wbrakman.nl

Op 13 juni jl. hield T. van Deel een feestrede voor de jarige Willem Brakman en zijn gasten. De tekst van de toespraak - een college over de eerste 40 pagina's van Gesprekken in huizen aan zee - is hieronder te vinden.

Tom van Deel

Beste Wim, dames en heren,

Hoewel ik u in deze feestelijke toespraak een paar overwegingen wil meedelen aangaande het laatste, en dus daarom alleen al beste boek van Brakman, 'Gesprekken in huizen aan zee', overwegingen die naar ik hoop een dusdanig algemeen karakter hebben dat ze het gehele oeuvre beslaan, moet ik toch beginnen met iets heel anders, iets tamelijk persoonlijks, dat verband houdt met mijn geschiedenis met het werk van Brakman. Het begon allemaal in 1962, in een kleine dependance van de Haagse Openbare Bibliotheek aan de Mient (een straatnaam overigens, die in het jongste boek voorkomt, maar dat lijkt mij in dit verband toeval. Daar zag ik op een gezegend moment, een Sternstunde mag ik wel zeggen, een boek in de kast staan getiteld 'Een winterreis'. Zo eenvoudig kan iets beginnen, iets dat vanaf dat moment nooit meer uit mijn leven is weg te denken geweest en dat ik koester als een zielsbezit, vergeef me het grote woord, het staat niet eens in Van Dale. Ik bedoel: het werk van Brakman.

Ik was zozeer getroffen door deze boeken daar aan de Mient (het is nauwelijks voorstelbaar, maar het waren er in '62 nog maar drie!) dat ik toen in '64 'De gehoorzame dode' verscheen de schrijver om een interview verzocht voor de Nieuwe Haagsche Courant, voor een achterpagina voor de jeugd, 'Ruimte voor ons....' die samengesteld werd door een jongerenredactie, waarvan ik deel uitmaakte. Het gesprek, dat onbeschaamd lang geduurd moet hebben en waarin ook nog het middageten was inbegrepen, heb ik mij in de trein terug van Enschede naar Amsterdam met behulp van een geleend potloodje en wat papier zo goed mogelijk proberen te herinneren, want in mijn onervarenheid met interviews had ik alleen maar gevraagd en vooral geluisterd, maar niets opgeschreven.

Waarom vertel ik u dit allemaal? Dat is een goeie, echte Brakmanvraag. Welnu, anderhalf jaar later, het moet iets te maken hebben gehad met de verhalenbundel 'Water als water', moet ik Brakman opnieuw hebben bezocht, want in mijn exemplaar van dat boek staat de volgende opdracht: 'Voor Tom van Deel met het verzoek er in mijn bijzijn niet uit te citeren. W. Brakman.' Pas een paar jaar geleden ben ik er achter gekomen dat deze opdracht een dubbele bodem had, die ik niet kon kennen. Ik kreeg toen van Brakman een paar dichtbundels van Nol Gregoor te leen, die ik niet kende, en in een daarvan trof ik de volgende opdracht uit 1945 aan: 'Voor Wim Brakman, met het verzoek, er in mijn bijzijn niet uit te citeren! Nol.'

Dames en heren, u zult begrijpen dat ik in het vervolg van deze ter gelegenheid van Brakmans hoge leeftijd ook zeer langdurige lezing wŤl het een en ander zal willen citeren, en, aangezien hij mij heeft bezworen zijn oordopjes uit te laten, eveneens in zijn aanwezigheid. 'Gesprekken in huizen aan zee' begint, zoals u natuurlijk allemaal weet, met de introductie van de leidende, of liever gezegd omleidende figuur van inspecteur Lupijn. Deze Lupijn is in zijn jonge jaren enige tijd werkzaam geweest op een verzekeringskantoor - en hier komt het eerste citaat! - "op de afdeling herverzekering, wat zoveel wil zeggen dat men er maar beter aan doet dit niet nader te specificeren". Hij blijkt in die fase van zijn bestaan een buitengewone belangstelling te hebben voor smetteloos wit papier en wordt dan ook niet ten onrechte door de heer Burgwal, zijn chef, van grootscheepse papierdiefstal verdacht. Na ontslagen te zijn en vervolgens weer aangenomen - na interventie van zijn moeder - begint hij - citaat! - "steeds meer wit, vlekkeloos en maagdelijk papier in zekerheid te stellen". Deze jongeman haalt stapels, nee pakken papier mee naar huis en we kunnen niet anders concluderen dan dat hij zich langzaam maar zeker aan het voorbereiden is op een 40-jarig schrijversjubileum. Wit papier is hem "een troost vanwege alle uitstaande papieren mogelijkheden, het wit van de hoop". Vooralsnog gebruikt hij op kantoor een in vieren gedeeld vel schrijfpapier om daarop in minuscuul handschrift de hem "op momenten waarvan hij voelde dat het de juiste momenten waren", invallende invectieven neer te schrijven, vanzelfsprekend bestemd voor de al genoemde heer Burgwal. Een paar voorbeelden: plemper, perfide neuzelaar, brandende urineblaas, waterzuchtige klepzeiker, kroegsluiper. Maar aan een Burgwal ontgaat tenslotte niets, deze galspuwerijen komen aan het licht en Lupijn wordt weer ontslagen, maar nu definitief.

We moeten hierbij in gedachten houden dat hij thuis beschikt over een papierwinkel waar de gebroeders Winter u tegen zouden zeggen. Als inspecteur van politie wordt Lupijn als volgt beschreven. , "Lupijn had maar weinig zaken tot een oplossing gebracht, eigenlijk geen, wat hij toeschreef aan achterklap en tegenwerking, wat hem anderszins maar matig interesseerde, daar hij zich een theoreticus achtte, iemand die verschillende perspectieven, vooral literaire, uitprobeerde." Hij krijgt een zaak op te lossen, naar later blijkt de veronderstelde moord op de man van mevrouw Wolff, hierop geattendeerd door de dokter, ene Van Heel (wie kent hem niet uit andere boeken), die geweigerd had de doodsoorzaak in te vullen. Hoe gaat een Lupijn nu te werk? Hij loopt niet regelrecht op de zaak af, maar gaat eerst eens een kijkje nemen in de stille, deftige Haagse buurt waar de moord zich zou hebben afgespeeld. Hij draalt, waarom? "daar hij aan sfeer en imponderabilia grote waarde toekende en het zich voorbereiden op een onderzoek met nog geen enkel gegeven in handen tot het schoonste rekende dat hij kende." En dan komt het, let u op: "Hij was de geest die het liefst over de wateren zweefde en alles wat maar in de richting wees van werk haatte als de pest. Alles bij elkaar richtte zich zijn geest op een pak smetteloos typepapier."

U moet weten dat in de roman tot dusver nog alleen maar aandacht is besteed aan Lupijn, de lezer maakt om zo te zeggen de voorbereidingen mee van het op gang brengen van het verhaal, de geest zweeft nog boven de wateren, de eigenlijke schepping van het verhaal moet nog plaatsvinden. En dan, op de dertiende bladzij en op waarlijk miraculeuze wijze, glijden we in het verhaal: Lupijn belt aan, herhaalde malen, en wordt door het dienstmeisje (een loerster en intrigante van professie) binnengeleid en naar een deur gebracht waar ook weer herhaaldelijk op geklopt moet worden, vooraleer er 'jahoe' klinkt. Dan verspringt in een nieuwe alinea het perspectief van de tekst naar mevrouw Wolff en is het op z'n zachtst gezegd onduidelijk wie er in haar kamer staat. Buiten is er het lawaai van een motorrijder, die voor het huis stopt, er klinken voetstappen op de trap, de vermoedelijke motorrijder komt binnen, met het dienstmeisje, maar tezelfdertijd rijdt er buiten met veel lawaai een motor weg. De man die binnenkomt wordt eerst Brender ŗ Brandis genoemd en even later neef Karel. Van inspecteur Lupijn geen spoor meer, terwijl hij toch achter het dienstmeisje aan de trap op is gegaan en er langdurig op de deur is geklopt om toegelaten te worden. Het lijkt er op dat de inspecteur vooralsnog uit het verhaal is verdwenen en het stokje aan de personages heeft doorgegeven. Ongeveer zoals de parelgrijze uit 'De reis van de douanier naar Bentheim', die zich zo mooi een vertegenwoordiger van Algemene Belangen noemt, na het begin verdwijnt en het woord geeft aan de douanier en de geschiedenisleraar. Hij komt af en toe nog wel even kijken, vanaf de zijlijn, en neemt de afronding van het verhaal voor zijn rekening.

In 'Gesprekken in huizen aan zee' duurt het maar liefst tot bladzijde 42 voordat Lupijn, maar dan onder de aanduiding "de man met het borsteltje", weer optreedt. We bevinden ons dan in de studeerkamer van de man van mevrouw Wolff, die er zoals bekend dood bij zit. Neef Karel heeft zijn gesprek met mevrouw Wolff beŽindigd en de indruk gewekt dat hij het huis heeft verlaten, maar dat is niet zo, hij is op kousenvoeten naar de kamer van de dode geslopen, waar hij zich alleen waant en vliegensvlug op onderzoek uitgaat. Zo treft hem - citaat! - "een blaadje dat midden op het vloeiblad lag en dat hij daarom steeds over het hoofd had gezien. Er was wel op gekrabbeld maar alles was zeer leesbaar: 'nalatigheid' stond er, 'grove nalatigheid. Zonder voorkennis van superieuren. Middels arglistig zwijgen, dreiging met (onleesbaar) schoenen, achterhoofd, geheel of gedeeltelijk, rechtsregelen, onbevoegd lichtzinnig. Sybariet, bonbon, blagueurmaker'... " En dan volgt de meesterlijke zin: "Karel deinsde achteruit, geschrokken, hier werd hem zowel omstandig als duidelijk iets ten laste gelegd, een en ander zegge en schrijve."

Meteen hierna flitst het licht van een camera en blijken er nog twee mensen in de kamer te zijn, de fotografe en "een man die op zijn hurken naast het bureau zat en dit sierlijk streelde met een borsteltje". Dit is duidelijk het onderzoeksteam Lupijn, plotsklaps versterkt met een politiefotografe. Ook blijkt er zich iemand achter een gordijn verborgen te hebben gehouden, iemand die hem wenkt. Citaat. "Werktuigelijk gehoorzamend naderde hij een jongeman die bij iedere stap veranderde, maar die zijn metamorfosen beŽindigde als iemand die beschikte over een weelderige haardos, veel te weelderig gezien de omstandigheden, een wit overhemd, dat diep openhing, en verder een detonerende rijbroek droeg, die in de schemer onder het raam overging in glimmende rijlaarzen." Dit is jonkheer Koel en na zijn vertrek uit deze scŤne doet de fotografe eerst haar bloes en even later ook haar rok uit en trekt zij neef Karel over zich heen. Die maakt iets nog wat bezwaren, onder andere over de aanwezigheid van de man met het borsteltje, maar de vrouw zegt gedecideerd: Erger mij niet... iets naar links en dan met de rustige slag van wijlen mijn vader. Ook het bezwaar van de nabijheid van zijn dode oom wordt weggewimpeld, waarna de vrouw juist een voorkeur uitspreekt voor seks in de nabijheid van de dood, "ik droom soms dat ik lig te trappelen op een slagveld, als verpleegster. Ik zoek een held uit en doe verder de deur achter mij dicht. (Ö) Ik hoop dat u mij in dezen wilt begrijpen" zegt de vrouw. "Ik begrijp het in 't geheel niet" antwoordt neef Karel dan, "desondanks heb ik het gevoel het te begrijpen."

Het hoeft niemand te verbazen dat deze medewerkster door de man met het borsteltje even later - citaat - "een zelfs als scheefgegroeide incestueuze nog mislukte psychopaat" genoemd wordt. De borstelman noemt zich "een voyeur met een neiging tot gedachtevlucht. Het borsteltje speelt hierin een grote rol, want al strelend en speurend, wat u kunt zien als de penseelvoering van een kunstenaar, ontvouw ik mij." Hij laat neef Karel zelfs weten dat zijn assistente "tijdens jullie cognossement u enkele vingerafdrukken [heeft] afgenomen, die wij, al naar gelang, kunnen aanbrengen waar wij willen. Ik bedoel maar dat lichtzinnige praat aan dees of gene op onverwachte repercussies zou kunnen stoten. Ik voor mij ben vrij speels met indiciŽn die een zaak kunnen verlevendigen."

U zult het met mij eens zijn dat alles wat nu naar voren is gebracht met betrekking tot inspecteur Lupijn, zijn gerichtheid op het witte papier als element van belofte, zijn weinig doelgerichte, maar ronduit literaire onderzoeksmethoden, zijn artistiek geborstel en gemanipuleer, en nog zo heel veel meer, want we zijn nog maar in het begin van deze flonkerende roman; dat dit alles regelrecht verwijst naar onze jarige, de duivelskunstenaar van 49 mogelijke en onmogelijke boeken, die ook in de overige figuren, de novelliste Wolff, de estheet, de poppenspeler herscheppingen van zichzelf heeft gegeven in velerlei gedaante. Zo zegt mevrouw Wolff: "Ik schrijf over dingen die ik ook voor mijzelf geheim wil houden, vandaar mijn onleesbaar handschrift." En de estheet meent: "Een goede bekenner bekent dat hij zelf nog niet wist." Zo is het maar net. Wim, dank voor dit overvele. Ik zal heel graag op verzoek nog veel vaker in jouw bijzijn uit jouw boeken citeren.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright