wbrakman.nl

Tubantia, de Twentsche Courant, donderdag 21 november 2001

'Wie tekent of schildert, krijgt een wonderbaarlijk leeg hoofd'

Tentoonstelling beeldend werk van schrijver Willem Brakman in Rijksmuseum Twenthe

Theo Hakkert

De afgelopen jaren verzorgde de in Boekelo woonachtige schrijver Willem Brakman (79) steeds vaker zelf de illustraties voor zijn boekomslagen. Het blijkt dat hij hierdoor zijn jeugdliefde voor tekenen en schilderen weer heeft omarmd. Vanaf zaterdag is zijn beeldend werk te zien in het Rijksmuseum Twenthe. 'Ik kwam uit de rough and tumble van de straat, kreeg de kijkdoos voor mijn ogen en keek regelrecht mijn innerlijk in: stil, bewegingloos, prachtig verlicht, veilig.'

'Als je je tot de goede schrijvers wendt, dan is er geen een of hij is neurotisch.' Willem Brakman sluit zichzelf daarbij niet uit. Soms zit hij, geconcentreerd schrijvend in zijn kleine kamer, en dan valt zijn dwalende oog op een schilderij dat niet af is. 'Oei, daar moet een beetje rood,' denkt hij dan, om vervolgens snel de gewenste kleur op de om aandacht vragende plek aan te brengen. 'Een kwelling. Ik kan het niet loslaten. Dit soort gekkigheid heb je bij creatieve mensen. Creativiteit behoort, zo zei Rümke al, tot de pathologische gebieden van de gezondheid. En dat is zo. Is ook niet erg. Wat dat betreft is het een rijk leven, vol met idiosyncrasieën Ik kan me goed voorstellen dat er vrouwen zijn die niet weten wat ze aanmoeten met zo'n man.'

Maar daarbij mag Brakman zich gelukkig wel uitsluiten. Mevrouw Brakman schenkt thee en serveert koekjes, al blijven die onaangeroerd. De schrijver zit in zijn praatstoel en vertelt over zijn fietstochten door achteraf-dreven van het Twentse land. Over hoe hij stille weggetjes zoekt, want vaak is hij zo diep in gedachten dat er maar beter geen ander verkeer in de buurt kan zijn. 'Soms ben ik zo verzonken, dat de fiets het allemaal zelf maar moet uitzoeken.' Brakman onderscheidt twee soorten fietsen, of liever gezegd zijn vrouw. 'Gaan we denkfietsen of echt fietsen?' vraagt ze dan. 'Met echt fietsen bedoelt ze dat we praten onderweg. Ook gezellig, hoor!'

Vanaf komende zaterdag is Willem Brakman (geb. 1922) officieel een dubbeltalent. Niet langer is hij louter schrijver, maar met een tentoonstelling van zijn schilderijen en tekeningen in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede is hij dan eindelijk ook erkend als beeldend kunstenaar. 'Ik wilde als jongetje al niets liever worden dan kunstschilder. Het is een tijdlang verdwenen geraakt. Een jaar of wat terug kreeg ik weer de behoefte omdat ik steeds weer door uitgeverij Querido werd gevraagd de omslagen voor mijn eigen boeken te maken.' Zo sierden illustraties van Brakman in de jaren negentig de omslagen van romans en novellen als Vincent, De koning is dood, Een vreemde stam heeft mij geroofd en Een voortreffelijke ridder. Maar sinds 1998 tekende Brakman ook illustraties voor zijn andere boeken, die als omslag zouden kunnen dienen bij een herdruk.

'Het beeld is natuurlijk niet weg te denken bij het schrijven. En ik ben nu eenmaal een beeldend schrijver. De relatie tussen taal en beeld is een wonderlijke. Het is een fascinerende wereld. Wie tekent of schildert, krijgt een wonderbaarlijk leeg hoofd. Vroeger, in de kloosters, als de zusters al te intens naar Onze Lieve Heer hadden gekeken, werden ze overspannen. Dan lieten ze ze in de houtwerkerij schaven. Deze ritmische beweging ledigde het hoofd. Dat hielp. Maar het gekke is dat het hoofd niet helemaal leeg raakt. In dat hoofd melden zich wonderlijke dingen, en ook wonderlijke zinnen, die nergens mee samenhangen. 'Dein Typ wird gewunscht'. Zoiets. Of iets totaal anders.'

'Wat is het toch wonderlijk in een hoofd. De gedachten verkeren daar in een vrije val. Maar het is niet zonder systeem en dat interesseert mij nou. Aan de historie van de ontwikkeling van beelden liggen heel diepe inzichten ten grondslag. Woord en beeld zijn twee polen. Een woord zonder beeld is blind. Een beeld zonder woord is stom. Daartussen moet je je als schrijver ophouden, zeker als beeldend schrijver.' Hij herinnert zich een aantal beslissende momenten in zijn jeugd die hem aan het tekenen zetten. 'Vroeger in Den Haag liep ik vanuit huis zo naar het bos aan de Scheveningseweg. Een dik uur lopen was het zeker. Ik genoot van het idee dat ik het bos zou binnendringen en alle geluiden van het verkeer zou horen verdwijnen. Dan kwam er iets in me op dat eigenlijk te groot was voor een klein jongetje. Er werd iets wakker wat je z'n geest zou willen noemen.'

'Op een van die wandelingen zat een man te tekenen langs het pad. Hij tekende een knots van een boom. Zo prachtig en ik zei: "Oh, wat mooi!". Ik zei dat ik ook tekende en toen gaf hij mij de genadeslag in de vorm van een mooi stuk papier. Heel dik, heel wollig. Ik haatte de hand die hem moest omvatten, omdat die er mogelijk een vlekje op zou maken. Ik naar huis met een goudschat.' 'Mijn tekendwang werd nog verhevigd door mijn vader. Hij maakte zelf schilderijen, want om te kopen vond hij ze te duur. Kochten mijn vader en moeder in de stad een kunstkaart en dan schilderde mijn vader ze met olieverf na. Dit met het penseel op het doek. Ik ruik het nog.' 'Ik moest het natuurlijk nog mooier maken dan mijn vader. Ik tekende een kaart na en kocht van mijn laatste geld een lijstje. Ik zou de tekening nu kitsch noemen, maar wie de kitsch niet heeft gekend zal nooit een goede schilder worden. Ik zette het lijstje zo neer dat mijn ouders er niet omheen konden toen ze thuiskwamen. Mijn moeder moest het zien. Je kon zien dat mijn vader kleiner werd en ik groter. Je reinste Oedipus. Zoiets wroet zich in de diepste lagen van je geest als je jong bent.'

'Een ander punt was de kijkdoos. We gingen over straat met een kijkdoos. Voor een cent mocht je kijken. Een schoenendoos was het altijd. Cellofaan er bovenop. Ik stopte er al mijn creativiteit in. Ik vertelde ook altijd wat je geacht werd te zien in de doos. Daar moest je op letten, en daar. Zo maar kijken, dat ging niet. Wat dat betreft was ik onverzoenlijk. Ze kregen er een sik van. Dat is, denk ik, de oorzaak van mijn schrijverschap: iemand willen overtuigen, iemand willen vertellen van de geestelijke schatten waar je mee rondloopt.'

'En daarbij heb ik nog iets ontdekt. De overgang van de straat naar de kijkdoos was een wonderlijke. Daar ontdekte ik mezelf -want er zijn altijd momenten dat de mens zichzelf ontdekt- als de absoluut het innerlijk toegedane. Ik kwam uit de rough and tumble van de straat, kreeg de kijkdoos voor mijn ogen en keek regelrecht mijn innerlijk in: stil, bewegingloos, prachtig verlicht, veilig. Je kunt het bij Kierkegaard allemaal nalezen. Dat is de gestalte van een innerlijk.' 'Deze elementen, die zo wonderlijkerwijs samen kwamen, zijn bepalend geweest voor mijn schrijven en voor de ontwikkeling van de beelden. Nu is dat laatste weliswaar een tijd onder water gebleven, maar het heeft zich niettemin ontwikkeld. Ik heb in mijn leven niet veel getekend en geschilderd, maar ik heb er wel altijd mee rondgelopen.' 'Waar ik ook zo dankbaar voor ben is mijn kennismaking met de Cuykse groep, een groep kunstenaars die vaak bijeenkwam bij een oudere vriend van mij. Ze stalden hun werk uit op de vloer en bespraken dat. Daar kon geen academie tegenop. Ik heb daar verschrikkelijk veel aan gehad. De liefde voor de beeldende kunst werd er zeer uitgebreid.'

Ruwweg valt Brakmans teken- en schilderwerk in twee soorten uiteen: het autonome, beeldende werk en de illustraties voor een boekomslag. In het laatste geval is de lezer snel geneigd te denken dat, aangezien het de schrijver zelf is die de illustratie heeft gemaakt, de tekening een vingerwijzing is of een sleutelscène in het boek verbeeldt. 'Dat is de moeilijkheid bij een omslag. Maar de gedachte dat de schrijver iemand is die stiekem al zijn geheimen voor zich houdt en jullie maar laat aanmodderen, is natuurlijk fout. De schrijver staat eigenlijk, als hij een goed boek schrijft, net zo lullig te kijken naar de verschillende prachtige pagina's als de lezer zelf. Zo moet het zijn.'

'Mijn schrijven is een logboek. Ik richt mij op een onderwerp en schrijf alles op wat me in zeven, acht maanden invalt en wat ik gebruiken kan, en wat ik wik en weeg. De inval, dat is nou werkelijk een raadsel van de geest. De geest is in principe een eenheid. Er is niets of het houdt verband met elkaar. Dan komt er een inval. En ik zweer je: dan moet je snel van je fiets af, of je bent hem kwijt. Daarom heet een inval ook een inval: je weet nooit waar hij is. Hij is niet causaal verbonden met je geest.' 'Ik heb wel een langs de weg staan stampvoeten als-ie me ontsnapt was. Weg, dan is-ie ook weg. Dit is geen dikdoenerij of aanstellerij. Dit is het rijke leven van de schrijver en schilder. Het is een verrijking dat ik het beeldende weer boven water heb gekregen.'

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright