over hem zegt, kan evengoed op de schrijver zelf slaan: 'In hem is er een vreemde, sprookjesachtige trouw aan de onversneden ervaringen uit de kindertijd, de grote schokkende dimensies ervan.'

Dat voor Brakman het hoogste is wat in de ervaring schuilt maar het begrip ontstijgt, wil echter allerminst zeggen dat hij 'het bittere geluk van het denken' niet wil proeven. Zeker beschimpt hij de rationalist pur sang, 'vertegenwoordiger van een helderheid zonder diepte', en stelt hij dat de instrumentele rede van wetenschap en economie tekortschiet door niet te zien dat 'de enumeratie der feiten niet de woonst is der waarheid'. Zeker verzet hij zich tegen een taal die alles wat zich aan de mogelijkheid van exacte beschrijving onttrekt nietig verklaart. 'Taal als kwetsende distantie, een instrumenteel denken, dat van het abstraheren, van tabel, formulier, enquête.' Maar daarmee is niet gezegd dat anything goes, dat we ons moeten overgeven aan irrationaliteit en chaos, integendeel: 'Reflectie dient in de kunst opgenomen te zijn, anders zou ze verworden tot een vijand van de logos.' Het streven is 'aan de dwang der rationaliteit te ontkomen door haar te verrijken met dat wat in het begrip niet opgaat, eraan ontsnapt'.

Het laatste dat Brakman beoogt, is dus het opgeven van de ratio, het afrekenen met ieder waarheidsbegrip en het gelijkschakelen van fictie en werkelijkheid. Dat Brakman in een respectabel avond- blad een postmodernist wordt genoemd, is dan ook opmerkelijk. Vele keren spuit hij zijn woede over 'het postmodernisme met zijn provocerende alzijdige tolerantie, het hoereren met begaafdheden en talenten en de zwaarteloze vrijblijvendheid'. Het langste essay in Vrij uitzicht met de veelzeggende titel 'De macht van het nee zeggen' is gewijd aan Theodor Adorno, wiens filosofie Brakman toen hij haar ontdekte, gegoten zat als een vaak gedragen jasje. Een nauwelijks verholen woede en verdriet over het feit dat dit denken zo weinig sporen heeft getrokken, drijft Brakman tot het schrijven van een gepassioneerde beschouwing die zeker veel van de lezer vergt, maar tegelijkertijd zeer de moeite loont. Adorno wilde het project van het modernisme voortzetten, de ratio adelen en 'tillen in de regio waar waarheid reflectie in verre verten convergeren'. Brakman duidt de kern van Adorno's negatieve dialectiek aldus: 'Alle schrijven dat die naam verdient is betrokken op de waarheid, ligt in de richting daarvan, maar daar het totaal der werkelijkheid niet binnen het denken valt, zijn ware uitspraken onmogelijk.' De waarheid uitspreken, haar al denkende vangen, is ons niet gegeven. Immer ontsnapt zij aan onze begrippen. Wel kunnen we naar haar reiken, ons in de richting van haar immer wijkende horizon begeven door nee te zeggen, door te ontmaskeren wat vuil en voos is, onecht of vals, totalitair of vervreemdend. 'Kunst is op waarheid betrokken, centraal in haar is daarom het nee,' stelt Adorno en Brakman zegt het hem na. Waarheid, voor minder doet Brakman het niet. De lezer zou het aantal keren dit begrip voorkomt voor de grap eens moeten tellen. Voorwaar geen postmoderne spielerei.

Een strenge schoolmeester kan erop wijzen dat in Vrij uitzicht nogal wat doublures zitten en schrijver of redacteur wel had mogen wieden en herschikken. Brakman gebruikt in de voor verschillende gelegenheden geschreven beschouwingen en lezingen soms dezelfde voorbeelden en citaten en bepaalde passages keren letterlijk terug. Maar dat geeft allemaal niets, want in deze herhalingen tonen zich Brakmans leidmotieven, obsessies en manieën, En 'Philosophie ohne Manie ist ein Dreck', citeert Brakman Peter Sloterdijk tweemaal, om eraan toe te voegen dat de literatuur daarbij ingesloten mag worden. Van een jeugdige manische bezetenheid en woede geeft de bijna tachtigjarige meester zeker blijk, maar bovenal is Vrij uitzicht een bezonken, fraai geformuleerd pleidooi voor een denken 'waarbij de werkelijkheid steeds meer van rationaliteit wordt doortrokken en dat tegelijkertijd het voor de begrippen ondoordringbare, 't spontane, impulsieve, driftmatige, onvoorziene en nieuwe voor de blik vrijmaakt'. En wie aldus vrij uitzicht heeft verworven, wie als Brakman een ziener is, hoort 'de volle klank van de waarheid'.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright