wbrakman.nl

De meute van de schoolbanken

De Morgen, 10 juli 1998

Bart Vervaeck

Jongens horen in clubs, dat is altijd zo geweest. Wanneer het begonnen is, kan geen mens zeggen. "Niemand van de club wist wanneer deze was opgericht, wie erover nadacht vond steeds een vroeger begin, zodat de conclusie voor de hand lag: voor het begin lag de oorsprong" (p.22).

Over de oorsprong voor het begin gaat Brakmans nieuwe roman. De titel verwijst naar de tijd voor de zondvloed, een tijd waarin de mens nog geen besef had van de tijd. Dat is de jongenstijd, die in dit boek ten tonele gevoerd wordt door twee spiegelbeeldige jongens, Old Shatterhand en Maarten Olie. Voor hun verhaal begint, last Brakman twee korte hoofdstukken in. De oorsprong voor het begin, zeg maar. In het eerste zegt de ik-verteller dat de tijd, die altijd gericht is op ontbinding, voor hem nooit voorbij gaat. Hij veroorlooft zich "een grote luxe, namelijk niet ouder te worden" (p.7). In het tweede hoofdstuk vertelt hj het verhaal van de leerlin Mak. Meester mager wil hem straffen, maar schrijft abusievelijk Mok in het rapport. Wat geschreven is, moet bestaan, en dus wordt de fictieve Mok langzaam een echte jongen, terwijl de reële Mak langzaam een schim wordt. Werkelijkheid en fictie, volheid en leegte hebben van plaats gewisseld. Wat ontbrak, is door het schrift opgeroepen.

Hoe dat precies werkt, blijkt uit het eigenlijke verhaal van Old Shatterhand en Maarten Olie. Soms lijken die twee figuren afzonderlijke wezens, dan weer lijken het afsplitsingen van een identiteit. Maarten bezit "een microscoopje in de vorm van een vulpen", dat Shatterhand "tot stervens toe graag wilde hebben. Het kijken erdoor was als het zien van dat wat iedereen oversloeg, een durende onthulling van het verborgene in het gewone, en dat alles met de blik naar binnen en naar alle kanten afgeschermd" (p.44). Via Maarten zou Shatterhand alles kunnen zien wat door anderen veronachtzaamd en voorbijgelopen wordt, alles wat, net als de tijd, ongemerkt passeert. Door het microscoopje zou Shatterhand in zichzelf de antediluviale tijd kunnen zien.

Natuurlijk weigert Olie zon wonder instrument af te geven. En dat zal hem zuur opbreken. Eerst wordt hij door de klas en de school gepest; hij wordt het prototypische andere jongetje, het kind dat er niet bijhoort. In die positie lijkt hij verdacht veel op Shatterhand, die immers ook een eenzelvig kind is, maar Olie draagt zijn lijden en zijn isolement met meer klasse: hij wordt een echte Christus en vertoont zelfs de stigmata aan handen en voeten. De jaloerse Old Shatterhand kan deze ziektewinst niet aanzien en gooit zijn vriend van een brug. Olies ellende begon met de meute van schooljongens die hem uitsloten, maar ze wordt bezegeld door een individu dat hem erg na stond. Al is dat niet helemaal zeker, want tijdens de rechtszaak zijn er nog anderen die beweren dat ze Olie gedood hebben. De grenzen tussen het ik en de anderen zijn blijkbaar niet zo duidelijk.

De verhouding tussen het individu en de groep vormt, naast de relatie tussen de mens en de tijd, de tweede hoofdlijn van de roman. Old Shatterhand is altijd "op weg naar de club", maar het echte clubgevoel is voor hem niet weggelegd. Hij is en blijft een buitengeslotene, een overbodige. Dat komt ten dele door zijn moeder, van wie hij niet loskomt (wat onder meer in een groteske vorm uitgebeeld wordt door het moederlijke vrouwtje dat overal plakkaten uithangt waarop ze Old Shatterhand waarschuwt tegen de maatschappij, en de maatschappij tegen Old Shatterhand).

Maar een nog veel belangrijker obstakel dan de moeder,is de angst en de afkeer voor de massa, de groep, de meute. De oerversie van die menigte is de klas. Wie in de schoolbank schuift, verliest zijn eigenheid: "De tekst die hij vertegenwoordigt is tegelijk uitgewist en zang en dans zijn voortaan die van het algemeen" (p.28). Op een schoolplein wordt het individu gelyncht of gestenigd, zonder dat iemand weet wie de eerste geworpen heeft. Een "schoolplein, dat is het ongrijpbare boze" (p.85) en "scholieren zijn lid van een gewelddadige organisatie" (p.87).

De klas (als oervorm van de massa) is de basis van de geschiedenis. "De immer kwellende vraag wie of wat steekt er achter de geschiedenis, wat is de bewogen beweger wordt hier beantwoord: het is de schoolklas, oermal en compendium van alle historisch onheil" (p.30). De menigte schrijft "het bekende script der geschiedenis" (p.81). De evolutie wordt gevormd door de massa, die altijd maar belangrijker wordt en die het individuele al zozeer verdrongen heeft dat je een microscoop in de vorm van een vulpen nodig hebt om het nog op te merken.

Omdat de ik-figuur zich weigert te onderwerpen aan de groep, wordt hij niet aangetast door de geschiedenis. Daarom kan hij in de eerste regels van het boek zeggen dat de tijd op hem geen vat heeft. Maar helemaal los van het collectief en de tijd geraakt ook de eenzelvigste jongen niet. Als uitgestotene heeft hij ook een rol en een functie in de groep. Hij wordt het slachtoffer dat elke meute nodig heeft. Meester Mager, de oervorm der meesters en onderdrukkers, slaat zijn leerlingen tot ze de plaats innemen die de school (of: de groep) voor hen heeft uitgekozen. Voor Old Shatterhand is dat, net als voor Mok, "een ledige plaats" (p.18), wat hij hoort er niet bij. En zolang hij die rol vervult, hoort hij er eigenlijk weer wél bij, zoals het slachtoffer en de beul bij elkaar horen. Meester Mager noemt zichzelf "de stok Gods. Wat in het denken immers gescheiden blijft, het ik en de rest, verenig ik met mijn stok" (p.141).

Met die stok heeft Mager het been van Old Shatterhand verbrijzeld (Shatterhand is dus Shattered Leg geworden), en alhoewel zon verminking de "triomf van het collectief" lijkt, verstevigt ze tegelijkertijd de eigenzinnigheid van de jongen. Door zijn handicap, kan hij de anderen niet bijbenen. Uit de afwijzing en de straf haalt hij zijn eigen wijsheid en beloning. Met al wat hem onthouden wordt, bouwt hij zijn wereld op, die vol is van het afwezige, het ontbrekende. Zo wordt hij een schrijver, een specialist in het oproepen van wat er niet is. En zo blijken "de demonen van de school" uiteindelijk "de engelen der inspiratie" (p.79).

Ante Diluvium is een demonische én engelachtige brok inspiratie. De strijd tussen de meute en de eenling wordt uit de doeken gedaan in verhalen die nu eens mythisch en fabelachtig lijken, dan weer kinderlijk als in jongensboeken. Maar altijd zijn ze even geïnspireerd, en vooral: even suggestief en tastbaar. Er zijn fragmenten waar je als lezer meent te voelen wat je misschien ooit voelde in antediluviale tijden. Dit is een korte roman, maar wie hem traag en aandachtig leest, ontdekt een tijd die te groot is voor woorden, een oorsprong voor het begin. "Aan allen zonder uitzondering" richt de moederklijke vrouw in dit boek haar plakkaten. Aan die groep wil ik ook dit boek, een van de beste van Brakman, aanbevelen.

Willem Brakman, Ante Diluvium. Amsterdam, Querido, 1998, 142 blz., 599 Bfr.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright