wbrakman.nl

Willem Brakmans dankwoord uitgesproken bij de viering van zijn tachtigste verjaardag

Amsterdam 13 juni 2002.

Schrijvers zijn tobbers, ik ben het in ieder geval en het zal u dan ook niet verbazen dat ik de feestelijkheden wat wil verhogen met de vraag "waarom schreef ik eigenlijk"? Toen ik met schrijven begon had ik nog nergens last van, de zinnen wandelden voor mij uit en ik had niet te klagen. Ik heb laat gedebuteerd zoals men niet naliet argwanend te vermelden en zo overwoog ik al gauw enkele antwoorden die naar ik hoopte in de smaak zouden vallen want men kan nooit voorzichtig genoeg zijn in de literatuur. Zo probeerde ik de lust tot schrijven uit, ook de behoefte ervaringen aan het woord te onderwerpen, of omdat zoveel anderen zo goed hadden geschreven, of omdat ik gewoon buiten mijzelf om al met schrijven begonnen was. Eerst later kwamen de andere antwoorden, de tobberige. De mens zo las ik bij elkaar, is een geestwezen en geest dat is anima, nous, spiritus, pneuma, mens, adem, wind en dat klonk alles bij elkaar als een terechtwijzing. Wilde ik door mijzelf ernstig worden genomen dan diende ik ruimte en diepte van mijn geest te sonderen, zoiets als het roepen in een donkere schacht om middels de echo's de afmetingen vast te stellen. In mijn krachtige jaren bestreed ik daar mijn slapeloosheid mee, uiteraard met weinig succes en dat is goed. Ik leed trouwens al aan slapeloosheid nog voor mijn geboorte en het heeft de Here dan ook behaagd mijn levenspad danig met moeiteloze snurkers te voorzien, alles voor het goede doel. Later, al wat zwak in de knieŽn, hield de boeiende omgang van mijn bewustzijn met zichzelf mij evenzeer wakker als overeind, wat in de literatuur van dit land iets is om even bij stil te staan en vervolgens te onderstrepen.

De blik die bij dit alles past is de eigenzinnige blik naar binnen en bij mij richtte hij zich ook zonder aarzelen op mijn jeugd, een gebied waar zich onthutsend veel had genesteld: stapels blikken uit de ooghoek, veel murmel en mompel achter deuren, kasten vol geruchten en vermoedens. Een volheid waarin veel figuren in mijn naam hebben rondgeslopen en er het hunne van hebben gedacht.

Herinneren is de strijd tegen de tijd en ik ben een genuine herinneraar want veel ontvouwt zich alleen in de herinnering. Afgezien daarvan, maar er toch innig mee verbonden bezat en bezit ik een welhaast pathologisch ervaringsvermogen en wie dat bezit ervaart veel en wie veel ervaart kan zijn mond niet houden. Zoiets ergert, ergerde en zal nog ergeren want een dergelijk individualisme plaatst zichzelf in het midden van de wereld en dat ergert. Niettemin zijn wrijvingsenergieŽn ook creatieve energieŽn en veel dank ben ik dan ook verschuldigd aan onderwijzers, kantoorchefs, hopmannen, militaire meerderen en zo hier en daar een criticus. Waarom toch, was de vraag.

Ik ben een dialecticus en u weet dat zijn mensen die veel mopperen, ik noemde mij al een herinneraar, iemand die kostbaar geluk uit het verre verleden wil behoeden, maar ook hier is geen rust voor de rechtvaardige. Wie meent zijn 'goudschat in de nachtpo' in de knip te hebben komt bedrogen uit en ziet zijn kostbaarheden verschieten als wandtapijten in de zon. Geen herinnering is veilig voor zijn toekomst en omgekeerd. Dat geldt ook voor het Proustiaanse onwillekeurige herinneren van dat wat per ongeluk wordt aangestoten en opschrikt, wel is dat laatste een moment van zuiverheid, maar toch niet vrij van het genoemde infernale aspect. Een zwakke hoop is hier echter aanwezig: het zo hoog genoteerde te zien verbleken en het elders en als heel iets anders naar voren te zien treden. Mogelijk is dan de glans van het verleden te herkennen in de zwakke gloor aan de horizon. Een eigenzinnig instinkt zegt mij echter dat het zo gekoesterde en intieme niet alleen ontsnapt, maar ook verloren gaat en zo slechts de elegie overblijft. Terwijl de modernist heroÔsch met oog, oor en hart het nieuwe, onafleidbare en nog nooit vertoonde is toegewend als horst van hoop, ben ik uiteindelijk een deserteur en verzink in een verleden dat er nooit was.

De negentiende eeuw eindigde in 1940 en ik heb er nog even in mogen leven en ben daar dankbaar voor: auto's als koetsen, pluche, salons met stofjes in het zonlicht, ennui. Ondanks het gaslicht en de berceuse van Faurť, moet ik haar toch ook verwijten maken en wel omdat dit de band ze versterkt: waarom toch zoveel gegeten en gedronken en dan jicht krijgen en geel oogwit. Waarom dat en passant een kind verwekken bij de dienstmaagd en dat het liefst na het diner. Waarom die hongerloontjes en dan dat embonpoint als een massagraf van kippen en varkens. 0 tijd van opera, witte cravattes, grote retoriek, slechte stijl en oorlog voeren. Een eeuw zo lelijk en toch zo rijk, ja de laatste waarin men nog gelukkig hen zijn. Chapeau, claque, slobkousen, paardenleed en kotelettes, waarachtig op alle andere plaatsen ben ik een vreemde. Dat zijn de ware bronnen, zowel bedenkelijk als fascinerend. De grote filosoof Adorno vertolkte dat op een niet al te waakzaam moment: "voor een goed uitgevoerde handkus" zo zei hij "gedaan in een van de grote salons van die tijd, geef ik de hele Politische Economie". Strijkt hier een licht over het waarom van mijn schrijven? Ja en nee. Voor mij gaat in ieder geval oorsprong, het vanzelfsprekende, aan het begin vooraf en is het niet begrijpen daarvan in een wereld die zo langzamerhand alles begrijpt een kostbaar bezit.

Dames en heren

Veel dank aan Querido voor deze receptie, maar mijn dankbaarheid reikt natuurlijk veel verder. Veertig jaar bij dezelfde uitgever en dan deze . . . ! Daar moeten grote krachten achter zitten. Voor eigen gebruik heb ik die dan ook namen gegeven waarvan ik er enkele wil noemen. Aan het begin natuurlijk Reinold Kuipers en Tine van Buul, onvergetelijke mensen, zij waren even groot als ik klein en dat is zeer goed voor een begin. Centraal plaats ik dan de redacteur Jan Kuijper, een genadeloze corrector, ik lever een kraakhelder manuscript in en krijg het grauw als cement weer te zien. Gezamenlijk vechten wij dat uit maar hij is zeer onbuigzaam. Het spijt me dat ik geen opnames heb waarop ik hem geduldig uitleg dat mijn geciteerde uitspraken bijvoorbeeld van Shakespeare of Eliot beter zijn dan de oorspronkelijke teksten. Jan ontkent dat, dat is zijn fout, en hij doet er mij veel verdriet mee, maar alles bij elkaar is hij mij dierbaar geworden. Veel meer goeds zou er over deze uitgeverij te vertellen zijn, maar ťťn gebeurtenis wil ik beslist niet overslaan en dat is de komst van Lidewijde de Paris die ik voor eigen gebruik "Onze Lieve Vrouw van de Singel" heb gedoopt. Er komt een tijd dames en heren, dat ik haar zal benaderen en voorstellen om samen dwars over het grote plein te wandelen en aldaar de trap te bestijgen. Zachtjes zulIen wij dan de deur achter ons dichtdoen om vervolgens fijn aan het raam te gaan zitten. Daar, geachte aanwezigen, bezweert zij mij nooit, maar dan ook nooit en absoluut niet, in het hemelse noch in het aardse leven, mij uit te geven als omnibus

Ik dank u voor uw aandacht.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright