wbrakman.nl

Over Gesprekken in huizen aan zee, NRC Handelsblad 7 juni 2002

Janet Luis

Jong en bejaard terloops vermoord

Kinderen en ouden van dagen zijn de gebeten hond in het werk van Willem Brakman.Ik zou niet willen beweren dat personages van middelbare leeftijd hun leven bij hem altijd zeker zijn, maar met jong en oud heeft hij opvallend weinig clementie. Ik heb me wel eens afgevraagd wat de achtergrond van deze literaire weerzin zou kunnen zijn. Omdat het kind en de bejaarde de grenzen van het menselijk leven laten zien, het ongevraagde begin en het onafwendbare einde ervan? Zij herinneren hem pijnlijk aan zijn beperkte mogelijkheden om zich tegen zijn grootste vijand, de tijd, te weer te stellen. Zijn frustratie zou hij dan op hen afreageren. Vandaar misschien dat er geen schattige zuigelingen of beminnelijke grijsaards in zijn boeken voorkomen.

In zijn nieuwe, detectiveachtige roman Gesprekken in huizen aan zee, staat ook weer zo'n veelzeggend zinnetje over kinderen. Als inspecteur Lupijn na gedane zaken door een rustige, voorname Haagse straat wandelt, dan merkt hij in ineens op: 'Alle kinderen waren blijkbaar gewurgd, want er was geen piep meer te horen, iets wat hem vreemd genoeg toch met treurnis vervulde.' Ook de oudjes komen er slecht vanaf. Ze worden voorgesteld als tandeloze mummelaars die, met of zonder rolstoel, anderen alleen maar in de weg zitten, maar van wie ook een duistere dreiging uitgaat. 'Ze drogen uit', zo heet het vol afgrijzen. 'Poedelnaakt ritselen ze nog als een krant, o foei. Ze ruiken naar rubber en email, gaan opeens rechtop zitten om achterover te vallen en voordat je het weet struikel je erover en lig je ernaast.'

Zelf heeft Brakman, die binnenkort tachtig wordt, nog niets van een oude mummelaar die op sterven na dood is. Met onverminderde inzet en geestkracht laat hij in Gesprekken in huizen aan zee een spiritueel bevlogen gezelschap opdraven dat de deur bij elkaar plat loopt en dolgraag zijn zegje wil doen over van alles en nog wat. Dit Haagse gezelschap vertoont enige verwantschap met de Bloomsbury-groep die rond 1910 bijeenkwam in Londen, met Virginia Woolf als een van de hoofdfiguren. De schrijfster die ook hier het middelpunt vormt, heet bij Brakman mevrouw Wolff, voornaam Virginie. Haar man wordt 'de filosoof' genoemd, ook wel 'de neokantiaan'. Geestverwanten zijn 'de wiskundige', 'de estheet', de schilderes Charlie, neef Karel, assistent-predikant Bons en jonkheer Koel, want de adel is bij Brakman altijd wel met een of meer personen vertegenwoordigd.

Tussen de verschillende partijen door laveert inspecteur Lupijn die een moordzaak op moet lossen, al is hij er naar eigen zeggen vooral op uit om die zaak 'zwevend' te houden. Hij is namelijk meer een man van de theorie dan van de praktijk en houdt ervan te experimenteren met invalshoeken en gezichtspunten. Geen wonder dat hij zich in dit kunstzinnige gezelschap als een vis in het water voelt. Anders dan de historische Leonard Woolf is de man van mevrouw Wolff maar een kort leven beschoren. Lupijn treft hem 'zo stijf als een liniaal' aan in zijn bureaustoel. Geen van zijn vrienden lijkt speciaal ondersteboven van zijn verscheiden, zodat ieder van hen de moordenaar zou kunnen zijn, een uitgangspunt dat Brakmans inspecteur nogal schijnt te bevallen. 'Wie was waar, wie deed wat en waarom en ook hoe', zo vat hij de hele kwestie krachtig samen. Maar het onderzoek dat erop volgt, met een slap verhoor hier, een halfslachtig huiszoekinkje daar en veel vrijblijvende conversatie, leidt niet tot wat je een oplossing zou kunnen noemen. Weliswaar bekent mevrouw Wolff op het eind, om van het gezeur af te zijn, dat zij haar man heeft vermoord, maar deze bekentenis kan maar beter niet al te serieus worden genomen. Het Brakmanpersonage doet maar al te graag bekentenissen, zoals in zijn verhalen ook bij voorkeur onschuldigen worden berecht en achter de tralies gesmeten. Overigens piekert mevrouw Wolff er niet over om zich na haar bekentenis in te laten rekenen door de inspecteur. Zij wijst hem er fijntjes op dat zij zo haar contacten heeft. 'En kik en u zit in de Ramaerkliniek, poedelnaakt in de houtwol.'

Brakman schept er in Gesprekken in huizen aan zee, meer nog dan elders, een welhaast satanisch genoegen in, zo lijkt het, om de dingen anders voor te stellen dan ze meestal gezien worden. Een volmaakt onvoorspelbaar universum is daarvan het gevolg, waarin het onmogelijke zegeviert. Niets is hier, kortom, wat het anders altijd is. Men valt zichzelf hier graag en veel in de rede. Iemand met een psychopatenkop ziet er aantrekkelijk en.goed geproportioneerd uit. Een genie wordt voorgesteld als een optelsom van inferieure eigenschappen. Van een dode man wordt vooral 'zijn afwezigheid' node gemist. Wie in een restaurant een appelpunt zonder slagroom bestelt, krijgt de ontbrekende slagroom extra in rekening gebracht. En mag dan nog van geluk spreken dat hij een appelpunt krijgt in plaats van een kleffe kokoskoek.

Je zou kunnen zeggen dat deze roman, in zijn opzettelijke richtingloosheid, tot niets leidt, maar tegelijk, voor wie de Brakmanbril even opzet, weer tot alles. Begrijpelijk dus dat er in deze grillige detective een flinke bedreiging uit kan gaan van het schijnbaar zo onschuldige kind of van het ogenschijnlijk zo zielige, broze oudje. In ieder mens schuilt een moordenaar, zo lijkt de sinistere, maar met veel humor gebrachte uitkomst te zijn. Zelfs de doden gaan hier niet vrijuit. Als aan mevrouw Wolff wordt gevraagd waar het lijk van haar vermoorde echtgenoot is gebleven, merkt zij gergerd op: 'Mijn man kan heel goed voor zichzelf zorgen.'

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright