wbrakman.nl

Fotograaf

Willem Brakman

uit: Zes subtiele verhalen

De bedoelde foto van de ouders

In de maand augustus van het jaar 1921 gingen Maria Leuntje de Broekert en Hendrik Brakman naar het 'Atelier voor moderne fotografie' van C. J. L. Vermeulen. De fotograaf bewoonde destijds in Den Haag het pand Toussaintkade nummer 11 en moet gezien de zeer vele roosjes, kransen, linten en oversierlijke krulletters een hoffelijk en artistiek man zijn geweest.

Ik heb niet veel foto's van mijn ouders, en alleen die van C.J.L.Vermeulen zet ik nog wel eens op mijn werktafel, afhankelijk van het weer, het seizoen en het uur van de dag. Mijn vader en moeder zitten in een ver en stil vertrek, samen op en in een wat droeve sombere stoel met hoge leuning; mijn vader in de zetel, mijn moeder op de rechterleuning, de linker elleboog op Hendriks schouder, de rechterhand in de schoot. Ze draagt een wit bloesje, hooggesloten met twaalf zwarte knoopjes, en een lange zwarte rok. Mijn vader is geheel in het zwart, stijf, dik, onzomers zwart, het linkerbeen is krachtig over het rechter geslagen, de ene zware Michelangelohand rust op de linker knie, de andere op de zware krul van de leuning. Aan de linker helft filtert er wat Japans zondagochtendlicht van de Toussaintkade door een glazen tuindeur de foto binnen en strijkt over het gebloemde vloerkleed tot de onderrand.

C.J.L.'Vermeulen heeft hen zeer ongemakkelijk neergezet zoals het bij fatsoenlijke lieden betaamt: door de geest van mijn moeder loopt de scherpe houten leuning, om mijn vader knellen boord, leuning en stijve jas, maar deze opgeschrikte ongemakkelijkheid is een hommage aan Vermeulen die hen opneemt in zijn onmetelijke stilte en roerloosheid van album, doos, schoorsteenmantel en buffer. Hij kiekt niet, hij maakt een foto, dat wil zeggen hij beschikt even moeiteloos over een zoveelste seconde als over de eeuwigheid, en dat wij elkaar aankijken, ik die er nog niet ben, zij die er niet meer zijn... een bagatel.

Maar nog doe ik hem onrecht, zijn foto is subtieler, wel is mijn moeder gesloten met twaalf knopen, de keel van mijn vader omsnoerd, de jas zwart en de knooplaarzen stevig vastgemaakt met een dubbele veterstrik, maar de handen op leuning en knie zijn zwaar, warm en geaderd, zijn ogen donker en nog niet bang voor de fotograaf.

De boezem van mijn moeder is rond en gewelfd en witgebloesd, haar gezicht pastelzacht tot teder. En dan de zomers van die tijd... nee, mijn geest zweefde al boven de Toussaintkade, stond om zo te zeggen al met een mollig beentje in de fatale knuffel. Rust en licht van het Toussaint-vertrek zijn bovenaards en verlokkend, maar de krachten zijn te groot, jammer, jammer.

Daar zitten ze, ik ben nu ouder dan zij toen samen, de foto is elke keer geler, het wordt tijd dat ik hen vergeef.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright