wbrakman.nl

Kanttekeningen bij een bekentenis

Het hoeft geen betoog dat ik door het zo uitdrukkelijk noemen van de naam K. in de titel van mijn nieuwste roman de machtige schim van Kafka over dit werk heb bezworen. Toch is er nauwelijks sprake van directe verwijzingen of citaten. Eerder ligt het verweven zijn in het gebruik dat wordt gemaakt van een 'typische Kafkaruimte': spookachtig verlicht, rijk voorzien van schemer, altijd zwanger van milde catastrofes en waarin de taferelen beurtelings verrassend scherp worden belicht, maar met een wel heel eigen logica

Parallellen zijn er in mijn boek genoeg aan te wijzen maar overwegend in algemene zin. Zo worden bijvoorbeeld heide hoofdpersonen vanuit een duistere achtergrond aangeklaagd en aan het eind van het verhaal op lugubere wijze ge?xecuteerd. Voldoende reden om al wat daaraan voorafging eens op elkaar te betrekken, en wel met gevoel voor de donkere ondertonen, maar niet zonder gevoel voor de humor zoals de flaptekst adviseert. Ook wat betreft het bij Kafka zo centrale schuldbegrip zijn er duidelijke overeenkomsten, al is het goed ook dit begrip zo breed mogelijk op te vatten, bijvoorbeeld als inherent aan het menselijk bestaan zodat men nog alle kanten uit kan.

In Het proces stelt Kafka als mogelijkheden: of K. is schuldig maar wil dit niet bekennen, of hij is schuldig maar kan dit niet inzien, of hij is inderdaad onschuldig. Nu is mijn hoofdpersoon van een totaal andere allure en makelij. Deze heer bekent grif, wil ook niets liever dan dat en tot uitputtens toe als het moet. Zijn bekenteniszucht lijkt, terloops gezegd, sterk op een bepaald soort schrijverschap.

Dat voert tot een merkwaardige omkering: bij Kafka de pauzenloze dreun van een aanklacht die niet wordt geaccepteerd, bij mijn heer K. het tot stervens toe bekennen, echter volgens de autoriteiten (een allerwonderlijkst geheel van in elkaar vloeiende instituties: kerk, opera, gerecht) nooit genoeg! Door het indrukwekkende fond van Kafka is het verleidelijk hier meer de overeenkomsten te zien dan de verschillen zodat de heer K. zich voorlopig braaf richt naar deze driedeling. Of hij doet op ontroerende wijze enorm zijn best, dekt echter zeer slim het wezenlijke af; of hij kent inderdaad zijn schuld niet en vestigt alleen uit inferieure motieven durend de aandacht op zich; of de schuld bestaat uit het bekennen zelf. Het lijkt er echter sterk op dat het in mijn boek al bekennend, overwegend om dit derde punt gaat.

Is het boek als geheel natuurlijk als de bekentenis op te vatten, over het bekennen in meer precieze zin geeft het verhaal op een paar plaatsen uitsluitsel, al verplicht de naam K. ook hier weer tot veel. Reeds aan het begin van het boek vertelt de hoofdpersoon over zijn lust tot bekennen, daar nooit moeite mee te hebben gehad, het vaak intens en ruiterlijk te hebben gedaan en voor velen zelfs op hinderlijke wijze.

'Dat de mens schuldig is, niet anders dan schuldig zijn kan, waarachtig ik had daar geen moeite mee, want zolang ik mij herinner was ik altijd een even angstig als een zich schuldig voelend wezen. Dat die toestand niet afhangt van wat men heeft uitgespookt, maar eerder van wat men in staat is te doen en aan te richten, ook dat ging er bij mij in als gesneden koek; een immer waakzaam metafysisch bewustzijn gleed met mij mee vanaf mijn prille kindsheid.'

Dat glijdt er inderdaad mee want wanneer een van de vette, in het zwart geklede heren die door het boek dwalen de jongen K. hebben gewezen op de deskundigen waarover het gerecht beschikt, zoals de grote toneelspeler Tintorelli die de bekentenissen beoordeelt naar houding, stem, stap, klank, gebaar, al of niet edel pathos, zodat een werkelijk goede bekentenis niveau vereist, geestesadel, begrip, talent, een ware gave is en volgens velen zelfs onmogelijk is, antwoordt deze: 'Ach, ik wil, toch zo graag alles vertellen want ik voel me vaak hondsellendig, angstig en vooral schuldig.' Maar terwijl hij dat zegt, speurt hij verholen naar het gezicht voor hem om te zien hoe de uitwerking is van zijn ontroerende uitval. Het is vooral dat laatste element (waarbij een werkelijke ontroering niet hoeft te ontbreken) dat voortdurend door het boek wordt aangevuld, zoals in de sc?ne waarin de tante van de jongen K. niet voor niets de taak maar van hem overneemt en voor hem de bekentenis gaat schrijven want, zoals ze verzucht, 'een begaafd bekenner is de schrik der rechters'. Of in de ontmoeting aan het eind van het boek die zich afspeelt in de griezelige kolos van de St. Nicolaaskerk, bijna geheel dichtgespijkerd, zodoende zeer schemerig, en om nog veel meer sterk herinnerend aan de sc?ne 'Im Dom' uit Kafka's Proces. Daar zegt de pater vanaf het donker van de preekstoel tegen de heer K. over zijn proces:

'Weet u dat u er helemaal niet zo goed voorstaat?'

'Ik was er al bang voor,' zegt deze somber, 'lang heb ik gehoopt sympathie te kunnen winnen door mijn wangen wat in te zuigen, met lange vochtige blikken gevolgd door een verdrietig afwenden van het gelaat. Kwetsbaar zijn, dat leek me een sterke houding.'

'Dat is dan niet gelukt,' zei de pater, 'maar het is vooral uw grote biechtmanie die allerwegen reserves en ontstemming heeft opgeroepen.'

'Mijn verlangens waren altijd even verwoestend als oprecht,' zei ik tegen de duistere kolom van de preekstoel.

'Dat wordt in besloten kring ernstig betwijfeld,' klonk het uit het donker, 'en de rechters zijn vele, er zijn ware kenners onder, fijnproevers. Wij houden niet van bekentenissen, vooral niet van goeie. Hoe beter de biecht, des te minder wordt er bekend.'

'Zo is het,' zei ik, maar ik ben een angstig mens en dat zijn praters.'

In de laatste opmerking schuilen zowel de bekenteniszucht, de reden waarom en de mogelijke aanwezigheid van een werkelijke schuld in de gebruikelijke diepzinnige betekenis, maar het accent verschuift het hele boek door toch steeds meer naar de aanwezigheid van het lepe en zijwaarts loerende oog. Wie daar een gevoel voor ontwikkelt speurt de aanwezigheid ervan door het hele verhaal heen; het durend 'weet hebben van het weet hebben', de druk met het bekennen in de weer zijnde bekenner die een scherp oog heeft voor het effect en al naar gelang het op smaak afmaken van stem, oogopslag en gebaar. Het is de essentie van het boek, het kruipt en kringelt erin rond als een grondmist, waardoor de nadruk zonder meer op het genoemde derde punt komt te liggen en een peinzende blik doet rusten op het werk als geheel.

Nemen we even aan dat Kafka's oog niet zo zwart van mis?re afdwaalde naar omhoog, maar gelijkvloers rustte op een niet minder rijke bron van schuldgevoelend, dat immer onrustige huwelijk tussen individu en gemeenschap. De heer K., een eigenheimer van het zuiverste water, onaangepast als geen en scheefliggend tot in het kleinste detail, onttrekt zich hieraan niet. Hij kent de staalkaart van zijn feilen, is zijn eigen begaafde advocaat ? charge maar redt zich niettemin huppend en handenwrijvend als kleurrijke eenling in ernstige bizarrerie en zelfs d?t bekent hij abundant.

Tintorelli de grote toneelspeler, voos en door alle wateren gewassen, heeft hem door. In de onthullende sc?ne als de jongen K. rekenschap komt vragen aan de histrio die zijn moeder heeft verleid en definitief het slechte pad op heeft gejaagd, vertoont hij geen knobbel of hobbel die op een verborgen pistool of mes zou kunnen wijzen, maar zinkt vakkundig op de knie?n en wordt daarom ook geprezen.

'Jij bent een talentvol knieler, dat viel me de eerste keer al op. De meesten knakken uit een hurk, maar jij ontwikkelt het heel stijlvol uit de knieval, de billen goed ingetrokken, de rug recht en de nek mooi gebogen en bloot. Ook de gevouwen handen hou je prima beneden de gezichtslijn, dat doen maar weinigen.'

'Ik heb alles gegeven,' zei ik, ontroerd door zoveel bijval.

'Dat weet ik,' zei Tintorelli, 'alles is tot in de puntjes onder controle en ziet werkelijk scheel van de onechtheid.'

En zo is het. Men kan het opgewekt of neutraal een eigenschap der reflexie noemen maar zo somber steekt de bekennende geest in elkaar, steeds weer opnieuw is er een laatste toeschouwer in de zaal die zonder berouw het toneel bekijkt en er het zijne van denkt, terwijl de ware bekenner de totale toneelspeler zou eisen en een lege zaal. In dit onvermijdelijke voyeurschap van zichzelf schuilt wel een onechtheid, maar een verheven onechtheid, een soort metafysische hysterie (wat overigens niet de minst interessante blik zou zijn die men op Kafka kan laten rusten). Blijft de vraag waarom dan nog iets onecht te noemen dat blijkbaar is zoals het is en wel bij allerhoogst raadsbesluit, maar het antwoord daarop kan alleen maar luiden dat het als probleem nauwelijks interessant zou zijn indien daar wel iets aan te doen was, en zeker een Kafka onwaardig.

De bekentenis van de heer K. speelt zich af in een wonderlijke, nauwelijks aan te duiden ruimte en moet zich daar ook afspelen. Om zich daar een wak beeld van te vormen, kan men maar het best naar de St. Nicolaaskerk wandelen, liefst op een donkere namiddag om daar van dichtbij het oog over te laten dwalen. Daar wachten behalve huiver en kippenvel de schimmen van de grote Josef en ook nog van Gustav Meyrink. Dat is tegelijk een kritiek die men op mijn boek zou kunnen hebben, namelijk dat al het meanderen door de sacrale holten dat het van de allusie hebben moet, de resonans en de schemer van herkenning mogelijk een wat al te vlotte wissel trekt op de literaire bagage van de lezer. Dit zij zo, als troost blijft nog de ideale lezer, een aureatische figuur, waar het goed is zich op te richten, al blijft zo'n ideedragend persoon in principe iemand die steeds wordt overschat. In dit geval geen al te schrijnend tekort. Waar kan men met bekentenissen beter terecht?

Willem Brakman

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright