wbrakman.nl

Fotogeschiedenis

Foto: 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11

met moeder in 1941

Willem Brakman met zijn moeder in de huiskamer aan de Elsstraat 15 in Den Haag.

Mijn ouders kwamen beide uit zeeland; in die zin ben ik genetisch een Zeeuw, maar het 'goed Zeeuws, goed rond' geldt voor mij niet; zoveel inzicht heb ik wel in mij zelf. Eerder herken ik in mij wat noordelijker trekken, zoals de hysterie van de Fries, het secundaire van de Groninger of het wantrouwen van de Drent. Ook fonetisch is er niets blijven hangen, geen onderstreepte ennetjes of de zachte melodische golving in mijn spraak als neerslag van het wiegende koren of de deining van de Schelde. Nee, mij heeft Zeeland op een andere wijze gestempeld.
Willem Brakman, uit: Zeeland bestaat niet, Maatstaf, 1970, blz.266-271.

Tegen interviewster Bibeb vertelde hij: 'Mijn moeder was mediamiek. Vreemde ogen met half geloken oogleden: ze kijken en ze kijken niet. Ik had bloed opgegeven, zat in zak en as. Mijn moeder zei: " 't is niks." Ik liet me onderzoeken in het militair hospitaal want ik was in dienst en ze konden niks vinden. Ik geloof dat ik van m'n moeder te veel heb gehouden. Dat heeft me op erg ingewikkelde wijze nooit met rust gelaten. Die liefde voor m'n moeder heb ik jaloers behoed. Alle aandacht die ik anderen had kunnen geven hield ik voor mijn moeder. Maar ik raakte haar nooit aan, gaf haar nooit een zoen. Dat wijst wel ergens op. Iets waar geen lucht en licht bij kan, daar gebeurt erg veel mee.'

(Bibeb) Je was verliefd.

'Ja, zoiets. Maar ik heb het altijd met grote kracht verborgen gehouden. Ik bracht haar offers: geen vriendjes, niks. Een soort onthouding uit trouw. Ze was een blozende stevige kordate vrouw. In die kordaatheid had ik wel contact, met haar, daarin kon ik me niet verraden. Ze was bij het Rode Kruis, werd overal gewaardeerd, een erg praktische vrouw. Je weet wel, zo'n vrouw met een nimmer eindigende picknickmand, waar ze ook nog pleisters uithaalt voor je kapotte knie. Ik heb altijd over haar willen schrijven. Come-back had eigenlijk over mijn moeder moeten gaan maar het is weer niet gelukt'.

Aan de muur achter moeder en zoon hangen schilderijen van vader Brakman. Op diverse plaatsen heeft Brakman verteld over het schilderen van zijn vader, een bezigheid die hem in hoge mate fascineerde, maar waarvan hij ook de alledaagse achtergrond onder ogen zag. Vader schilderde ansichtkaarten na omdat de aanschaf van een echt schilderij onbetaalbaar was. Opmerkelijk voor een foto uit 1942 is het houten wandbord dat getuigt van een in Bezettingstijd niet toegestane vaderlandsliefde. Brakman kon zijn moeder maar mondjesmaat in zijn werk een plaats geven. In De sloop der dingen (2000) is zij wel aanwezig, maar niet anders dan als achtervolgende schim.

met vader en broer

Hendrik Brakman met zijn zoons Jack en Wim, 1935

Hendrik Brakman (1889-1967) zette de bakkerij van zijn vader niet voort toen deze in 1912 in Terneuzen overleed. Hij waagde 'de grote oversteek' naar Walcheren, kwam tot zijn spijt niet in aanmerking voor een opleiding bij de marine en werkte als 'sjouwerman' op scheepswerven in Vlissingen en Rotterdam. Na de mobilisatie van '14- '18 zien we hem opduiken in Den Haag. In 1920 woont er hij in de Jan Houtstraat, getrouwd met Maria Leuntje de Broekert die hij in Vlissingen heeft leren kennen. Hun twee zoons worden er geboren: Jack in 1920 en Wim in 1922. Hendrik Brakman werd wisselloper bij de bankiers Lissa & Kann op Lange Vijverberg. Een betrekking die hem tot aan zijn pensionering zekerheid en aanzien verschafte. Zijn zoon Willem Pieter Jacobus debuteerde in 1960 met de roman Een winterreis waarin de vergankelijkheid wordt gedemonstreerd aan het voorbeeld van de vader. Als kind rekende de zoon hem tot de onsterfelijken en onfeilbaren, maar met het verstrijken der jaren valt vader van zijn voetstuk: niet al de verhalen die hij vroeger vertelde kloppen en zelf blijkt hij een sterfelijk mens te zijn. Jaren later, in 1994, schreef Willem Brakman de roman Late vereffening waarin hij zijn vader díe avonturen laat beleven waarvan deze alleen maar van had kunnen dromen. Jack Brakman (1920-1989), vernoemd naar zijn grootvader Isaac, heette in Den Haag aanvankelijk Sjaak, maar op de HBS ging hij zich Jack noemen. Jack Brakman werkte na de oorlog enige tijd in Indonesië en emigreerde in de jaren vijftig met zijn gezin naar Canada. Hij overleed er in 1989 zonder er de carrière gemaakt te hebben die hij zich had voorgesteld. In het werk van Willem Brakman is hij de bewonderde en benijde broer die alles kan. In het interview met Bibeb vertelt Brakman daarover. Het verhaal O God, oh Montreal (in Zes subtiele verhalen, 1978) onthult de rivaliteit die in de loop der jaren tussen beide broers was ontstaan.

De broer bezat een bromtol met een opwindmechanisme aan de bovenkant en met een stalen spiraalveer aan de onderkant, zodat de tol zich niet alleen zoemend en zingend, maar ook huppend kon voortbewegen. De broer wilde de schrijver overhalen de opgewonden tol op zijn hoofd te laten aflopen. Had de schrijver, die deze broer zeer bewonderde. "ja" gezegd, hij zou door het leven zijn gegaan als een onvrijwillige dominicaan, in ieder geval met een onherroepelijk losgescheurd kruintje. Een tot op dat moment nog ongekende glimlach waarschuwde echter de schrijver en deed hem dit lot ontgaan.
Willem Brakman, uit: Geboortehuis, De Tijd, 1980 (ironische en denkbeeldige rondleiding door het geboortehuis).

Volgend

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright