wbrakman.nl

NRC Handelsblad, 14 december 2001

Gestoffeerd hoofd

Janet Luis

Sinds jaar en dag wordt Willem Brakman tot de postmoderne schrijvers gerekend door mensen die het kunnen weten, zoals Bart Vervaeck - die er een studie aan wijdde. Onder de noemer 'postmodern' vallen volgens Vervaeck romans die niet goed samen te vatten zijn, die geen boodschap hebben, die zich weinig gelegen laten liggen aan plot en chronologie, die niet erg gemakkelijk weglezen en die stem geven aan iets ogenschijnlijk onbeduidends. Allemaal kenmerken die van toepassing zijn op de romans van Brakman. Hij bevindt zich daarmee in het goede gezelschap van schrijvers als Hertmans, Jongstra, Beurskens, Thomése, Verhelst, Ferron en Mutsaers, die het net zo min als hij van het gehate 'verhaaltje' moeten hebben, van het 'naïef- realisme' of van de 'neuzelende anekdotiek' - maar erg vereerd lijkt hij zich met dit etiket nooit te hebben gevoeld. Vermoedelijk staat het hem vooral tegen in een postmoderne familie opgenomen en daarmee als het ware in kaart gebracht te zijn. Brakman is geen groepsmens, maar een eenling, 'een geboren buitenstaander', zoals hij zichzelf herhaaldelijk omschrijft.

Het woord postmodern valt dan ook maar een enkele keer, en dan nog terloops, in de zevenentwintig essays die hij bundelde in Vrij uitzicht, een selectie uit zijn beschouwingen van de laatste vijftien jaar. Hij heeft bovendien weinig op met tijd- en landgenoten. Het is opmerkelijk hoe weinig Nederlandse schrijvers hij met ere noemt in zijn essays. Eigenlijk alleen dode: Multatuli, Roland Holst, Vestdijk en Hermans, en de laatste dan nog met een slag om de arm. in het algemeen heeft hij weinig affiniteit met het hedendaagse, waarin naar zijn stellige overtuiging het individu niet meer telt. In de politiek, in de kunst en in alle segmenten van de samenleving richt men zich tegenwoordig op de massamens, die, naar hij nogal komisch veronderstelt, 'vervoerd ondergaat in koopkracht'.

Wat hij bij de 'digitale' mens mist is een 'rijk gestoffeerd hoofd', ofwel gevoel voor nuance. Meer nog dan in zijn jeugd heerst het ideaal van het fitte lichaam, dat voldoet aan de eisen van 'licht, lucht, zweet, sport, flink, sluw, leep en blinkende gezondheid'.

Natuurlijk ontkomt ook de hedendaagse mens niet aan ziekte en aftakeling, maar ook op dat gebied neemt Brakman een verschraling waar. Men lijdt niet meer aan mooie literaire kwalen, zoals tbc, hysterie, bloedarmoede, vapeurs, nevrozen, ennui of spleen, maar krijgt weinig tot de verbeelding sprekende, onverbiddelijke aandoeningen als kanker, hartinfarct of aids. 'De mensen kwijnen niet meer langzaam weg, maar worden gewoon ziek en gaan dan al of niet dood. Het lijkt mij de vraag of deze visie op de (gezondheids)toestand van de mens door de eeuwen heen veel hout snijdt, maar er blijkt wel duidelijk uit dat Brakman veel bedenkingen heeft tegen het eigentijdse.

De negentiende eeuw, dat is het tijdperk waarnaar hij terugverlangt, en wel met een niet te stillen heimwee', ook al kent hij het alleen van horen zeggen en van zien in het werk van de schilders van zijn innig geliefde Haagsche School. Toen kon het individu nog wel gedijen, zo meent hij. Het zijn de in die eeuw geboren schrijvers, denkers en kunstenaars, door wie hij zich gesterkt weet in zijn kritische en wantrouwende houding tegenover de wereld. Proust, Kafka, Mann, Tsjechov, Adorno en Nabokov behoren tot zijn literaire helden.

In een nogal hilarisch inleidend hoofdstukje legt hij uit dat het begrip uitzicht bij hem ruim opgevat moet worden. 'Ik zie alles', meldt hij, een beetje dreigend, 'ik ben een voyeur'. En ook: 'Veel in het uitzicht hangt af van het innerlijk.' Het gaat hem niet om de zichtbare werkelijkheid, maar om wat zich daaronder en daarachter verborgen houdt, voor degene althans met een borende blik. Deze geesteshouding, dit vermogen om in het kleine, het veronachtzaamde belangrijke verbanden op te sporen, wordt hij niet moe te betrappen bij zijn bewonderde voorgangers.

Proust noemt hij in dit verband een 'meester der schouw', iemand die grote ervaringen opdoet aan kleinigheden (dit, voegt hij er droogjes aan toe, in tegenstelling tot de amuzische mens die juist weinig doet met grote gebeurtenissen) Een schrijver als Kafka voelde, zo meent Brakman, zijn hele leven 'honger om te zeggen wat niet te zeggen valt'. Hij toonde als het ware de vele onverklaarbaarheden en duisterheden van het leven, en deed geen pogingen er een oplossing voor aan te dragen.

Dat men deze gave van de innerlijke schouw niet cadeau krijgt, staat op bijna elke bladzij van deze bij vlagen wat eenzelvige, maar overwegend toegankelijke en erg geestige beschouwingen te lezen. Gevoelens van eenzaamheid, gemis, eeuwig tekort en verscheurdheid moet men erbij voor lief nemen. 'Triestheid vrat aan zijn ziel als de muizen aan een kaas', schrijft hij over Tsjechov, om er vervolgens vergenoegd aan toe te voegen: 'en dat kwam zijn werk zeer ten goede.' Tsjechov was een literaire arts, net als Brakman zelf, die niet erg hoog opgeeft van zijn eigen kwaliteiten als geneesheer: 'Altijd verstrooid, verkeerde recepten, steeds te laat of te vroeg, en immer en immer gestoord in het hogere.'

Zoals Brakman het schrijverschap stelde boven zijn bestaan als bedrijfsarts, zo stelt hij nog altijd het verbeelde leven boven het leven zelf: de geest boven de materie, het woord boven de daad, inzicht boven uitzicht. Dat alles stempelt hem eens te meer tot een postmodernist, ook al probeert hij ons in zijn romans met koetsen, pruiken, lakschoenen en hoefgekletter maar al te vaak op een oud, negentiende-eeuws dwaalspoor te brengen.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright