wbrakman.nl

recensie van Gesprekken in huizen aan zee in Trouw, 20 april 2002

Rob Schouten

Hallucinaties aan zee

De laatste roman die ik van Willem Brakman las was Het groen van Delvaux uit 1996. In de tussentijd schreef hij liefst vijf nieuwe romans, maar je kunt ook na een korte onderbreking van de lectuur zonder probleem weer in zijn oeuvre stap pen, dat zo rijk en veelzijdig is maar ook zoveel van een literair circus heeft, dat het missen van een enkel hoogstandje niet tot onherstelbaar contactverlies leidt

Zijn jongste roman heet Gesprekken in huizen aan zeehet eerste gezicht een ietwat onhandige titel maar met dat soort oordelen moet je bij de virtuoos Brakman uitkijken; ook wat uit de hand lijkt te lopen of niet hele maal lukt, komt bij hem altijd wel op z'n pootjes terecht. Het is een boek zoals we ze de laatste vijfentwintig jaar van hem kennen: misschien dat op de achtergrond ergens nog een anekdote schemert, maar het boek zelf is één en al verbeelding en droomwereld. Heel in het begin van zijn schrijversloopbaan werd Brakman nog wel met Vestdijk geassocieerd maar gaandeweg is duidelijk geworden dat hij dan vooral met de hallucinatoire Vestdijk in verband staat, die van 'De kelner en de levenden' en 'De redding van Fré Bolderhey'. In de loop van zijn oeuvre heeft Brakman steeds meer schepjes bovenop zijn oorspronkelijke surrealisme gedaan. Liefhebbers en kenners zwelgen nu al tientallen boeken lang in teksten waarin geest en fantasie volledig de dienst uitmaken. Lezers die niet van afwijkingen, uitweidingen en cryptogrammen houden, zullen horendol worden van de ongebreidelde taal- en beeldwatervallen die deze schrijver zich permitteert.

De gesprekken in Gesprekken in huizen aan zee zouden losjes geënt zijn op de zeden en gewoonten van de befaamde Bloomsburygroep, de intellectuelenkring rond Leonard en Virginia Woolf, Lytton Strachey, et cetera. Maar het verdient aanbeveling daar niet te veel op te letten. Behalve dat een van de hoofdpersonen een schrijfster met de naam Wolff is, en dat het gezelschap verder bestaat uit (bijvoorbeeld:) een neokantiaans filosoof, een schilderes Charley (doet aan Charley Toorop denken), een jonkheer en een dominee, waarvan je prototypes bij de Bloomsbury-groep kunt terugvinden, is er geloof ik niet rnéér verband dan dat ook hier het intellectueel en artistiek discours bloeit. Verder loopt er nog een onhandige misdaadspeurder door dit boek, terwijl ook de verteller zelf zich zo nu en dan met ongevraagde terzijdes en correcties aan het verhaal opdringt.

Zoals vrijwel alle personages bij Brakman, praten en denken ook de leden van dit gezelschap 'uitbreidend' en associatief, ze zijn hypergevoelig voor lichamelijke en geestelijke indrukken, laten zich meeslepen door hun eigen taal en beeldenrijkdom en komen slechts zelden tot iets kernachtigs. Ondanks hun diverse statussen en bezigheden lijken ze eigenlijk sprekend op elkaar, een aanwijzing voor het feit dat er eigenlijk sprake is van één hoofdpersoon. En dat klopt ook: wat Brakman eigenlijk doet is het beschrijven van een droomwereld waarin ijle verschijningen en gestalten voortkomen uit de dromer. En die droomt nu eenmaal altijd over zichzelf, hoe drukbevolkt zijn universum ook lijkt.

De sleutel tot veel van Brakmans werk, maar zeker tot deze roman, is het leven als visioen, nachtmerrie en absurd gangenstelsel. Een van Brakmans specialiteiten is het beschrijven van subtiele geestelijke en fysieke gewaarwordingen. Het lijkt soms of zijn personages vooral lucht moeten geven aan het fijnst denkbare zenuwstelsel. Wat dat betreft is de volgende passage illustratief:

"Ik droomde vaag van een schepper die op een troon zat van zenuwdraden, geschaafd vel, wortels van kiezen, na- trillende pezen en vermiljoenen abcessen die als kussens moesten dienen. Zijn voeten waren in gestold bloed gedoopt en over de rand van een bloempot keken een paar dodelijk angstige koppen die niets anders hadden dan elkaar. In de scheppende handen van de Schepper lagen wat hersenen, waarin hij zachtjes kneep tot het knetterde, want bij pijn gaat het altijd om de geluiden, dan worden bassen tot sopranen."

Het lijkt Jeroen Bosch wel en zo is het ook: er zit een enorme portie walging, afkeer, marteling en doodsangst in Brakmans werk. Maar daartegenover staat zijn fonkelende, absurdistische maar ook lucide stijl. Veel van de hier geboden hersenspinsels lijken op het eerste gezicht voornamelijk bizar, maar Brakman weet het transparant te houden, alsof je luistert naar een volkomen vanzelfsprekend gesprek tussen gestichtspatiënten:

'Ik hoor iets', zei neef Karel.
'Dat is de man met het borsteltje, maar het is ook goed om bij wat wij doen kinderstemmen te horen in de straat,' 'Ik ben eigenlijk altijd verward, zei neef Karel, 'al vanaf mijn jeugd, ik had een oom die beweerde dat er geen negers bestonden. Die kunnen er niet zijn zei hij, maar ik ben vergeten waarom, zo verward ben ik.' 'Erger mij niet', zei de vrouw, 'iets naar links en dan met de rustige slag van wijlen mijn vader.' '…'
'Ik zie mij nog niet zo gauw in delire gaan', zei de vrouw na een poosje, 'U heeft trouwens uw hoed nog op.'

Het is voor de herintredende lezer niet moeilijk om direct weer meegesleept te worden in deze verbluffend klare en inspirerende droomwereld.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright