uit: Vijf manieren om een oude dame te wekken, Querido, 1979
Willem Brakman
Hij heette Jim Dekker, en niemand voor zover mij bekend twijfelde er aan dat hij een genie was, ook hijzelf niet. Geholpen door een impulsieve natuur en zeer welgestelde ouders (zijn vader was directeur van de BPM en zijn in mijn tijd al overleden moeder was ook afkomstig uit oliekringen) vulde hij op een indrukwekkende wijze de sjablone in van de hyperintellectuele, nerveuze bohémien des geestes: wasbleek, haar dat zwart en glanzend als een torschild een sluike lok over het ivoren voorhoofd uitzond, een smalle, beweeglijke mond, diep liggende ogen en altijd iets ongeschoren.
In de terugblik hoort hij voor mij eerder in de regionen van droom en legende dan in die van de deftige buurt waar hij woonde, aan de rand van de stad in een stille straat met veel bomen, die over een soort heuvel liep, zodat het was alsof de villa's op een brug stonden waarover men de stad zou kunnen verlaten. De voordeuren hielden, statig en voornaam, nauwkeurig de hoogte aan van de straat, maar aan de achterkant sprongen en golfden de tuinen in een overdaad aan ruimte naar beneden, met rotstuintjes, scheve grasvelden en rustieke trappen van geteerde balken. Het was daar een vallei van de gegoede stand en met bijzonder veel genoegen herinner ik mij de paarsrode rechthoek van het tennisveld in de diepte en het tongklakkende geluid der ballen in de zomeravond.
Wat verderop woonde Etna, een mooi blond en roze buurmeisje dat ons in contact bracht met Epnet de beeldhouwer. Zijn atelier lag boven een bioscoop, en op weg naar zijn werkruimte moesten we een merkwaardige gang maken: we liepen door een foyer met veel bruinroze spiegels naar een verre hoek, stapten daar van het dikke rode tapijt op een marmeren trap, die in een bocht opeens van klossend hout werd. Epnet woonde en werkte in een immense ruimte, groot als een danszaal, aan de wand veel monotypen, dat wil zeggen wat schimmelachtige verfvlekken in stalen lijsten, en verder stond alles vol beelden, gipsbrokken, ertsklompen en stukken puin. Tussen al deze zware materie was Epnet een wat pommadeachtige, suave man, altijd goed in de kleren voor een steenhakker, en met op de bovenlip de bekende sybaritische zigeunersnor, waaronder zijn brede voortanden steeds net even zichtbaar bleven in een onduidelijk lachje dat alle kanten uitkon. Zijn relatie tot Etna was volstrekt onduidelijk.
Eén verhaal van hem heb ik onthouden, namelijk zijn bevrijding uit een concentratiekamp ergens diep in het oosten. Op een nacht, vertelde Epnet glimlachend, waren de Duitsers wonderbaarlijk vertrokken, 's ochtends was opeens alles griezelig leeg en stil geweest alsof de wereld was ondergesneeuwd. Ze waren weg, dat was wel duidelijk, maar wie zei dat ze niet ieder ogenblik konden terugkeren om met koppels, knuppels en zwepen alle vreugde, hoop en binnenpret voorgoed tot moes te slaan. Afwachten, het weer was prachtig, de poort stond open. Ze dwaalden wat bedrukt om het Lager heen maar het bleef een stralende" zomerochtend en ze staarden uit over de wijde velden waar niets bewoog, als in een visioen.
Pas veel later op de dag werden ze opgeschrikt door een donker, dreigend gebrom, dat maar nader en nader kwam. De grond waarop ze lagen en die ze angstig beluisterden bromde en gromde, ronkte, zwol en donderde tot de hele horizon was volgelopen met tanks. 'Ach, heroïsch! heroïsch!' Epnet had zich met een hem achteloos toegeworpen sigaret afgezonderd, zich ver buiten het kamp tegen een boom gezet op zijn messcherpe aarsknoken, om vanuit zijn abri over de velden heen 'Rauch in die Freiheit zu blasen'. Een mooi verhaal vol dreiging van dood, staal en laarzen en een elegante afronding naar een slot waarin de lichte geur van brons, graniet, gips en haartonicum was opgenomen. Jim lag op de rode Tosca-canapé in een indrukwekkende pose; één witte sensitieve hand liet hij afhangen over de leuning van rood velours, de andere liet een kunstig bewerkte pop cirkelen, slingeren en buitelen boven zijn grijze vest, terwijl hij zich traag en languissant overgaf aan de orale verrukkingen van 'polichinelle ... bamboche... polichinella...bambochuro... scaramouche.,,.
Etna zat vlak naast hem op een taboeret, de gekerkerde blik van haar ogen vast op hem gericht, reclamelichten van de Herengracht schenen door de hoge vensters, rood, groen en blauw en zetten haar ronde gezicht afwisselend in de kleuren van extase en wanhoop. (Eddenah... âme chromatique, J.D.) Het was een onwaarschijnlijk schuw meisje, jeugdtrauma's of zo hadden haar het woord ontnomen, praktisch tot mime gemaakt. Door Jim had ze weer een stem gekregen, hij vulde haar hoofd met woorden, toon, tics en zijn bijgeluiden. Ze imiteerde hem beaat, dociel, schaamteloos, ging geheel in hem onder. Jim was ook aantrekkelijk, de mensen staarden hem aan waar hij stond of ging met die eigenaardige verdroomde blik die zich vaag iets schijnt te herinneren. Wie hem groette deed dat onwillekeurig met eerbied en hongerig naar wedergroet. Zijn bewegingen waren opvallend soepel, nog niet verstramd en geknot door angst, dankbaarheid of eerbied, en hij voerde ze uit in maatkledij, dat wil zeggen in dunne stof die nauwelijks woog of kreukte en ook nooit ellebogen of knieën vertoonde. Terwijl hij zijn pop liet wentelen en draaien boven zijn parelgrijze vest en in het licht van de Herengracht klaagde hij tegen ons over de genade die hem was geworden. Hij was een genie, hij leefde als een genie, sprak als een genie. Vertaald naar het concrete hield dat in dat hij wiskunde studeerde en dat zijn kamer vol onsamenhangende spullen slingerde: hockeysticks, groepsfoto's van hypergezonden, stapels boeken en tijdschriften die alle kanten uit wezen, rood-witte kousen. Op een schoolbord aan de muur wemelde het van op topsnelheid neergeschreven functies en vergelijkingen, in een hoek enkele lijmpotten, en celli die hij had afgesproken te repareren, een hi-fi-supercircuit zorgde met bijzonder veel draden op de vloer voor de muziek. Op een late avond, alleen thuis, een hand rommelend in de FM-kanalen, was hij opgewacht door haar, zijn inamorata, en toegezongen vanuit de hoogste regionen. 'Ik hou van u,' zong ze, 'alleen van u, moedertje is niet dood, God bestaat, de engelen ook, heus, alles is vree.' Een stem als op de ochtend van de eerste scheppingsdag, en nooit had hij geweten over zoveel verlangen en droefheid te beschikken. Een dalende melodie was het, en die zijn het mooist vlak voor de lente-equinox, als de maan vol en rond staat boven de Harstenhoeckweg en de sombere bogen van de Dalton-HBS. Ingeklemd tussen opdringerige Engelse nieuwsberichten over Teheran en de staccato-ruis van Slavische informatie, zwol en slonk haar voois in een kosmische ebbe en vloed. 'D'amour l'ardente flamme uit La damnation de Faust', zijn geest steigerde, balde zich samen, draaide een kwartslag en was, als bij een caleidoscoop, plotseling geheel anders.
De stem verklonk, ongekende eenzaamheid suisde in zijn oren, hij zat op een stoel, as, uitgegloeid, van ongekende smart gekelderd. Hij wankelde naar buiten, hockeystick in de hand, de Harstenhoeckweg op met de villa's, en hij voelde hoe het heimwee zich nestelde in de lichaamsvochten, een schokgolf zich voortplantte tot in het derde geslacht. Alles was doodstil, zijn passen sleepten zich voort van lantaren tot lantaren en ik zou goud geven om te weten wat hij daar heeft uitgestoten in alle talen die hij kent. Haydn Assrani heette ze, soprana, ander woord voor, metafysische honger, innerlijk licht, universeel borstregister, en duizelend overzag hij de hi-fi-supercircuitconsequenties: Desdemona, Violetta, Amnéris, Elvira, Turandot. Als hij zich voorstelde dat ze toch ergens werkelijk moest zijn, bewegen, ademen... kreunde hij van uitgestotenheid. Kunst en leven scheidden zich smartelijk, en door zijn geniale geest wentelden orgieën van recepties, avondkleding, bepalmde lobby's, Stockholm, fluweel, Bayreuth...
Weer thuis, de zacht knetterende radio omknepen met witte vingertoppen, zodat de voegen kraakten, had hij zich afgevraagd: 'Hoe sterft men Isoldes liefdesdood, immer lichter... hoch sich hebt... auf sich schwinget... en voelde zich door Wagners slotakkoord in B-groot niet begrepen. Beter, o, veel beter was Isoldes 'es werde Nacht, es werde Nacht'...
Tussen de vingers van een bleke, fraai gebouwde hand loerde een betraand oog het atelier in, en uit Epnet brak de vriend. Ook hij kende Assrani!! Nog uit Milaan, waar ze zich eens had vertoond tijdens een hongerstaking van arbeiders uit de autofabrieken, waaronder Epnet Lajos; Creatief had hij toen totaal in het slop gezeten, suïcide was de continue bas geweest van zijn malende moedeloze gedachten. Drieduizend verzwakte, ondergraven arbeiderscondities waren samengestroomd, uit drieduizend uitgeholde magen steeg onwelriekende adem, die als een nevel langs de trappen opklom waar zij stond: één hand gebiedend uitgestrekt om de zon uit het gezicht te houden, de andere onnavolgbaar geplaatst op de haute couture van de heupgolf. Gehuld had ze zich later in een der spandoeken 'Giancarlo Bomba è libero!!', en zo had ze de Marseillaise op de menigte afgevuurd met vlammende ogen, en ook 'Zeg pausje geef er je non eens een zoen, hei! 't was in de Mei . In woede had ze later een borst ontbloot en hij herinnerde zich haar miraculeuze tepel, groot als een aardbezie en karmozijn van opwinding. Niemand wist en iedereen wist wat ze beoogde, spontaan zong men het slavenkoor uit Nabucco, door haar opgeroepen, door haar mogelijk gemaakt, en de staking brak in de glooiende lijnen van een albasten borst, samenzang en het nog hogere. 's Avonds werd er gevochten om een plaats in La Scala waar ze de prinses van Eboli zong in Don Carlos, ongekende energieën waren haar toegestroomd, haar keel, haar strot; men viel elkaar in de armen en hij had haar mogen zien op de trappen, doorlicht als een kaars, verheerlijkt in glans. Nieuwe verbanden zweefden plotseling voor zijn geest, vormen woelden weer in zijn brein, jeukten in zijn handen en, herboren als de grote kunstenaar die hij was, was hij een verzamelaar van haar stem geworden, steeds betreurend de rest eromheen niet te kunnen weghakken.
Epnet verdween in een hoek van het atelier, een gordijn golfde en daarna klonk uit de diepte van de ruimte zelf, een ruimte vergeeld en vergreind als een oude foto, een geknepen, grijsgeschuurde mezzo soprano, het patine der eeuwen op iedere toon. 'L'incoronazione di Poppea,' riep Epnet uit de schaduw en Jim lag als verpletterd op de bank, als van grote hoogt neergeworpen, versteend en verloren in de herinneringsdiepte van zijn lichaam. Bloed stroomde nauwelijks meer door zijn versmald gelaat, een hand hing vergeten in de lucht, de pop lag koud en stil op zijn parelgrijze vest. Epnet, gebukt heen en weer schuifelend tussen schemer en donker met scheve en langarmige Coppeliusgebaren toonde zijn schatten: onverwoestbare, voor de eeuwigheid geschapen 78-toerenschijven, geperst in het plompste bakeliet van een halve centimeter dik. De etiketten waren wit, het betrof een destijds ingewikkelde tussenhandel, occasione... en de namen waren er met de hand op geschreven in rood potlood: 'Tosca, Traviata, Caval. Rust., Potpourri'. Jim blies het stof van de platen en bestudeerde de namen, zo vaak gepreveld bij het donker worden.
Wat later liep hij door de schaars verlichte ruimte, streek verstrooid over de keiharde torsen en busten, tikte tegen een gonzende bronzen buik, volgde met de wijsvinger een totaal ongeestelijke granieten bilnaad. Onderwijl luisterde hij naar die verre stem, grijs als een krant, in de lagere regio's persend als een Caruso, in de hogere ontdaan van alle glans en scherp als een mes. Hij draaide zich om, stootte tegen Etna die hem achterna was gedribbeld met koffie en koek; 'Wat bezielt hem, hij begrijpt niets van mij,' siste hij tegen haar. Haar ogen werden als altijd groter als hij tegen haar sprak; 'Laat je niet stangen,' zei ze, 'hij is jaloers en zuigt alles uit zijn duim.'
Maar Epnet had bewijzen, de snor sidderde op de gevoelige bovenlip terwijl hij een dofzwart plakboek opensloeg. Fijn stof prikte in de neus, maar al helemaal aan het begin troonde ze in vol ornaat, hoewel hobbelig, bobbelig en scheef ingeplakt. Freiburg: Monteverdi, 'Die Krönung der Poppea', mit Michael Grabow, (Nero). Foto Heinz Würzer.
Op de onduidelijke foto stond ze aan de linkerkant, en was voornamelijk uit bleke vlekken opgebouwd; grote oorbellen dropen uit een wat Balinees aandoende hoofdtooi, sterk en gespierd waren haar armen, gipswit en van klassieke ronding, houding en proportie. Uit het duister aan de onderkant van haar puilende boezem straalde het licht over haar geplooide en flonkerende onderlijf. De ogen, grote, donkere, beduimelde vlekken, werkten onder het bleke voorhoofd zeer geheimzinnig. Naast haar stond Nero, een neuroticus met een vogelhoed, hoerenogen, vette wangen, een pruillip en dikke vetvouwen in zijn nek.
Jim sloeg het boek dicht en niesde. 'Oude troep; zei hij. 'Ze is tijdloos,' zei Epnet. 'Haar naam staat er niet eens onder,' zei Jim met een nijdige frons tussen de ogen, 'en die plaat is een horreur, een ruis als de hel, nauwelijks verschil tussen een tenor en een sopraan.' 'Jonge vriend,' zei Epnet, zijn snor koesterend, 'ruis en knetter zijn zaken voor het oor; luisteren... horen... dat doet de geest. 'Wat later fietsten we naar huis, het was een warme zomeravond zonder wind. Jim had het over de tramrails waarin de lantarens glommen als over 'het gouden haar der stad', en hij citeerde uit een totaal onbegrijpelijk gedicht van hem, dat eindigde met een over de Laan van Meerdervoort schallend 'en walging, walging zwalpt van 't steen!'.
Ons gesprek werd herhaaldelijk gestoord door Etna, die achter fietste, maar nu en dan met een voorwiel tussen ons in bijna een trapper raakte. 'Opgepast' riep ik. 'Terug!' riep Jim, en hij zwaaide met de hand alsof hij iets achter zich gooide. 'Wat een platen!' riep ze, 'een ruis als de hel, geen verschil meer te horen tussen een sopraan en een bariton.' Jim gaf geen antwoord, die beeldhakker zat hem nog danig dwars, wat viel er nog te beluisteren aan die restanten schorre lach, die zand- en stofstorm uit het verleden. Maar indrukwekkend gespierd en massaal had ze daar wel gestaan in het plakboek, beduimeld, maar schokkend lijfelijk en heel vleselijk opeens naast die liplikkende Nero. Hij had haar echter meer in gedachten gehad als een Concepción in 'L'heure espagnole': hups, slanke hals, kleine tanden en handen, en zeer beheerst van boezem of als diep bedroefde, knaapachtige Cherubino met sprekende en zeer magere handen. Die stem kon blijkbaar vele gestalten aan.
Thuis stuurden we Etna weg en luisterden, om ons wat te hervinden, naar Schumanns 'Frauenliebe und Leben', de sopraan ben ik vergeten, maar aan het klavier zat Geoffrey Parsons. Ik houd niet zo heel erg van muziek, dus ik keek op mijn gemak nog eens wat rond in de allotria: hockeysticks, grafieken, overal moedeloos veel boeken op en over elkaar, verftubes, penselen, wat onafgemaakte doeken, en in een hoek de in ongenade gevallen maar nog steeds te repareren cello. Jim, in de kussens, hield een hand over de ogen, licht speelde in zijn donkere haar, zijn stem klonk gesmoord: 'Tenue, daar gaat het om, maar ik moet een spoor van haar hebben om te kunnen leven. Ik moet. Speranza, speranza.'
Aan Etna dicteerde hij zijn fanbrief, dat wil zeggen het ruwe materiaal, vorm, toon, hoofse weloverwogen eerbied kon zij beter bepalen, hijzelf vreesde te zeer vervoering en tranen op het papier. Hij wilde zelfs het resultaat niet zien, legde de hand op het hart en zei: 'Assrani, mijn fatum.' Als aanhef stond hij op 'O, transatlantische berceuse', maar daarna wilde hij de viriele toon, de tenoro robusto, en verder nauwkeurig in de brief verwerkt zien: transparante ruimten, of beter nog diafane ruimten, glasheldere lyrismen die ook in het verfijndste pianissimo nog zo ver doordrongen, het lichtend uitstralen in geëxponeerde hoogten, haar krachtige vocale vormen, even volmaakt in de lange lijnen van Puccini als in het zoveel kortere melos van Verdi. Verder gezien haar nu mogelijk vorstelijke gestalte iets over 'visuelle Aussagekraft' (in het Duits te handhaven), om te eindigen met eerbied, dankbaarheid en bewondering als een getroost, innig en toegewijd dienaar. Al pratend liep hij heen en weer in zijn kamer, die overal in zijn gezicht zijn middelpunt had, en raakte verstrooid de voorwerpen aan als toen bij Epnet de beelden. De brief moest in het Engels worden opgesteld, wat geen problemen opleverde, daar Etna een of andere gedegen opleiding had genoten. Eerst in het PS werd helder verzocht om platennummers en tourneeplannen. Etna schreef en herschreef, typte en verstuurde, ingelukkig er helemaal bij te horen, de brieven naar de muziekmetropolen: Londen, Buenos Aires, Napels, Boston, New York, met alle hoop gevestigd op een fijn aanvoelende functionaris die de brief op haar spoor zou zetten.
Er volgde een stilte waarin Jim het gevoel had dat hij verdronk. Ook door Etna aangeschreven deskundigen (een plaatselijke muziekschool) hulden zich in een smallippig zwijgen. Eindelijk verwees een van hen naar een agentschap dat inderdaad reageerde, maar met een wat ouderwets aandoend foldertje waarin zij of gewoon afwezig was, of onder een andere naam opdook en dan onder voorbehoud zou optreden in Omsk, Venetië, Berlijn, Chicago, Parijs. Terloops werd verwezen naar een grote carrière in de platenwereld. Bleek en klam van ongeduld bestelde hij in de met muzak gevulde neonruimte van een discopaleis alles wat er van haar uit was of uit zou komen, van 'La traviata' tot en met de Marie van Bergs 'Wozzeck'. Hij veroorzaakte wat dwarse voorhoofdrimpels bij de verkoper en vulde eerst zijn naam en adres in op een groot bloot vel. Daaronder schreef hij die van mij en Etna; 'Welk nummer woont ze ook weer?' vroeg hij nog geïrriteerd. Intussen had deze de zangeres ook nog opgespoord in het 'Sängerlexicon'; het werk bediende zich op een onaangename wijze van de verleden tijd, maar achter de naam Haydn Assrani stond raadselachtigerwijze: 'Schloss Esterháza in Ungarn. Im Musiksaal der Esterházy-Residenz wurden viele Haydnsymphonien unter der Leitung des Komponisten aufgefuhrt.'
In haar vertwijfeling schreef ze ook nog naar 'Wer singt wo' en kreeg kwiek bericht dat 'die Sängerin' in september aan de Staatsopera te Wenen de Clorinde in Rossini's 'La cenerentola' zou zingen onder Asgarow. Bij het bestellen der kaarten bleek het echter een voorstelling te betreffen in het vorige jaar. Merkwaardigerwijze was in het toegezonden programma een foto afgedrukt van een première in Osnabrück waarvan het agentschap blijkbaar geen weet had gehad. Een scène uit de 'Rosenkavalier', en als in de renaissance waren er geweldige bouwwerken op het toneel gezet, een slaapkamer als een kathedraal en een gigantisch bed als Erosaltaar. De zangeres voor het bed was onherkenbaar door een weelde, een ware aura van zijde en kant. Uit de glossen bleek wel dat de zangeres Assrani moest zijn, maar onder de foto zelf stonden geen namen. De illustratie was, zo bleek na wat corresponderen, van een inmiddels overleden fotograaf, Walter Nordmann. Bij toeval echter bladerde Jim bij de tandarts door 'De Wereld in Beeld', en stootte opeens op een paginagroot, angstaanjagend hoofd, een vrouw als uit een nachtmerrie: groot, mannelijk gezicht, vervaarlijk schuin omhoogstaande, zwaar omschaduwde ogen, een veel te monumentaal voorhoofd, waaruit in twee glanzende kammen het haar spoot, als bij Beethoven. Mond en grote, deegbleke wangen waren verwrongen in een woede en een haat die op 't punt stonden te exploderen in een beenmergstollende gil. Het was zo'n vrouw die in het holst van de nacht opeens je dekens wegrukt en je penis afscheurt tot aan je oren. Maar het was Die Amme (Barbro Ericson) uit 'Die Frau ohne Schatten', opera die op datzelfde moment in Brussel liep met als Färberin Haydn Assrani.
Na lichte duizeling begrip, eerst buiten bemerkte hij dat hij was weggerend en al de volgende dag waren we op weg naar die hoofdstad. Epnet droeg voor die gelegenheid zijn roze pak, antracietkleurig hemd en gele das, uit zijn hoeden had hij een zilverkleurige gekozen met zeer brede rand. Zijn snor glansde zwart en vettig en hij groette ieder die dat voor zijn gevoel maar wilde sierlijk met de hoed in de grijs gehandschoeide hand. Jim, teruggevallen op de corpsstudent, was in jacquet met streepjesbroek en lakschoenen. Hij droeg zijn scheiding in het midden en zag bekakt studiebleek. Ook ik was stemmig gekleed.
De reis, lang en moeizaam, sla ik over als niet ter zake, uiteindelijk stonden we witjes maar eufoor in een broeierige hal die, hoewel leeg, een volle indruk maakte door de vele tapijten, vazen, bustes en bloemen. We noemden onze namen aan een kleurloze heer met een melkig oog, en ook haar naam, die opeens even werkelijk werd als het vele marmer. Jim vertoonde zijn kaart die hem toegang verleende tot alle BPM-terreinen en vroeg te worden aangediend waarop de man hoofdschuddend en wat sissend lachte.
Een rondlummelende knaap bracht ons via een verbruinend marmeren trapje, wat gangen bedekt met kokosmatten, enkele lage en donkere gewelven en een kleine ijzeren deur achter de coulissen. We bevonden ons opeens in een immense, schemerige ruimte vol tobben, kookgerei, bezems en zwaargemetselde schoorstenen, waar in de hoogte noch in de diepte een eind aan scheen te komen.
Een van de toneelschimmen voerde ons weer door een lange gang, waarin de lucht, dik en ranzig, sinds lang moest hebben stilgestaan, naar een verveloze deur aan het eind. Hij tikte, duwde gelijk met de schouder de deur open, ons naar binnen, en sloeg de deur achter ons weer dicht. Jim, de hals bleek vooruitgestrekt als een bloemstengel, de ogen groot, rond en dwalend had zich tot het uiterste voorbereid op naakt, sabelbont, chinz, fluisteringen en chicanes, brons, waaiers, pauweveren, fallische kaarsen en gelakte tenen. Zijn hoofd was barstens vol poppenkastlicht, Assyriërbaardjes, hoogbegaafde adamsappels, en gonsde en zoemde van belcanto's grootste liefdessnik: 'un di felice'...
Geur van gebakken eieren overwoog, wat de kleur betreft leek alles een beetje veraf en sepia. Aan een tafeltje voor een met lampjes omzoomde spiegel zat een halfnaakte man, de band van zijn onderbroek drong diep in zijn vetrollen en zijn rug was papierwit en glansde vettig. Hij bewerkte zijn zwaar geschminkt gezicht door de onderste helft somber met klodders vaseline in te wrijven, wat een zacht knetterend geluid maakte. Boven zijn traag draaiende hand staarde hij met zwart beroete ogen langs het licht van de lampjes heen in de duistere diepte van de spiegel, waar wij stonden, Epnet chapeau bas, de rest met hangende schouders en devoot. Na een poosje veegde hij met een doek die stijf stond van de schmink en het vet een deel van zijn gezicht schoon, dat opeens kaasachtig afstak tegen de rest, bekeek dat deel aandachtig met tastende vingertoppen en mompelde diep en sonoor: 'Sumpfkuh... blöde Sau... schlappscheissende Feldnutte...' Epnet, enthousiast en nerveus, zette met schetsende bewegingen grote vormen in de lucht, al bezig met houtskool en wensdroom. Achter een plotseling aanwezige tegelwand klonken geluiden, lokkende geluiden, een zachte keelklokkende sirenenzang die zichtbaar langs de zoldering spiraalde, langs de wand golfde en achter de spiegel wenkte. Dat zachte roepende koeren aan alle kanten deed de man eindelijk opstaan, breed en massaal, en zijn dikke lijf bewrijven in besluiteloosheid. Maar steeds peinzender bewreef hij zijn borstjes, de vette rollen van zijn buik en de behaarde binnenkant van zijn dijen, terwijl de stem hem leidde, om hem heen rolde en wentelde en zich met zijn gebrom en gemor vermengde tot een wonderlijk duet. Het brommen in de man nam toe, won aan toon en volume, werd nog slechts een enkele maal onderbroken door afwerende kreten, maar allengs bewoog hij zich hummend en zingend steeds meer in de richting van het deurtje. Nog even kletste hij hard tegen voorhoofd en bil, alsof hij inzag dat het ongelooflijke met hem gebeurde, daarna schreed hij, de ogen wijd van vervoering, met menuetbeentjes nog een keer door het vertrek, handenwrijvend van de voorpret, terwijl zijn stem klom naar metalen glans in het 'O mio tesoro intanto'...
We zagen, diep onder de indruk, zijn mollige rug verdwijnen, zijn gele kuiten nog even flappen, waarna de deur sloot. We hoorden het plompen en plassen van het badwater, nog even het hoge en melodieuze kirren, waarna een afschuwelijke tenorale kreet van pijn de lucht verscheurde. 'Barbro Ericson,' zei Jim.
Epnet had kans gezien iets door een gaatje in de wand te ontwaren, maar veel wijzer werden we er niet van. 'Wat een wijf,' zei hij, 'om patat en paling mee te eten, met om de smakzoen een jenevertje.' Vochtigheid en temperatuur namen snel toe, langzaam besloeg de spiegel, achter de wattepropjes, schminkstaafjes en -potjes, achter de lampjes trok een nevel over de kleine claque. We liepen weer door de gang, over het toneel dat nu leeg en kil was, door de ijzeren deur en over de kokosmatten en de verbruinde marmeren trap. Daarna stonden we weer buiten. 'Een wijf als een trampoline,' snikte Epnet.
Ik herinner mij nog de St.-Goedele, wat gildehuizen en een parkje, waarin Jim verdween om te plassen. Wij wachtten en om ons heen brulde het verkeer. Pas na lange tijd kwam hij terug. 'Duurde lang,' zei ik. 'Als ik sta te denken,' zei hij, 'kan ik niet pissen.' Het moet gezegd dat hij zich bijna nooit bezondigde aan een grof woord, en zeker niet in aanwezigheid van dames. Ik meen dan ook dat Etna er toen niet bij was.
Weer thuis betrok Jim stil en sereen de wacht op zijn kamer, een bandapparaat stond voortdurend ingeschakeld, en was bereid op knopdruk alles op te nemen wat hij geen naam kon geven in zijn verbeelding, maar dat hij zou herkennen als hij het hoorde. In zijn kamer mocht niet meer worden opgeruimd, fijn stof daalde gestaag op boek en meubel, en het was alsof hij zich al diep en definitief had genesteld in een herinnering, een plakboek.
Zijn sportspullen kregen het schrikachtig uiterlijk van museumspullen, lijm versteende in tube en pot, cellohout trok krom, en op het grote schoolbord hingen de functies vreemd in een leegte en wisten niet meer waarheen. Tussen de bollen van zijn koptelefoon bleef maar een klein gezichtje over, waarin onrustige ogen de geweldige ruimte aftuurden van het hi-fi-supercircuit, een stemmenvolle eenzaamheid, waarin zijn totaal vergeestelijkte vingers over de knoppen tastten. Wat hem had getroffen hoorde ik later op de band: stemmen beslagen door vocht, kosmisch doorruist of schor van het oneindige. God weet werd hij wel stiekem toegezongen door de schimmen van de grote Conolli, Toscanova, Milanese. Misschien kreunden en kraakten in zijn apparatuur Lili Pons, Melba, Della Curzi besmuikt mee. Stemmen waren overal, buiten en binnen, binnen en buiten, hij wist het soms niet meer, chaos dreigde, een in suizen en kraken uiteenvallen in meer dan twee hi-fi-bollen. Zijn blik verkleumde, werd dof, troebel, totdat, na wat geheimzinnig gefluister in donkere gangen, uit de oneindige diepte van die minerale brokkelput waarachtig en werkelijk haar stem klonk en alles weer begon te draaien zoals bedoeld, een zilveren keel als spil. Wat ze zong kon hij niet thuisbrengen in de gauwigheid, maar het klonk perfide van zoetheid, vol van zoute tranen en bij God gedragen door het donkere timbre van troost en menselijke warmte. Hij weende en herstelde. Activiteiten van Etna die hij alweer was vergeten brachten hem toch nog onverwachts een plaat op, een plaatje, een single, hem toegezonden in overdadig bestempeld golfkarton, waarin ook een foto van de zangeres. De beeltenis, die hem vaag, maar toch wel wat hinderlijk bekend voorkwam, was uitgevoerd in hoogglans, dat wil zeggen dat er geen stand viel te bedenken of het divine gelaat zond wel een lichtstraal uit. Maar het onvoorstelbare was dat het portret waarlijk was aangeraakt, want dwars over het blad krulde in bewogen en artistieke lussen haar 'signatura' en wel van het halsivoor links onder tot aan de punt des diadeems helemaal rechts boven.
Voor het eerst zag hij het aanbeden gelaat zo authentiek en van zo dichtbij, en een licht onwelbevinden overviel hem. Achter zijn gesloten ogen duvelden sofa's, zijde en baignoirs naar beneden, La Callas, Sutherland en Nilsson daarentegen kozen het luchtruim in een baaierd van goud en wit. Weer hersteld, maar nog met vlekjes voor de ogen staarde hij in de intieme stilte van zijn kamer naar haar gezicht en hoorde zijn ontredderd hart pompen. Met sidderende, voorzichtige vingers tastte hij naar de plaat in de vervloekt onhandige verpakking, zette haar op, look de ogen. De stem, qua volume, gloed en pathos die van een vlammende engel gelijk, richtte zich onmiddellijk tot hem: 'Crudele? ah no mio bene! non mi dir, bell idol mio!' Merkwaardig veel voorwerpen in de kamer trilden mee: ruiten, glazen, theekopjes, bloempotten op hun schoteltjes. Het was iets in de hoge kwaliteit van de stem zelf dat correspondeerde met het hart der dingen, maar het hinderde toch. Hij voelde haar stem ook trillen in de botten van zijn gezicht, in zijn hoofd ergens achter de wortel van zijn neus. Maar ondanks deze kleine stoornissen dreven door de gouden gloed van zijn kamer adembenemende toonkransen en -guirlandes en haar gelaat, haar gelaat had de kleur van de zon.
Vervoerd zag hij zich in allerlei standen op haar toestromen, in gelaarsd, gespoord en gevederd zingenot, terwijl zij hem onvergelijkelijk een invite toezong. Toch waren er behalve de trillingen achter zijn voorhoofdsbeen en in de kamer ook nog wat andere stoornissen: verloederde Brusselse tenorenkoppen dreven rond in zijn door ontroering verzwakt hoofd, een opdringerige wolk van dolk, zwaard en volmaakte denturen, het hele puik van fraai omsnord fluweelrood stemstaal was present en liet zich maar niet verjagen. Daar tussendoor kristalliseerden zich nerveuze, geniale plannen: een beeld in brons, een portret in acryl en elektronische kleuren.
Maar de single bleek eindig, haar stem verklonk, leegte, een zwart krassen, het geluid van de tijd. Met trillende vingers, een pink eerbiedig geheven, draaide hij de plaat om, maar daar wachtten hem tot zijn ontsteltenis twaalf variaties op een thema uit 'Judas Maccabeus', gespeeld door de celliste Jacqueline du Pré. Met een gil, de tong tussen de tanden gebeten, het bloed heet en rood in de oogbollen, floot de 'soprana d'agilità' als discus door zijn kamer, spatte tegen de muur uiteen, regende in stukken tokkend en jengelend over de te repareren cello. Een nooit gebeurd gebeuren! uit de hemel in de hel, van de hoogste verrukking naar de portalen der verdoemenis. Zijn geest kristalliseerde onder hoge druk, knakte uit in onvoorspelbare vormsels, en zo werd hij, een zo op het oog aan de grond genageld man, in die hoge en wonderlijke lagen der logica tot een trampoline-springer.
De eerste maal dat ik hem zag optreden was tijdens een buurtfeest ter ere van iets. Op het vanaf de verkeersweg oplopende bouwland was een overdadig versierd podium opgericht en, in de avond fel verlicht door een paar in de struiken verborgen schijnwerpers, hing het in het duister als een vreemd koortsvisioen. Er omheen wiegden hier en daar wat in de lichtbundels opgenomen vaandels, die hun goudstiksel uit alle macht lieten flonkeren. Programma: zang, dans en declamatie. De geluidsweergave was verre van perfect, eigenlijk ronduit slecht, en de pianomuziek flakkerde en golfde, klaaglijk stoeiend met de eigen echo's, wat rond over het veld en daarna weg door de zijstraten. Mogelijk klonk daardoor de stem van de aankondigster zo merkwaardig krijsend en heksachtig toen ze het laatste nummer de nacht insnerpte: 'Thans danst Poly Odrigo "Gnoom"!!' Tegelijk met de stem schoot een felrood gedrocht het toneel op, dat het geluid zelf wel scheen voort te brengen. De piano joeg de trol alle kanten op van de ring: hij siste, buitelde en sprong getergd heen en weer en zocht, gekweld door dissonanten, een uitweg in alle hoeken.
Een razend geworden rode vlek, die opeens onrustbarend verdween in het pikkedonker van de plotseling gedoofde lampen. Een mooi eind, het podium ging weer aan en daarna viel nog even een verwachtingsvolle stilte. De mensen op het trottoir en verspreid over het veld roezemoesden wat, keken, wezen en praatten, maar er gebeurde niets meer. Eerst langzaam drong het tot de toeschouwers door dat het regelmatige 'tjompetjompe' toch ergens bij hoorde, en bij nader inzien en turen bleek dan ook naast het lege en verlichte toneel, op de rand van licht en donker, een schemerige gestalte wat verloren op en neer te veren. Nu en dan stak een arm of been in een lichtstraal, het publiek aarzelde, eerst toen de piano metalig en zwevend het 'Batti batti, o bel Masetto' inzette werd de figuur met wat meer aandacht bekeken. Een lamp werd zelfs vriendelijk wat bijgesteld, maar het bleef al met al een figuur die op en neer sprong met een enkele maal een salto, echter zo wanhopig ver buiten de maat van de muziek dat men besloot het een komisch nummer te vinden en zich te verspreiden onder een mager applaus. Toen Jim op het toneel verscheen, een gestalte in wit tricot, wat beschaamd en met afgewende blik, werd hem door Etna ook nog een witte mantel omgedaan, maar er was nauwelijks nog iemand die stond te kijken.
Maar dat was nog maar de opmaat, een aanloopje; zijn uitgesproken talent, de allerbeste materialen en de BPM-relaties van zijn vader maakten hem nog diezelfde zomer tot een graag geziene gast op stijlvolle en exquise tuinfeesten, waar hij bij voorbeeld op het hoogtepunt, voor de meeste gasten miraculeus, omhoogschoot als een sprookjesgestalte of een plotseling werkelijk geworden wensdroom. Als gedragen door het licht zelf verhief hij zich boven het feestgedruis met bevallig gebaar om, wanneer hij alle aandacht op zich had verzameld door een fijnzinnig afgestemde regie, gelijk eens die trol te worden weggenomen door het doven der lampen. Maar even plotseling was hij er weer, een schepping uit het niets, omstreeld door alle raadselen daarvan. Hij wuifde vanuit de hoogte en toonde een tussen de sterren weggeplukt verjaarscadeau, een jubelende verlovingsring of een uit den hoge opgevangen enveloppe met inhoud. Slechts weinigen wisten van zijn val, hoe behendig, vaardig en zonder schade aan goederen hij, hoewel verblind door het licht, wist neer te storten in een ondoordringbaar duister.
Speelse etuden; maar steeds boeiender werden zijn oefeningen om het hoogste te bereiken. Vaak legde ik mij op het gras van zijn tuin en keek hoe hij daar in de lucht boven mij draaide en wentelde om ingewikkelde assen, maar nog wat trappelend en zwaaiend tot behoud van het zo kostbare evenwicht. Toen zijn beheersing toenam werden zijn posen beslist indrukwekkend: kleine ragfijne plastieken plaatste hij in de lucht, geniaal, gebruikmakend van zonlicht, wolken en het hemelblauw. Momenten waren het van absolute zwaarteloosheid, volmaakte balance, voordat de brute noodzakelijkheid van de val toesloeg.
Hij verscheen ook in de zijkolommen van de dagbladen, onder terloopse koppen als 'Een student gaat niet voorbij' of 'Een student kan rare sprongen maken', licht bewonderende zoals 'Van sprong tot vlucht' en de gebruikelijke en onvermijdelijke lullekoek in de trant van 'Studeren is nuttiger dan huppelen'.
Ik zag van dichtbij zijn snelle, onthutsende ontwikkeling, een met seconden en natuurkracht woekerende creativiteit, schoonheid ontstaan door een uiterste aan beperking, een punctueel meesterschap, waarvoor uiteindelijk alleen de nachtelijke, met sterren bepinkelde zomerhemel goed genoeg werd bevonden als fond te dienen. Een zorgvuldig afgewogen belichting haalde het allerlaatste uit het cruciale moment, en vanaf mijn gras zag ik boven mij de schepping van de mens, het wiegend en wuivend visioen van een engel, de oneindigheid van de enkeling en het ten hemel stijgen verlost van alle last en pijn. En iedere nieuwe sprong was weer even raadselachtig, onthulling van een schier onuitputtelijke inventiviteit. Ondertussen nam zijn bekendheid toe, na de dagbladen werd hij opgemerkt en ingepalmd door de televisiereclame. Door daar ontwikkelde bijzondere camera-instellingen schoot hij in kleur uit de diepzee omhoog de huiskamer binnen, tuimelde ex limbo in het licht der consumptie en offreerde, wat bevroren glimlachend door de inspanning, bijzonder krachtige haaroliën, dubbelkrabbende scheermesjes, droge soepen of een soepel meelopend maandverband. De suggestieve kracht van de spots was groot, door het oproepen van de grote hoogte en diepte, en door de opgewekte wijsjes die noopten tot meezingen, zo waren de series even succesrijk als lucratief.
De BPM-relaties bleven echter kwalitatief werkzaam, en na wat ondoorzichtig gecaramboleer over schijven en banden sprong hij verhonderdvoudigd de furiën en gelukzaligen in de verfilming van Glucks 'Orfeo': bespikkeld en gevlekt als door pest en pokken, met klauwen en gruwelijk gemaskerd spiraalde hij op wide-screen over en door zichzelf op het lawijt van balletmuziek, en explodeerde in een wolk van bolle toeten waarin porseleinen ogen rolden in zaligheid.
De film was zijn doorbraak, eerst de tijdloep onthulde zijn volmaakt meesterschap over de tijd, betrapte het moment en legde het vast waarop het metafysische, het ideële zowel doorbrak als in een ruk moest worden verinnerlijkt om het neerkwakken gelijk een klomp klei te overleven. Zijn gezicht versplinterde in tijdscherven, toonde het stralend jubelend stijgen en de berusting, materie die geest, woord dat vlees werd. Een moment in een moment dat weet had van beide toestanden, waarin het oog nog straalde maar de mond al zwart was van geschrei, waar geen neerstorten was zonder verrijzenis maar ook geen verheven stijgen zonder bitterheid ende nederganck. Daarbij kon de film door zijn aard hem vallend laten stijgen of stijgend dalen, al naar believen, wat zijn tragische positie in ruimte en tijd nog eens speels onderlijnde.
Zijn gezichten vonden nu moeiteloos hun weg: naar de kunstboeken, de geïllustreerde pers, Miltons 'Paradise lost' werd met hem verlucht, evenals een gloednieuwe uitgave van 'Hanneles Hemelvaart'. Middelerwijl zorgde zijn trampolienvereniging 'De Kompanen van Terpsichoor' voor de mogelijkheid van live optreden voor zeer select gezelschap op landgoederen of op voor publiek afgesloten stranden. Een perfecte lichaamsbeheersing eenmaal bereikt, besteedde hij nu ook aandacht aan zijn muziek. Omhooggeklommen met de noodzakelijke rock en pop, had hij eindelijk die positie bereikt waaruit hij onkwetsbaar van zijn liefde kon getuigen voor de opera, de schone zang. Mensen stroomden naar elkaar toe in de zomeravond, keken gezamenlijk omhoog de hemel in terwijl ze wachtten op het menselijke vuurwerk, en over hen heen ruisten en stroomden de veelbelovende ouvertures die die hemel alvast volzetten met sterren en camelia's.
Fraai ging hij op de wieken met Amnéris in 'Aida', in de bomen hingen de luidsprekers, subliem van kwaliteit en met een gegarandeerd minimum aan vervorming. Op die kosten werd onzaliger nagedachtenis niet bespaard en volmaakt stuurden ze Lady Macbeth en haar onverbiddelijke erotische macht de nacht in, of Leonora, of Norma, Salome, Chrysothemis, Octavian, Cassandra. Hoog tilde hij de wondere cantilenen door de avond, zelf gedragen door onzichtbare handen. En hij verzorgde zijn zaakjes slim en vakkundig: robijnrood steeg hij omhoog een spoor van fijn stofgoud achterlatend, met een rode kop als van een vuurgod, en opeens was hij weg om even plotseling weer te verschijnen op dezelfde plek, wit als ridder Galahad. Zo spotte hij met de realiteit door, slechts om een oogknip verminderd, multipel en durend in de lucht te toeven als ware het zijn element. Razende wisselingen voltrok hij, die overigens slechts mogelijk werden gemaakt door een zich geheel wegcijferende Etna, die hem van fluweel in brokaat en van gaas in vliesdunne zijde toverde voor hij er zelf erg in had. Aldus bereikte hij eindelijk de periodieken 'Il Mondo Cantata', 'Die Opernwelt', 'Quelle International', 'Muzak' et cetera, sijpelde uit over Europa, besloop er de hoofdsteden als 'The jumper of the opera', 'Jack the tripper', 'The belcanto hopper', 'Billy (?) the bouncer'. Maar hij bereikte wat hij bereikte, namelijk dat hij voor haar mocht springen, hogere regie ordende dat nog zo, want ze kwam niet voor hem, maar in het kader van een reeks uitwisselingsconcerten.
Zeer veel inuendo's, aankoop en zorgvuldige rangschikking in haar kamer van tijdschriften met de juiste foto's door met steekpenningen bestookt personeel deden haar iets dagen. Ze vroeg nader te worden ingelicht en werd, o kostbaar wonder, bereid gevonden. Door de maatschappij Zeebad werd een zomeravond aangekocht, een avond, lauw als beddepis en ongemeen geschikt voor het 'saltare in banco'. La Nassrani logeerde in een peperdure suite gelijkvloers, maar zou zich op het daartoe bestemde moment begeleid door de voltallige directie naar het hoogste balkon begeven, een balkon waarboven de zorgvuldig beschenen dundoeken waaiden van alle landen die het belcanto minden en hooghielden. Duizelend perspectief. Toen het zover was, marcheerden de korpsen over de boulevard: betresd, vol kokardes, bandeliers en pluimen, en onder de vaandels van St.-Christoffel, Sursum Corda en St.-Gregorius. Er omheen en ertussen de praalwagens in wolken van zomergeur, besprenkeld met witte kleuters en bol van de nationale producten en flora. Ach, hoevelen kwamen er toen samen, uit alle windstreken, voortgestuwd en aangezogen door het schone. Alle reclamelichten dicht om het hotel brandden op volle sterkte: Shampoo! Schiller! Akropolis! Nescafe! Jim hupte zich in, zachtjes en fronsend geconcentreerd, hij rolde met de schouders en trapte wat met de benen, die een enkele maal albast te voorschijn gleden uit zijn witte mantel. Hij voelde zich onzeker, langbottig, amateuristisch, maar geleidelijk aan werden zijn sprongen hoger en de mantel flakkerde als kaarslicht. Het duurde allemaal erg lang, maar Jim sprong zijn sombere verticale absoluten, die door het begeleidende tromgeroffel een wat naargeestige indruk maakten.
Eindelijk was het dan zover, lampen bundelden zich, richtten zich op een plek van het hotel, dat opgloeide in de nacht als banket. De trommen roerden nog even, zwegen abrupt en ze verscheen: bij Zeus! een pneumatische gestalte, wel witter dan het licht en zo, maar vooral groot en breed en machtig van schouders en armen. Breed en vervaarlijk als een worstelaar breidde ze in een alomvattend gebaar armen als dijbenen ten hemel en sprak uit een tiental verborgen luidsprekers over een doodstille menigte: 'Vissi d'aaar-té, vissi d'amooo-ré!' Hoog technisch kunnen plaatste de muziek van 'Tosca' zowel in de geschiedenis van het belcanto als in de avond die donkerde tot zwart fluweel. Aan de pauselijke gebaren die ze maakte, van het hart tot de wereld, was te zien hoe ze zich geheel gaf 'a tutta forza', met alle borst- en buikregisters en alle bijgeluiden van de grote traditie: de bewogen dubbele aanslag der stembanden, de bohémienne klok der keel- en alle bijholten in volle resonans en propvol boventonen. Het vuurwerk dat op alle bordessen was aangebracht om na afloop te worden aangestoken ontbrandde vanzelf. Vonken stroomden langs de gevel, toortsen boorden zich omhoog in alle richtingen. Daartussen buitelde Jim 'Il saltimbanco' en het was ongelooflijk: tussen de vonkenregens rolde en kronkelde hij als een dolfijn. In het bewogen hart van de muziek rees hij omhoog als een kandelaber, het licht aarzelde even en hij was er weer, maar nu poedelnaakt, wit als een gepeld ei, alleen haren en geslacht beflonkerd met lovertjes en pailletten. Voor allen zichtbaar daalde hij, maar indrukwekkend als een galjoen steeg hij weer op, licht scheen uit zijn ogen en vlak voor haar gezicht, in het volle geweld van haar stem hield hij stil...
Ik hield de adem in, knipperde met de ogen, maar hij stond er, doodstil en alle wetten zwegen. Dat was het hoogste, een puur mirakel was het en een zucht van ongeloof steeg uit alle kelen. O, ze had hem kunnen grijpen, aan de geweldige boezem drukken, wiegen als een baby, 'Vieni bambino, tranquillo da me,' maar ze zong en maakte gebaren met die armen, naast en over hem heen.
De wetten hernamen hun wijs beleid, kostbare valtijd moest worden ingehaald, hij floot omlaag, smakte op de rand der trampoline, die steigerde als een paard en omverkletterde. Bloedend en gebroken lag hij op de plavuizen en walging, walging zwalpte van 't steen. Etna stortte toe en ook de mensen hadden kunnen toerennen, armen hoog, monden wijd van schrik maar daar was ze, la divina, gelijkvloers zelfs en in hoogglans. Vanaf het gitzwarte haar liep ze over de rollende musculeuze schouders uit in de wijde driehoek van de avondjurk, waarover nog de vonken tintelden. Geen stap of tred beschadigde haar houding, maar in een elegante trippel gleed ze in tule en gaas als het ware brandend over het plein, dat voor haar uiteen spleet als boter voor een heet mes. Applaus daverde, zwol aan, bravogeroep klonk daar nog bovenuit, een geweldige ovatie was het die daar losbarstte, langzaam wegebde en verwaaide, maar zich wist te redden voor het nageslacht in het statige ruisen van de zee.
xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright