wbrakman.nl

Uit: Financieel-Economische Tijd van woensdag 19 juni 2002

Bart Vervaeck

JEUGD GRAAFT DIEP

In zijn nieuwe roman, 'Gesprekken in huizen aan zee', keert Brakman terug naar een oude liefde: de detective. En naar een vertrouwd decor: Den Haag. In de hofstad onderzoekt inspecteur Lupijn de moord op de heer Wolff. Tijdens zijn speurtocht ontdekt hij steeds meer raadselen en steeds meer verdachten. Het einde raakt zoek, en dat is de bedoeling. 'Ik heb de dader ook niet nodig,' zegt Lupijn knorrig, 'ik wil mij eerder in de zaak zelf verdiepen.'

Naar de zaken zelf, dat was de slogan van de fenomenologie. De filosofische beschouwing lag niet in het eindeloze denken over denken, niet in de neokantiaanse zelfreflexiviteit, maar in de haast intuïtieve versmelting met het wezenlijke van de dingen. Die versmelting rekende af met het geloof in een objectiviteit die los zou staan van de mens. Een voorbeeld van zo'n afrekening is Heideggers beroemde discussie met de neokantiaan Cassirer aan het einde van de jaren twintig.

Het lijkt een vreemde uitweiding, maar het is in vele opzichten het vertrekpunt van Lupijns tocht. De heer Wolff was namelijk 'neokantiaan hier ter stede', maar nooit was hij een heldere en objectieve aanwezigheid. Zowel tijdens zijn leven als na zijn dood is hij nadrukkelijk afwezig. Hij bestaat slechts in de vele mysterieuze verhalen die zijn nabestaanden en kennissen vertellen. Als object heeft hij blijkbaar subjecten nodig om te bestaan. Daarmee lijkt hij op de poppen, die in dit boek een belangrijke rol spelen: op zichzelf zijn ze niets, maar als de mens ze manipuleert (letterlijk: ter hand neemt), beginnen ze te leven. Dan pas kunnen ze lopen, en merkwaardig genoeg: ze 'lopen op niets', er is geen bodem in de poppenkast. De hand van de poppenspeler volstaat.

Zo is het ook met Lupijn: hij geraakt niet tot de bodem van de zaak, hij wordt geregisseerd door de hand van de verteller, die in cursief gedrukte teksten het onderzoek onderbreekt en becommentarieert. Zijn hand zweeft in allerlei vormen boven het verhaal, bijvoorbeeld in de beringde hand van de vermoorde, de vreemde handen van jonkheer Koel of de ivoren handen van Madama Scibu. 'Ik ben een vrouw,' zei Madame. 'Zo een met van die handen.' Dat spreekt.

De zaak

De filosofische zoektocht naar de zaak zelf wordt in deze roman omgevormd tot Lupijns onderzoek van de zaak Wolff. De man die met een borsteltje de sporen van de moord onderzoekt zegt het duidelijk: 'Zo brengt de dood ons tot wezenlijke zaken.' En waar ligt het wezenlijke van de zaak dan? Niet in de oplossing van de raadsels, dat is voor heldere geesten en kantianen. 'Lupijn had maar weinig zaken tot een oplossing gebracht, eigenlijk geen.' Wel in de 'sfeer en imponderabilia' die rond de zaak hangen, in de mogelijke motieven en daders, die nooit verarmd mogen worden tot concrete aanleidingen en moordenaars. De essentie zit in wat de zaak zou kunnen zijn, niet in wat ze volgens een helder verstand is.

Vandaar dat Lupijn steeds nieuwe motieven en daders verzint, zonder enige aanwijzing of rationele argumentatie. De beschuldigden houden alle mogelijkheden open. Als Lupijn het echt niet meer weet, vraagt hij of de theoloog Bons misschien de dader is. Hij vergist zich daarbij van slachtoffer, maar de heer Bons helpt hem: ''Heer Bons,' zei Lupijn naar boven, 'heeft u misschien mevrouw Wolff omgebracht, daar zou u mij een groot genoegen mee doen.' 'U bedoelt ongetwijfeld de heer Wollf, en dat zou kunnen, ik acht dat niet onmogelijk, al zou ik dit eerst met de kerkenraad moeten bespreken.''

Flauwekul? Nee, natuurlijk niet. Wie een zaak écht wil onderzoeken, moet ze letterlijk en figuurlijk openen. Hij moet 'opening van zaken' geven. Alles wat de zaak weer dichtdoet, moet worden vermeden: laatste verklaringen, gronden waarop de poppen zouden dansen. Daders mogen niet bekennen, doen ze dat toch, dan mogen ze niet worden aangehouden. Met een aanhouding zou immers alles ophouden. Als mevrouw Wolff op het eind bekent, gaat Lupijn dan ook niet tot de arrestatie over.

Om zijn zoektocht eindeloos te maken, volgt Lupijn regels die het rechtlijnige neokantiaanse onderzoek onmogelijk maken. Merkwaardige voorschriften formuleert hij: 'Een goede verdachte is donkerbruin'; 'De verdachte heeft niets anders te doen dan op de door mij gestelde vragen geen antwoord te geven, want dat kan ik zelf ook wel'; en 'Ook ikzelf ben verdacht, zo word ik al jaren vervolgd, mijn leven is een aaneenschakeling van arrestaties. Meestal weet ik niet of ik gearresteerd ben of niet. (…) Wat een drijfjachten en vervolgingen heb ik al niet achter de rug en waarom? omdat ik mij immer de onwaarheid als richtsnoer voor ogen hield.' Wie meent dat hij de waarheid in pacht heeft, is verloren voor alle zoeken.

De schrijver

Deze zoektocht zonder eind maakt van Lupijn niet alleen een inspecteur en een filosoof, maar ook een schrijver, en algemener een kunstenaar. 'Opsporen is wel een kunst,' zegt hij. En mevrouw Wolff, zelf novelliste, voegt daaraan toe dat het in de kunst net als in het onderzoek gaat om het openhouden van alle mogelijkheden: 'Zolang dat niet is opgespoord blijft het boek bestaan.'

Maar dat is geen vrijblijvend spelletje. De openheid van de schrijver is het enige wapen tegen de dichtslibbende traditie, de dwang van het cliché en de doem dat alles al gezegd is. 'Alles is wat mij betreft al gezegd, ook onderhuids,' beweert mevrouw Wolff. Lupijn ziet echter een uitweg: 'Maar niet de versprekingen die ons zo maar invallen.' Als inspecteur, filosoof en schrijver moet hij onvoorziene invallen volgen. 'Het enige wat ons te doen staat is rustig wachten op de verspreking,' zegt hij. Zo'n verspreking werpt een nieuw licht op de zee van clichés die de taal is.

Een goede schrijver verrast zichzelf. Dankzij de versprekingen ontdekt hij zaken die hij niet kende: 'Een goede bekenner bekent dat wat hijzelf nog niet wist.' De ontdekking wordt hem aangereikt door de taal, die hem bijvoorbeeld van canaille naar kanarie voert of van signatuur naar saignant. De gelijksoortige vorm brengt de goede schrijver op het spoor van nieuwe verbanden.

Het nieuwe en unieke van elke schrijver ligt dan ook in zijn taal, zijn stijl, zijn vorm. Niet in de inhoud, de spannende plot-met-ontraadseling. Mevrouw Wolff vat het mooi samen: 'Schrijven wordt steeds meer stofloos, zonder de dwang van een intrige. Als ik schrijf moet ik in mijn eigen taal rondneuzen om te zien wat mij bezighoudt.' Dat laatste redt de literatuur van een inhoudloos formalisme: een roman is een bekentenis van een uniek individu dat weigert onder te gaan in de massa. Grote schrijvers zijn 'figuren die een niet te beheersen behoefte hadden gevoeld zich te uiten, die iemand om zo te zeggen bij de kraag grepen om maar te kunnen vertellen van dat stuk leven waar ze het meest van afwisten, zichzelf…' Geen wonder dat deze roman zo onmiskenbaar over Brakman zelve spreekt en dat dit niet gebeurt via de bekende bekentenisliteratuur, maar via de meest onvoorziene paden, aangewezen door associaties, invallen en versprekingen.

Het kind

Uiteindelijk spreken al die associaties over de tijd waarin de geest nog opging in zijn omgeving, waarin de mens en de zaken nog opgenomen waren in één groot geheel. Dat is de kindertijd. In de blik van het kind is er geen verschil tussen buitenwereld en binnenwereld. 'Filosoferen zou dan ook voor mij eigenlijk tot taak moeten hebben die kinderblik te herstellen zonder tot infantiliteiten te vervallen, trouw te doen blijven aan dat wat men eens heeft ingezien.'

Lupijns zoektocht naar de grote samenhang tussen de zaken en de mens, maakt van hem niet alleen een inspecteur, een filosoof en een kunstenaar, maar ook een kind. Zijn zoeken is een vorm van archeologie, van graven, 'en jeugd graaft diep,' zoals Bons weet te melden. De diepte die nagestreefd wordt, is geen rationele hang naar de oplossing van alle raadselen, maar een melancholisch verlangen naar de wonderlijke ervaring van samenhang, die het kind bezit en de volwassene zoekt. Het is een samenhang die teruggaat op de symbiotische relatie met de moeder. In die zin is Lupijn, zoals alle zoekers bij Brakman, eeuwig op weg naar de kinderlijke geborgenheid, de huiselijkheid, de moeder, de zee: 'Heb ik u al van mijn moeder verteld? Haar moederlijke buik rees en daalde in flanel gelijk de zee. Zij noemde dat nadenken.'

'Gesprekken in huis aan zee' gaat over het verlangen naar het moederlijke, de zee, de huiselijkheid, de kinderlijke ervaring van samenhang. Het is een verlangen dat weet heeft van de onmogelijkheid, en precies daarom alle mogelijkheden open wil laten. 'Ik heb altijd aan zee willen wonen,' zegt Lupijn in de laatste regels van het boek, 'het is goed dat te willen, maar ik zou er niet willen wonen.' Het verlangen is beter dan de voltooiing. Zoals de inspecteur geen oplossing zoekt, de filosoof geen ultieme waarheid, de schrijver geen afgesloten vorm, zo zoekt de melancholicus geen bevrediging van zijn verlangen.

Detective, filosoof, schrijver en melancholicus - Lupijn is het allemaal. En Brakmans roman is dan ook tegelijkertijd speurwerk, beschouwing, metafictie en hoogst persoonlijke ontboezeming. Het is een uniek en bizar mengsel, verpakt in Brakmans onnavolgbare stijl. Essentieel daarbij is het spel van ernst en humor - zoals dat past bij een groot kind. Baldadig en treurig is dit boek, dat uitpuilt van licht gestoorde wijsheden als 'Ieder voor zich, als de kist daalt', 'Zalig zij die op schoenen gaan en in zichzelf kunnen zien' of 'Men wordt niet ongestraft normaal.'

Normaal is het imposante oeuvre van Brakman gelukkig niet. Hij wordt deze maand tachtig, heeft bijna vijftig boeken gepubliceerd en blijft in een hoogst virtuoze stijl getuigen van zijn volstrekt eigenzinnige wereld. 'Samenvattend kan ik zeggen dat er veel toekomst ligt in het gekkenhuis. Een winter daar doorgebracht is geen verlies.' Een paar dagen doorgebracht in deze wonderlijke huizen aan zee, is inderdaad geen verlies, maar pure winst.

Willem Brakman, 'Gesprekken in huizen aan zee'. Amsterdam, Querido, 2002, 220 blz., ISBN 90 214 5422 X.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright