wbrakman.nl

Engel

Willem Brakman

In de supermarkt werd hij aangesproken, alle grindpaadjes, bruggetjes, trappen en gangen voerden trouwens naar de supermarkt, iedereen uit de verzorgingsflats kwam daar terecht en daar werd hij dan ook aangesproken. Zo op het oog was dat een heel gewone zaak, niet in strijd met het 'verzorgd wonen', maar hij was een oud man en hij hield er niet van onverwachts te worden aangesproken want dat stoorde. Zo was hij bijvoorbeeld in die supermarkt bezig te overwegen of de magere, zeer eiwitrijke kaas vol mineralen die ze daar in kuipjes verkochten en die uit Zwitserland werd aangevoerd, behalve de voor een oud man zo noodzakelijke bouwstoffen aandragen, niet evengoed en voor hetzelfde geld en met dezelfde mineralen de kanker in het zadel kon helpen. Het kon geen kwaad daar tussen de rekken eens te overwegen dat die ene fatale rotcel, door de supermarkt tot aan de tanden bewapend, misschien net op dat vredige moment uit de band kon springen waarop hij na het tevreden boertje het oog liet dwalen over een goedverzorgde ontbijttafel met kuipje.

Zeker, hij was een slap geval, zo stond hij even later te denken in de rij voor de kassa, altijd net niet helemaal fit en al die dingen, en als hij uit een stoel opstond dan vulde dat de ruimte met stenen, klagen en hol geknak van botten, maar hij had toch nog niet die maanbleke dunne moeheid die niet meer wijken wilde. Hij had nog zijn goeie momenten zoals dat heette, maar dat wilde mogelijk zeggen te weinig afweer maar nog net genoeg kracht en kuipje om zo'n gezwel uit te broeden.

Nog een paar kostbare jaren en dan kwam hij in de veilige, gezwelloze regionen van geleidelijke mummificatie en uitdroging, maar daar namen de kansen weer snel toe om, na een volle vuist in de borst plotseling over gazon en daken weg te zweven op een zomerwindje, terwijl het lijf achterbleef voor de huishoudelijke dienst: hand op het hart, oog gedoofd, gezicht van rubber. Zorg, zorg. Voorlopig echter moest dat lijf nog worden voortgeduwd, gevoed, ontlast, gewassen, te slapen gelegd en van mineralen voorzien.

 

Bij toeval keek hij omhoog en zag zichzelf opeens staan in een bolle spiegel, daar aangebracht opdat de geronten niet zouden wegsluipen met chocolade of pepermunt in jasje of tasje. Wel parkeerden en rangeerden in de flats alleen gegoede bejaarden, maar kleptomanie neemt snel toe met het klimmen der jaren. Uitgerekt stond hij daar in den hoge, achter een gebogen karretje, geflankeerd door een heel reclamepakket van zoutloze soepen, lecitinehoudende sojabonen en galdrijvende tarwekiemen. Een groot kegelvormig Bertrand-Russellhoofd zag hij, lange dunne knokkelhanden en hele elegante voetjes in de diepte. Een tragische gestalte, zo plotseling betrapt en bijgebogen, maar zoals Lou Barenswaard zijn Bataks en pygmeeën, zo had ook hij zijn dichters, zijn troostende en bezwerende poëten. Bijna altijd beschikte hij wel over het woord en er waren momenten dat hij vast geloofde dat hem dat had behoed voor een gierende huilbui of op zijn minst voor chaos of verwarring.

 

The tree has entered my hands

The sap has ascended my arms

The tree has grown into my breast

Downward

The branches grow out of me like arms.

 

Zijn inwendig orgaan, zijn innerlijke stem bezat een somber en gedragen pathos dat regelrecht uit het hart kwam en al wat daar lag verzameld. Er school niets in van dat dappere oudje of de naar nobele voleinding toe rijpende stoïcijn. Tussen hem en de kleine dingen van het leven, tussen hem en het park, de flatbewoners hing een sluier van fijn doorwrochte hypochondrie, een melancholiek weefsel van kleine ridicule zorgjes, door anderen luchtig weggewuifd, maar die zijn leven bepaalden. Zijn hoofd was oud maar bezat nog mineralen, en de vijand rukte op, voor 't gemak noemde hij hem de dood en zag hem overal. Hij ontwaarde hem in het zich te pletter vervelende dierenparkje in de zon, lummelend en slenterend tussen bok en ezel en kaalgeknabbelde boomstammen, maar ook school hij raadselachtig in een even hoorbare stem van de buren, een overwaaiende flard muziek of in het onbewaakt uitkiezen van een schone onderbroek met plotseling een verraderlijk vleugje zeepgeur. 0, hij hoefde niet altijd zo duidelijk rond te scharrelen als op de grindpaadjes om de vijver waar het agonale wrakhout traagjes circuleerde met gepleisterde wangen en fungi op de kin, voor de kenner pirouetteerde hij evengoed in de hippe hit die de maaltijden rondkwakte in het schaduwrijke restaurant, met ongekend meesterschap en bravoure.

Hij had ook wel eens geprobeerd om over de dood te schrijven, zich zelfs aan tafel gezet 's avonds na het eten, want om de een of andere reden is dat een moeilijk moment van de dag, maar tot zijn eigen verbazing werden het wolkende, afwezig aan elkaar gezeurde lichaamsdelen van blote vrouwen, vermengd met bomen en cijfers.

Zijn voorgangster bij de kassa was een vrouw die hij nog niet eerder had gezien. In de luidspreker boven hun hoofd zong ook een vrouw: een wat verongelijkte stem riep dat ze niet naar de maan wilde. Wat heb ik daar te zoeken, weende ze, allemaal stenen en woestijn, ik blijf liever bij jou hier want ik wil je kussen. Een tekst voor diep debielen, maar de melodie vond hij wel mooi droevig, daarom keek hij met grote aandacht en met iets van vertedering naar de rug voor hem.

De onbekende verzorgde bewoonster ging voor het grootste deel schuil achter een zwarte gehaakte omslagdoek, wat hij een zeer vrouwelijke dracht vond, het had distantie en ook iets van voorname onderverwarmde woningen met hoge zoldering. Boven die doek bloeide een nog gave wang in het TL-licht, het haar was goed verzorgd, verder leek hem de rug van zeer goeden huize en de benen hadden nog vorm. Dat laatste was in de flats een zeldzaamheid, bij de meeste vrouwen ging het rechttoe rechtaan naar beneden en als het even kon was alles omzwachteld.

Welnu, deze vrouw draaide zich om en sprak: 'Gaat u maar even voor hoor, met die paar kuipjes...' Hij schrok, was even gedesoriënteerd, en het duurde een tijdje voor hij het begreep. Hij was op alles voorbereid geweest, van vergeten beurs met veel geld tussen de blikken tot en met het uitglijden over de veel te gladde vloer naar een heupfractuur, maar niet dat. Het duurde ook verder nog een tijdje voor hij zag dat ze ook werkelijk een nog rond ovaal gezicht had, verfijnd door vermoeide oogleden en een lichte bleekheid. Over alles lag een vleugje feodale tragiek, vermoedelijk een overleden man, een brouille in de familie, of kinderen die zich niet meer lieten zien. Gaat u maar voor hoor had ze gezegd met nog soepele gebaren van pols en elleboog...

Zijn verder optreden was van een nobele regie, het pakje tabak rolde op de grond, geld rolde over de toonbank en verder was er natuurlijk weer het verdomde probleem hoe het bedrag hulpvaardig af te ronden, naar boven of naar beneden. Zijn berekeningen ontlokten altijd grote verbazing, maar het ging zoals het ging, hij kon het ook niet helpen, hij was een oud man. Er werd voor hem afgerekend, geld uit zijn portemonnee gehaald en er ook weer ingestopt, en zijn vingers er ten slotte omheen gevouwen. De stem van de caissière, even afgedwaald voor een paar woorden met de indrukwekkende voorgangster, was weer teruggevallen tot die half zingende spreektaal die begrip, toegevendheid en geduld moet suggereren, maar waarin de klank huist van gerontocide. Geldbuidel, stok, draagtas (motto: behoud de Waddenzee), en zichzelf weer moeizaam integrerend keek hij scherp uit de ooghoek en verzamelde nog wat waakzame donkere ogen, een toch wel vastbesloten gezicht en een nog levende glimlach.

Geschokt verder wandelend overwoog hij hoe toch een niet echt mooi gezicht mooi kon zijn. Geest, dacht hij, deernis, fijne essentie die zich meedeelde aan wang, oog, rug en hem. Hij besloot op zijn kamer wat op bed te gaan liggen, een schone handdoek over de ogen en wat over haar na te denken. Dat deed hij, wie of wat had hem ook zullen tegenhouden, het was bijna etenstijd en er was niemand meer in de tuin. Wel viel hem al wachtend voor het eerst de tekst op bij de lift, zo vaak gezien en nooit echt gelezen.

Bovenste knop indrukken als u naar boven gaat.

Onderste knop indrukken als u naar beneden gaat.

Dit voorkomt lange wachttijden.

Op bed vouwde hij een hand op het hart voor alle zekerheid en staarde in die zwaarteloze ruimte tussen oog en handdoek die zo weldadig moest zijn voor hart en bloedvaten.

Natuurlijk ging het eerst mis en verdwaalde hij tussen de runen van zijn geest. Hij ontmoette een borstloos meisje met wat bomen om zich heen, ze hield ervan zijn haar te wassen, zei ze heel dunnetjes. Daarna keek hij op haar neer en ook op zichzelf, horzels staken in zijn rug, zijn benen lagen in brandnetels en er was het geluid van veel wind in de kruinen. Scherp luisterend naar mogelijke voetstappen tussen de bomen om hem heen werd hij wakker, met ogen nog groot van verbazing. Verdrietig ging hij op de rand van zijn bed zitten en keek neer op zijn voeten die in rode nylonsokken even boven de vloer bungelden. Eigenlijk verdrietige voeten dacht hij nog, maar koninklijk en alom benijd schreden ze al over het gazon en naast de hare. Lijfwarm ondersteund vlocht hij gras, zon en veiligheid tot een groot zomers visioen van Europa: het groen van Frankrijk, het blauwgrijs van Spanje, een Portugal geel als duinzand en Italië nog geler. Engeland was roze en Zweden bijna geheel omringd door lichtblauw water. Een edel, hoogopgericht land dat Zweden, een land dat de Oostzee droeg als een stola.

Er waren drie figuren die hem de illusie gaven niet alleen te zijn, het was het destillaat uit een meer van stereotiep gewouwel en in de loop der tijden vele malen op gebruikswaarde getoetst. Van der Does te Bie, lid van de bewonerscommissie en oud-rector van een gymnasium, was de centrale gestalte. In hem was de filosofie vlees geworden in een wat gezette professoraIe gestalte met een klein beweeglijk grijs baardje en koude, porseleinwitte handen. Het was een man die met dezelfde noodzaak en vanzelfsprekendheid Kant, Leibnitz en Heidegger afscheidde als zijn nieren de urine. Hij bezat een indrukwekkende hoeveelheid kennis en hij vocht in de stilte van het verzorgd wonen om bewaard te blijven voor de zinloosheid daarvan.

Barenswaard, de verfijnde, was ook uit het onderwijs, uit de oude talen. Aan het eind van een opvallend lang en dubbelpezig nekje deinde een fijnbesneden kaal hoofd dat hij trillend en bewogen omrankte met arabesken, in de lucht geplaatst met sidderende dunne nicotinevingers. Hij leed aan de citatenkwaal, geen Vergilius of Homerus, maar, bij Zeus, Bataks en pygmeeën. Oververfijnde vingertoppen plukten de inheemse poëzie uit de ruimte en stoorden stilte of gesprek met het plaatsen van met alles en niets samenhangende verzen, zoals:

De wind waait door de mist,

de wind waait door de nevels,

door de jonge uitlopers waait de bries.

Dat hij het inheems en verfijnd toch over heel wat anders had bleek toen hij zich plotseling als leidsman en raadsman onthulde van gedroste Portugese soldaten. Opeens droeg hij lichte pakken en gekleurde overhemden met open kraag, en onoverzichtelijk Bataks waren zijn verhalen over Angola en Parijs. Soms toonde hij een olijfkleurige knaap, een Augusto of Augusturo, zwart van kuif, donker van oog, smal van bil. Ongemakkelijke zwijgers aan tafel, maar waar hij later mee over het grasveld wegwandelde, hand in hand en een glans op de schedel. Toch waren het geen praters, dat had hij ook niet kunnen hebben, hij was een oud man die zijn rust nodig had. Een enkele maal zeiden ze wel wat, maar dan als het ware terloops, verstrooid, meer bedoeld als constatering voor zichzelf dan als vraag. Een porseleinen hand maakte zich los van de knop van de Malagastok, ordende eerst wat aan het baardje, waarna vooroverbuigend over de tafel: 'Het enige werkelijke probleem amice... is dat van de eenheid in de veelheid. Zo komt me dat voor...' De witte hand zweefde terug en legde zich sidderend weer op de andere.

Ook de brave Laborie genaamd Eelk Jan gaf geen moeilijkheden, wat toch opmerkelijk was want hij was diep christelijk, had zelfs, onder narcose voor een heupoperatie, een 'opdracht' ontvangen en was daarbij bijbelvast gelijk de concordantie zelf. Hij was een oud-rechter, had een wat naar één kant overhangend ivoren hoofd, een dwangmatig pruimzeggend mondje, was mager als een talhout en zijn stem, hoewel zwak, hees en droog, drong overal doorheen. Dat laatste was belangrijk, want een minuscule attaque, kwestie maar van een paar dagen, had hem een geringe afasie bezorgd, een wonderlijk net voorbij het woord grijpen, dat zich echter maar een enkele maal openbaarde, zoals destijds op het terras toen hij, zijn middagslaapje aankondigend met zijn hoge, schurende stem de zin plaatste: 'Nou hoor, ik ga dan even neuken.' Hij bedoelde natuurlijk dutten maar het had niet veel consternatie gegeven, hoogstens een lichte bezorgdheid, zij hadden oude hersenen met een instinct voor dit soort schampschoten.

0, ze hadden wel kunnen spreken, meeslepend zelfs, vervoerd, met bittere mond of de handen voor het gezicht geslagen, maar ze wisten heel in de diepte dat het vreselijk zou zijn geweest, al die zwarte gaten opeens, verdriet, verwijt en de kerende galm van de zinloos geworden inzichten. Daarom beheersten ze zich en spraken mondjesmaat, maar hem zweefde verraderlijk toch iets anders voor de geest na zijn ontmoeting, iets van hoger orde, een hoofd zonder kwellende inhoud maar vol troostende vormen, een stijlvolle leegte waarvan de oneindige rust werd aangegeven met ‘wil je koffie? wil je er ook iets bij?’ of ‘lig je wel warm?’ en al die dingen.

Ze woonde niet in een van de flats maar in het dorp een eindje verderop, een eenvoudige informatie, maar het duurde toch een volle week voor hij dat had uitgevonden en dat was zonde van de tijd. Als ze kwam, zo redeneerde hij, dan kwam ze natuurlijk iemand bezoeken, en hij begon zijn rondjes te draaien: ‘s ochtends zo voor de koffietijd, ‘s middags om de theetijd en in de avond omstreeks de gemiddelde visitetijd, hoog opgericht en zo vitaal mogelijk voortstappend naar de toevallige ontmoeting.

Natuurlijk zag hij haar terug op een heel andere tijd terwijl hij nietsvermoedend voortstapte over een parkpaadje. Ze was zomers gekleed, elegant vond hij, met iets langs om de benen en van boven een witte bloes met een jasje dat zweemde naar de herenmode. De man die naast haar liep herinnerde hij zich als de onderdirecteur Bierens, het was een oud-politiearts, altijd overdreven gebruind, het spierwit afstekende haar strak achterover gekamd. Nog niet zolang geleden had hij met de man een gesprek gehad over cholesterol en hij herinnerde zich nog een sterk naar pijptabak riekende adem.

Hij omklemde zijn stok, verliet vastbesloten het pad hoewel dat eigenlijk verboden was, en begon over het gras naar hen toe te lopen. Ze waren niet in gesprek zag hij, maar dribbelden in gedachten naast elkaar voort, zodat hij een paar maal moest hoesten voordat ze hem gewaar werden.

Ze stonden tegelijk stil. ‘Ahh,’ zei de rijzige polietieheer, ‘dit is Ko-Sang,’ hij raapte een pekineesje op dat vlak naast zijn voeten had gelopen en streelde het met bruine rimpelige vingers. ‘Een logeetje,’ zei de vrouw met mooie ogen en eigen tanden. Vooral grote ogen had ze en hij herinnerde zich eens gelezen te hebben dat de ogen van een mesmerist enorm groot worden voor zijn slachtoffer. Een plotselinge windvlaag ruiste in de kruinen boven hun hoofd en plantte zich voort in een grote boog om het gazon.

‘Ergens onweer geweest,’ zei Bierens en hij speurde met kennersblik de hemel in. Het weer was inderdaad omgeslagen, de stekende zon had plaatsgemaakt voor een fijn gefilterd licht boven de daken terwijl de lucht boven hun hoofd groenig versomberde. De vrouw glimlachte voor zich uit richting vijver. ‘Het wrak van de kassa,’ zei hij met een wat hulpeloos gebaar en een buiginkje. ‘Ahh,’ zei de vrouw niet begrijpend, ze gaf een zwaarteloze hand met glinsterende toppen, neeg even met het hoofd en ging zelfs even door de knieën. Daarna keken ze gedrieënlijk in de lucht die donker en onweersachtig opdoemde boven de steeds wittere dakranden van de flats.

Speurend naar de te verwachten lichtflits dwaalden hun ogen heen en weer langs het rollende zwerk en zagen zo bijna gelijktijdig (ook de pekinees gromde) de zwaaiende en fladderende reuzenvogel uit de hemel tuimelen; hij scheerde onhandig langs de centrale antenne, miste op een haar na de dakrand en kwakte daarna klapwiekend op het gras naast de vijver. Een wonderlijke, wat tumultueuze afdaling die het midden hield tussen het afschieten van een gigantische roofvogel en een beginneling op de ski’s die in de ijzeren greep der natuurwetten ruggelings een steile helling afsuist. Niemand sprak een woord, in hun oren klonk nog het zwiepen van de vleugels, een geluid alsof iemand woedend in het rond sloeg met een bamboestok. In de verte rommelde het, op het terras ging een glazen deur open met even een lichtflits, een huisbediende trad naar buiten, uit het gras, de boterbloemen en de lissen bij de vijver stak een grauwe vleugel omhoog. ‘Mijn God,’ fluisterde de vrouw.

In de verte, met spitse en zachte voeten ging Laborie genaamd Eelk Jan over het gras. Een lieve man volgens die voeten en zo was het ook, zijn loop, zonder meer eigenaardig te noemen, was al door velen nauwkeurig geanalyseerd. De oorzaak was een plastic heupkop en -kom waardoor hij op de een of andere wijze in een andere richting werd gedwongen dan hij wilde gaan, een soort heupafasie. Voortdurend moest hij zich rukkend corrigeren, maar door zijn blij en zacht karakter werden dat opgewekte, bijna jonge- meisjesachtige bilslagen. Zijn verschijnen bracht ook hen in beweging, ze liepen langzaam, voorzichtig en uiterst waakzaam naar de vijver. Eerst van dichtbij zagen ze dat het een oude man was die daar lag, een bruin wollen, rommelige massa met een wat vaag nog bewegende hand en verder veel veren en pennen. Een kaal bleek hoofd met hier en daar nog wat slierten grijs haar lag opzij gedraaid in het gras zodat de mond goed te zien was: een in de diepte gefrummelde trechter met op de bodem een zwart gaatje waaruit een streepje geronnen bloed.

‘Een of andere stomme reclamestunt,’ zei de onderdirecteur. Na al dat dubben en denken over de vrouw leek haar gezicht ondanks alle actie heel onwerkelijk, zacht en groot, het dwong bijna tot aanraken en strelen. Hij zag haar knielen en een vastberaden en welverzorgde hand leggen tegen de smoezelige oude wang van de duikelaar. ‘Tik van een vliegtuig gekregen zeker,’ zei de onderdirecteur weer, die blijkbaar in grote dimensies dacht. ‘We moesten hem eerst maar eens naar binnen dragen,’ zei Laborie genaamd Eelk Jan, zijn stem klonk hoger dan gewoonlijk, zijn gezicht was tuitvormig en trillend uitgerekt, de handen hield hij ineengeslagen voor de borst. ‘Wat het ook is,’ zei de huisbediende uit het restaurant, ‘het is kapot en dat is zeker.’ Dat bracht hem blijkbaar op een idee, want hij beende weg met grote stappen om even later terug te keren met de brancard uit de ziekenboeg die hij met een zekere trots op het gras smeet. Echt op de brancard gelegd werd hij natuurlijk door de bediende, maar allen hielpen mee met een rukje en een plukje, met lange voorzichtige vingers, even huiverig als nieuwsgierig. Eindelijk waren ze op weg naar het restaurant, de kelner voorop, aan het andere eind het luid steunende groepje dat ervoor zorgde dat het vervoer vooral dramatisch verliep: ‘niet te snel!’ ‘mijn hart!’, ‘willen jullie me ernaast hebben?’, ‘te drommel! dat schiet me daar opeens ..... .o God! pas op, een kuiltje...’.

In het restaurant werd de last schuifelend en blazend op twee haastig aaneengeschoven tafeltjes gelegd, iemand stak de lamp aan vanwege het donkere weer. Toen de paardedeken werd weggetrokken lag de ongelukkige reclameartiest duidelijk zichtbaar voor iedereen in het kringetje. Ze bogen zich voorover, hij leefde nog, goddank, de borstkas bewoog. Op die borstkas daar vroom saamgevouwen door de kelner lagen opvallend kromgewerkte handen, dat wil zeggen ze waren overdreven dik in de polsen en de andere knoken en hadden zwarte en slecht verzorgde nagels. Zo rood en dik deden ze denken aan een bos peen. Ook verder zag de stuntman er niet al te best uit, zo’n ingesneden peelwerker-turftrekker-Borinage- gezicht en dan waren daar nog die diep ingezonken en gesloten ogen en de open mond met dat omineuze streepje bloed.

Voorzichtig draaide de kelner de man op de zij om hem zijn veren pak uit te trekken. De rug was bloot, een ouwe-mannetjesrug: los vel vol sproeten en meeeters. Toch was goed te zien hoe de slagpennen met een bijna komisch aandoende vanzelfsprekendheid in een grote kam met de rulle huid waren vergroeid, die hier en daar dun en vliezig tot ver over de schachten groeide of in de diepte de pennen blauw liet doorschemeren. De veren waren vaal geel, voor een groot deel verward en geknakt en wemelden van het ongedierte. Laborie was de eerste die het uitsprak: ‘Dit,’ zei hij stotend, ‘is een vlerk.’

De onderdirecteur knikte bezorgd, ‘tja, verdije, het is een engel, dat moet maar niet in de flatkrant.’ ‘De vogel vliegt uit, hij trekt, hij sterft. En de grote koude heerst,’ zei Barenswaard die ook opeens aanwezig was. Het was allemaal zo druk en verwarrend, hoe zou hij ooit voor haar bestaan buiten deze mensen om. Terwijl hij al een stap naar haar toedeed pijnigde hij zijn hoofd nog af naar iets door en door menselijks, iets van definitieve klasse. ‘Hoe is het met uw rug de laatste tijd,’ fluisterde hij opzij. ‘O heter,’ glimlachte ze dankbaar, ‘alweer een stuk heter, dank u.’ Later werd besloten de engel vanwege de doordringende vislucht die om hem heen hing van de ziekenboeg naar de schuur van het dierenparkje te brengen; het was er droog, hij lag er bijna weer onder de blote hemel en niemand in de weg. Ze hadden er een veldbed neergezet, een kussentje onder zijn hoofd geschoven en de deur op een kier gelaten voor het geval hij weg wilde vliegen. Het was allemaal buiten hem om gebeurd, hij hoorde het pas de volgende dag en in de nacht daarop was hij wakker geschrokken, bibberig in de knieën opgestaan en op het balkonnetje gaan kijken of het schuurtje ook lichtomstraald was zoals hij had gedroomd, maar alles was duister en stil.

Ze was wat neutraal en gepreoccupeerd toen hij het haar vertelde, maar toch wel vriendelijk. ‘O, u had wel een kou kunnen vatten.’ Hij zag haar gaan door de schemerige gang met verend uitzwaaiende rechterarm, een vrouw voor een badplaats, concerten, een promenade. Het weinige dat ze gezegd had groeide toch nog uit tot een hartelijke, warme begroeting, en hij vertelde erover op het terras, vooral over de zorg voor het kouvatten. Ze zaten amechtig in de schaduw en staarden uit over de gazons waarop het zonlicht blakerde en trilde. ‘Och, we hebben nu een beschermengel,’ zei Van der Does te Bie mat, terwijl hij zich het voorhoofd bette. Hij zag bleek en vlekkerig, zijn handen waren vochtig en witter dan ooit, maar ondanks zijn bekend grote en chronische angst voor een kennisverbrijzelende beroerte deed hij aan de hitte geen concessie en bleef hardnekkig in boord, das, vest en colbert. ‘Maar een die zelf verongelukt,’ zei Barenswaard, en hij blies verachtelijk een pluim sigarettenrook in de zon. Het bleef even stil, ook tussen de pygmeeën. ‘Hij lag er nog net zo,’ zei Laborie, klagerig opduikend uit gepeinzen. Dat was mild gesteld, de blauwe, zomerse veelbelovende ochtend van de vorige dag was Laborie genaamd Eelk Jan richting schuur gewandeld, sereen op weg naar de hemeling met een zacht gekookt ei, warme, toegedekte melk, toast, bruine suiker en een potje pittige ochtendthee. Hij liep iets boven het gras en in zijn hoofd zongen de teksten: ‘looft den Heer en Zijne engelen’, ‘en ik zag een engel afkomen uit den hemel’, ‘de Heer heeft Zijn engel gezonden’, ‘een engel des Heren stond daar’, maar de oude had luid snurkend op de zij gelegen, handen tussen de opgetrokken knieën, de verdroogde vale museumvleugels rommelig en piekend tussen rug en wand.

Laborie genaamd Eelk Jan herinnerde zich huiverend vooral veel onzekerheden: de boosaardige of onhandige, maar misschien toch onschuldig in de slaap uitgevoerde bliksemsnelle flap met een vleugel die het hele theeblad had doen exploderen. Met een gil was hij weggerend, de armen voor zich uitgestrekt en met een door de hete thee verbrande hand, die daar nu in een triest wit verband op zijn schoot lag.

Maar Laborie, al te vaak in zijn leven de mond gesnoerd wanneer hij met steeds hoger klimmende stem Jezus wilde verdedigen tegen kribbige bejaarde aanvallen, bereid tot lijden en weer gesteund door heel andere teksten, was de volgende ochtend opnieuw poolshoogte gaan nemen. Over het walmend gras was hij voortgeknakkeld, de mond spits en vastbesloten toegeknepen. Hij had zijn teksten ook wel nodig gehad; geknor en onverstaanbare kreten stegen uit het schuurtje op, zo op het eerste gehoor leek het wel op een blaffende ruzie tussen twee of drie mensen.

De deur was onverwachts opengevlogen en wolken stof, stro en veren stoven naar buiten. Nu en dan klonk ook een bons tegen het hout van de schuur gevolgd door een metalige schreeuw van woede en pijn. Ook was er het geluid van tierende en vloekende schippers en zo snel zijn heupkommen het toelieten had hij zich omgedraaid en was weggedraafd, geheel ontdaan en zwak in de blaas. Niets had hij erover losgelaten, maar hij had durven zweren door het wolken van het stof heen op de vloer bloed te hebben gezien, iets met harig vel dat uit elkaar was gescheurd, een bokje?... een geitje?... Voorzichtig nam hij nu en dan een slokje van zijn limonade, waarin wat ijsblokjes dreven, maar telkens als hij even voorzichtig overwoog dat het grote en soms zo donkere universum mogelijk niet lief was klepperde het glas zachtjes tegen zijn tanden. Tja, wat voor een engel... Zijn blik dwaalde over het terras en over de witte gezichten die zich hadden teruggetrokken in de reep schaduw. De meeste van die gezichten kende hij zo goed dat hij ze kon vergroten als in een telescoop. Hij koos een knokig gelaat naast een glas thee met fonkelende lepel, de wangen zo dun en mager dat het gebit erdoorheen te volgen was en de kaakspieren zich aftekenden als touwtjes. Het hoofd hield de ogen vermoeid gesloten en wachtte... Een tikkende stok op de tegels vroeg aandacht voor een gezicht dat maar voor de helft grijnsde, slim of seniel, dat viel niet uit te maken... Wat voor een engel...

‘Ik ken eigenlijk alleen Doré-engelen,’ zei Barenswaard terwijl hij Bataks en pygmeeën het zwijgen oplegde, ‘prachtige grafknapen met onvergetelijke handen en voeten.’ Niemand gaf antwoord, in de verte, aan de uiterste rand van de grasvlakte liep de engel, een wat krom bruin mannetje met bedeesd afhangende vleugels. Het lag allemaal zo in de verte dat het was alsof het niet gebeurde; een nu en dan bukkend kereltje door niemand lastig gevallen, dat eens tegen een steentje of dennenappel schopte of wat naar boven keek, alles trillend en veraf, alsof het gebeurde achter een wolk doorzichtige stoom. De engel verveelde zich, dat was duidelijk, een enkele keer deed hij wel even een hupje met een vleugelslag, maar het ging allemaal te slap en interesseloos. Hij verbaasde zich dat hij het gezichtje op die afstand zo scherp kon zien als was het een foto op de palm van zijn hand. Een bruingeel gezichtje was het, kreukerig en droog zoals de binnenkant van een walnoot. ‘Engelen en demonen,’ zei Van der Does te Bie terwijl hij met een witte vinger even de boord lichtte, ‘allemaal Perzisch spul, oosterse verontreinigingen. Vondel geeft ze klauwen meen ik, een rug vol borstels, drakenvleugels.’ ‘Ja, de gevallen Lucifer,’ zei Laborie opeens met kippenvel ‘Nou, deze viel toch,’ zei Van der Does vermoeid, ‘of niet soms?’ ‘Wis en waarachtig,’ zei Barenswaard terwijl hij de ogen met de hand afschermde tegen de zon, ‘en hij kwakte wel bijzonder onthullend neer moet ik zeggen. Het was er beslist een uit die twaalf legioenen, uit de staart losgeschoten en heelal na heelal doorgefloten op weg naar juist dat grasveld daar.’

In de verte was de engel gaan zitten en plukte verveeld aan het gras. Zijn blik dwaalde van het bruine figuurtje weer terug naar het terras, witte gezichten in een hittegolf, stille wanhopige drinkers uit kopje of glas, dicht bij elkaar maar zo alleen als stenen aan het strand. Hij zag, maar uit gesprekken wist hij dat allen zagen zoals hij, discreet maar genadeloos. Niets kon hen ontgaan: een even bezorgd afdwalen van de hand naar eenzelfde plekje op de buik, de eerste ritmische siddering van het hoofd, gisteren nog niet aanwezig, de eerste glans van de staar, het blauwe knobbeltje op de lip, het opeens vermageren. Ze zagen en het vonnis was geveld, bruut, bezwerend en verlossend.- ‘ahh, die hebben ze te pakken’, ‘die is er geweest...’, ‘dat is er een voor Lombok...’. Ja, wat voor een engel... ‘Gabriël,’ teemde Barenswaard, bijna neuriënd en hij liet een veer tussen zijn spitse toppen draaien, ‘Rafael, Apollion, Beëlzebub,’ en plagend streek hij even over de magere kaken van Laborie. ‘Laat dat,’ zei deze licht geërgerd het hoofd afwendend, ‘dat glimt.’ ‘Perzisch, Perzisch,’ zei Van der Does met doffe stem.

Waardig, hoewel wat duizelig stond hij op van zijn stoel, een licht gekreun onderdrukkend, en overzag in gedachten de weg die hij zou moeten gaan naar zijn kamer voor een middagdutje. Op de een of andere manier voelde hij zich tegelijk superieur en licht in het hoofd. Zijn stok omklemmend keek hij naar de gezette Van der Does, bijna ziek van de hitte, de mummelende mond van Laborie genaamd Eelk Jan, het droge schilfernekje van Barenswaard in jongensachtig wijd open kraag. 0 zeker, dacht hij wegwandelend, als hij die vrouw was, hij zou zeker de voorkeur geven aan hemzelf. 0 zonder meer. Hij rilde, zeker toch een kou gevat.

Misschien kwam het doordat hij in de loop van de dag te veel thee dronk, misschien door het cognacje voor en na het eten, de hitte of door de plotseling gemobiliseerde geluksverwachtingen omtrent zorg en de vrede der ziel, maar hij kon de slaap niet meer vatten en kwam na een paar doorwoelde nachten in een toestand van wonderlijke, nerveuze helderheid terecht. Het begon ermee dat hij in het park, in de buurt van de vijver, een man aansprak die hij in het geheel niet kende, en vertelde dat hij van plan was te trouwen, ja een heel nieuw leven wilde beginnen met de vrouw waar hij van hield, of nauwkeuriger uitgedrukt, de vrouw waar hij soms van hield maar die hij altijd hoogachtte. De aangesprokene was een heer die ondanks de hitte een bruine hoed droeg, misschien trok die kleur hem aan, want hij zei, en hij hoorde het zichzelf doen, heel ijl en lucide dat hij zich door die hoed zeer aangetrokken voelde, stijl, smaak en zo, en verder met plannen rondliep die verband hielden met een huwelijk, het matrimonium.

De man antwoordde heel redelijk dat het een prachtige ochtend was en verder een prima plan. Hij wenste hem zelfs geluk, maar zijn ogen waren groot en rond en wisten heel precies wat ze zagen: iemand die niet helemaal goed was in de knar, kiedewiet of dronken. Dat waarschuwde hem en hij dacht: ‘Ik moet in de rij blijven, niet opvallen of het hele “verzorgd wonen”, commissies incluis rolt over me heen, maar even later zat hij achter de hit aan van het restaurant om, zoals hij haar voorhield, ‘wijsheid te enten op de jeugd’. Hij zei dat het prima weertje was voor een vakantie, voor een dagje er eens helemaal uit, Dieppe of zo. In feite, zo zei hij, dacht hij erover zich van banden te bevrijden, verzorgd wonen bij voorbeeld, de weg op te gaan, tussen de wielen, een libre penseur en route.

Ze keek hem stil en serieus aan en zei niets, zodat hij moest retireren en zeggen dat hij haar om zo te zeggen slechts figuurlijk had aangesproken. Hij mompelde nog iets over ‘de zigeuner in ieders bloed’ en wandelde weg met bezwete rug, maar... met waardigheid. De avond trof hem echter weer op straat aan, buiten het flatterrein waar hij zich liep te verontschuldigen omdat hij voortdurend tegen iemand aan botste, bij voorbeeld tegen dat meisje met die plompe indecente witte benen die te volgen waren tot aan haar navel. Haar gezicht was stopverfkleurig, verveeld en leeg, de uitdrukking van een aardappel, maar bij nader inzien zag ze er toch wel gezond uit. ‘Ontwaak!’ dacht hij met een golf van warmte, ‘ontwaak lief kind,’ want hij vermoedde dat ze de hele dag typte en kaarten sorteerde in een kantoor met besmeurde ramen en uitzicht op een rangeerterrein, en dat ze daar rondliep hongerig naar avontuur, liefde en leven.

Als ik haar voorbij loop dacht hij, dan is ze voor mij zo goed als gestorven, want nooit zal ik haar terugzien, uit, fini. Maar ze zat opeens op een bankje, hij stond ervoor, keek scherp om zich heen en zat ernaast met grijnzende kaken die nu en dan fel werden beschenen door voorbijsuizende koplichten. Hij maakte haar complimenten en ze zei natuurlijk ‘wat zegt u?’, maar hij zei hoe heerlijk het was om jong te zijn, alle cellen nog bol en vol sap en de huid strak en rond op alle, alle plaatsen van het lichaam. Of ze ook kennis had aan een leuke jongen, zo eentje die flink zijn best deed om vooruit te komen, een hitsige keuter die niet bij de pakken neerzat. Dit laatste met een knipoog, maar op dat moment sloeg ze hem midden in zijn gezicht, pats! lampionnen!... fluittonen!... regenbogen! Ze sprong op, wrikte met ‘r gat en tikkerde weg op veel te hoge hielen. Die kon wel op zichzelf passen dacht hij nog met genegenheid, een goed kind, nog een met principes, die kwam er wel, en hij besloot, om misverstanden weg te nemen haar achterna te lopen en eens flink in dat achterwerk te knijpen.

Hij vond zichzelf weer terug in de lift met enkele andere mensen die zeiden hem naar bed te willen brengen, en hij riep nog: ‘Vrienden! als we naar boven moeten, bovenste knop indrukken.’ Weer rondkuierend door de tuin, nog wat ijl in het hoofd maar verder geen averij, schaamde hij zich diep over zijn gedrag. Al herkauwend kreeg hij een afkeer van zichzelf want stijl was hem alles en hij had zich stijlloos gedragen. Toch had hij dat meisje wakker willen maken, gelukkig, en kon maar moeilijk geloven dat hij onoirbare handelingen had gepleegd en woorden gesproken van dergelijke strekking. Maar daar was Laborie geweest op zijn pad, fragiel al op weg naar iedereen, zijn charitas in de aanslag, maar met een zuinig en bedenkelijk mondje. ‘Cochonneries mijn beste,’ een bleke slappe hand kantelde ook al bedenkelijk in de lucht: ‘Des cochonneries!...’ Ach, wie houdt er ook van de oude man, hij is een pest, hij heeft geen plaats meer in deze wereld. Door verraad zijn de ouden omgeven, ze worden beduveld voor eigen bestwil zoals dat heet, en niemand neemt meer de moeite iets uit te leggen aan wat toch spoedig in het graf zal liggen. Deze en dergelijke bittere gedachten spookten door zijn hoofd, ook zijn poëten lieten hem in de steek, lieten hem achter met een hinderlijke woordsliert, ‘wat moet ik op de maan, dat is voor yankees en de Russen, ik blijf hier en wil je kussen’, waarvan hij bij God niet begreep hoe hij eraan kwam. Ook de omgeving was veranderd, de plaats die hem vertrouwd was als geen, leek voor zijn nerveus knipperende ogen zo onnatuurlijk alsof ze was getransponeerd naar een andere wereld: het gras onwerkelijk groen, de lucht bleekblauw en zo schel dat het hem keer op keer deed schrikken.

Nee, er moest iets gebeuren en dat gebeurde dan ook. ‘Maar wij moeten toch nog eens een praatje maken,’ zei ze, terwijl ze plotseling uit de grond rees. Zijn ogen werden vochtig, altijd had hij zich tot vrouwen aangetrokken gevoeld, als door een vreemd ver land, als door een religie met veel rust, schemer en mystiek. Dat had hij tegen haar moeten zeggen dacht hij terwijl hij haar nakeek, maar denk daar maar eens zo gauw aan.

‘s Middags ging hij naar haar kamer; tegenover elkaar in een stille kamer, thee tussen hen in zou hij haar zeggen dat hij zich in zijn leven honderden malen een eenzaam man had gevoeld, maar dat hij nooit werkelijk had geweten wat eenzaamheid betekende, er was altijd nog wel ergens iemand geweest die van hem hield. Maar nu had hij het gevoel de laatste te zijn in een rij, met tocht en kou in de rug...

0, nee, zou ze roepen maar ze riep niets, er was zelfs een moment in haar ogen van ‘waar ging het ook weer over’. Toen hij haar zag had hij het gevoel terecht te zijn gekomen in de hogere cirkels van bestuur, raad van toezicht, onderdirecteur. Ze was strak gekleed, in het wit, het haar achter in de nek saamgebonden. Op het bureau lagen formulieren, in een muurkast zag hij stapels witte tijdschriften en een bloeddrukmeter. In de kamer hing een lichte geur van carbol. Hij zei dat hij het slachtoffer was geworden van omstandigheden, dat het meisje hem had aangesproken... ‘Ja natuurlijk,’ zei ze vriendelijk maar met haar gedachten elders, en ze schikte wat aan de formulieren. ‘Was het een aardig meisje?’ ‘O ja.’

Ze klikte een paar maal met de balpen en schreef toen met glimmend gelakte toppen iets boven aan een formulier. Hij keek uit het raam, ze had een prachtig uitzicht over bijna de hele tuin. Bij de vijver liep de engel, hij hupte klapwiekend wat omhoog en rolde weer over de grond met in de lucht malende houten beentjes. Door al het gebuitel was de wollen pij goudgeel van het stuifmeel, de lissen en de boterbloemblaadjes. Alsof hij wist dat hij werd bekeken spreidde hij langzaam en plechtig zijn vleugels uit, daarna begon hij zijn aanloop met grote, gravende passen als van een hoogspringer. De bruine pij hield hij in een knoedel opgetrokken voor de buik, maar opeens lag hij plat op de vleugels, geel glinsterend en moeiteloos op weg naar de ruimte boven de bomen. Daar in al dat zomerse blauw verkleinde hij zich snel tot een puntje, dat nog even opflakkerde en daarna verdween. Hardnekkig bleef hij nog een tijdje speuren, maar de hemel waarin de engel was verdwenen werd steeds stiller, leger, kleurlozer en ook steeds maar wijder.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright