wbrakman.nl

Hermans onder het vergrootglas

lezing ter gelegenheid van het Hermans festival-1 oktober 2000, te Amsterdam in De Balie.

Ik moet bekennen dat ik van Hermans niet alles heb gelezen en ben er van overtuigd dat hij mij zou hebben ingedeeld bij hen die wel de mond opendoen over hem, zonder hem te hebben begrepen. Afwijzingen lagen in zijn mond bestorven. Ik las zijn grote romans met bewondering. Als liefhebber van Ter Braak vatte ik Mandarijnen op zwavelzuur knorrig samen als een vrucht op eigen sap, doorkruiste zijn overige werk als het mij voor de voeten liep en vaak met groot genoegen, want zonder welwillendheid heeft geen tekst een kans. Bladerend in een bundel interviews, stootte ik op een zin over de ernst van het schrijven. Hermans plaatste daarin zijn ernst tegenover het "leuk schrijven" van Toon Hermans. 'Het is een groot schandaal', zei hij, 'om deze man ook Hermans te noemen'. Een zin als het L'état c'est Moi.

Daar moet meer olie in de grond zitten, dacht ik en las de meester met aandacht verder: zijn snelle antwoorden, snedige invallen, onverwachte distorsies en speels gehanteerde opduvels. Maar dames en heren, er is niets op deze wereld of het keert zich tegen zichzelf. Zo'n boek met interviews werkt door de herhalingen als een vergrootglas en toont van alles, veel ook wat zo niet is bedoeld. Aan verbale striemen geen gebrek: God, dood, geluk, de hele metafysica, de schoenen gaan niet uit, want van heilige grond is geen sprake. Pikant is vooral de optelsom der interviewers die één persoon vormt die vol respect de meester benadert en met gebogen hoofd de wens te kennen geeft niet te hard te worden aangepakt. Men is gewoon bang voor die man. Er klinkt in het begrip Hermans een onmiskenbare dreiging, een treitertrend. Op tegenspraken wordt geërgerd ingegaan en wie niet heeft geluisterd krijgt straf. Nu weten wij wel dat tegenspraak de wortel is van de werkelijkheid, maar een fikse contre-attaque zou hier geen kwaad hebben gedaan, het gaat er tenslotte om of een tegenspraak productief is of niet. Nu, ook daar zorgt Hermans voor een dwingende regie: 'Als ik fouten maak', zegt hij, 'dan dient men te begrijpen dat ik die met opzet maak'.

Ik heb best bewondering voor zijn helderheid en strijdvaardigheid, maar erger mij op vele plaatsen, bijvoorbeeld waar de vraag naar de zin van het leven tot absolute nonsens wordt verklaard, een vraag die toch een eerbiedwaardige historie heeft. Zoiets vraag je niet, ordonneert Hermans, want daar is geen antwoord op te bedenken. Dit soort uitspraken kweekt veel verdriet, maar dat kwam hem goed uit, want voor zijn type zijn wrijvingsenergieën gelijk aan creatieve energieën. Een psychopathisch trekje, wat hij gemeen had met Multatuli die menig kaarsje heeft ontstoken onder het besmuikt mompelen van 'Heer ik dank U voor het mij geschonken onrecht'.

Filosofisch staat Hermans aan de kant der logisch-empiristen, dat zijn duistere lieden die de helderheid hoog houden. Hij vertaalde Wittgensteins Tractatus, een boek dat doet denken aan een troostende uitspraak van Karl Kraus: "Seitdem Ich dieses Buch nicht gelesen habe, fühle Ich meinen Horizont bedeutend erweitert". Ik heb er toch weer in gebladerd en vond de stelling 'Philosophie ist keine Lehre, sondern eine Tätigkeit'. Dat verklaart veel want hij was op een lugubere wijze overal van op de hoogte. Zo heeft het mij vaak verbaasd hoezeer Hermans feilloos de weg wist in de gangbare thema's en in het wereldje der literatureluur en deszelfs feiten en feitjes. Er gaat dan ook een donkere dreiging uit van deze logisch-positivist en dit soort kennis draagt daartoe bij. Hermans' voorkeurfilosofie is de taalkritiek, een veldtocht tegen vaagheden, zinloze beschouwingen en samen te vatten in de tot kots toe herhaalde uitspraak: "Dat wat gezegd kan worden, dient ook helder te worden gezegd". Maar helderheid hoeft het raadselachtige en duistere niet buiten te sluiten. De Donkere Kamer van Damocles bijvoorbeeld is een uitmuntende roman en wel tegen een Kafka-fond, want opdrachten te ontvangen in dreigende tijden van iemand die niet blijkt te bestaan heeft sterke Kafka-elementen.

Hermans betwijfelt veel, zo hij is de overtuiging toegedaan dat critici zijn romans verkeerd beoordelen en lezers niet in staat zijn een bedoeling te peuren uit zijn werk. Verder betwijfelt hij of men via interviews iets essentieels over de schrijver te weten komt, maar dit tekort geldt ook de schrijver zelf. Het meesterschap is blind. De ware meester weet in zijn begenadigde momenten niet wat hij doet. En dat komt, dames en heren, omdat de creatieve, en dat is iets tussen zenuwleider en profeet, ieder station van aanpassing negeert. Zo laat Hermans in zijn romans nog wel eens een puinhoopje achter en dat is goed. Geprezen de onhandelbaren, zij die aan monomanieën lijden, obsessies en hysterische neurosen, want zij onthullen de wereld als een mondiaal paviljoen 3. Kunst is een laatste refugium van de geest, haar vrijheid contra de dwang der feiten. Eerst dan kan aan het licht worden getrokken wat de ideologie verbergt. Bij Hermans is men hier aan het juiste adres, in hem is de oergram als hij vorsend om zich heenziet. Mogelijk is hij hier zelf dan extra kribbig, maar het is ook mogelijk dat de kribbigheid het logisch-positivisme aankleeft, want Wittgensteins verblijf in Cambridge was nu niet bepaald een Goudkopjes oponthoud.

Ik heb mij verbaasd over de grote aandacht die de persoon Hermans heeft gekregen. Het moet bij hem, gezien de afkeer van iedere diepte, om een eenvoudig grondthema gaan, nog te vereenvoudigen tot de vraag wie of wat is Hermans voor Hermans zelf. Het antwoord hierop is dat Hermans is die hij is, dat Hermans is die hij denkt te zijn en dat Hermans is die hij wil zijn. Dit eenvoudig samen te vatten als: Hermans is een miskend genie. Het ik als absolutum. De titel Ik heb altijd gelijk is hem niet zomaar ingevallen. Hierin had hij de tijdgeest mee en dat is een van de verklaringen van de al genoemde onevenredige belangstelling voor man en paard. Veel komt bij hem gunstig samen: gewiekste verbaliteit, sterallures, belangstelling voor techniek, een fotogeniek hoofd, de existentiële wrok, het polemisch talent, het logisch-empirisme en de zorgvuldig in regie genomen miskenning. Wat dit laatste betreft was hij veeleisend, niet alleen sprak het verleden hem tegen, bijvoorbeeld bij monde van Ter Braak tot en met de hem ruim toegezwaaide lof die hij bars van de hand wees. Onverzadigbaar was zijn honger naar miskenning en de strijd die hij voerde om datgene op te roepen wat hij zou afwijzen, is heroïsch. Ik die nog eigenaar ben van een "heimwee naar het sprakeloze", dat wat Henriëtte Roland Holst de zachte dingen noemde, zal hem vermoedelijk met veel bewondering niet meer lezen.

Willem Brakman

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright