wbrakman.nl

Bric à Brac

Een archief van eerdere berichten. Beschikbare jaren: 2017 - 2016 - 2015 - 2014 - 2013 - 2012 - 2011 - 2010 - 2009 - 2008 - 2007 - 2006 - 2005 - 2004 - 2003 - 2002 - 2001.

Dit is 2010

Bart Vervaeck over Bric a Brac van Willem Brakman

Achtenveertig – sinds Bachs Wohl-Temperierte Clavier is dat een haast heilig getal. Bric à brac zal het zo ver niet schoppen, maar de 48 Brakman-teksten die Gerben Wynia in dit boekje samenbracht zijn op zijn minst de moeite waard, meestal heel interessant en soms gewoon meesterlijk. Twee stukken verschenen nooit eerder: een toespraak naar aanleiding van een kwatrijnenboekje dat Brakman en Gregoor in 1980 lieten verschijnen, en ‘Heimwee naar het jongensboek’, een uiterst geestig, grillig en belangwekkend poëticaal stuk over de rol van slapeloosheid en jongensboeken voor de kunst. 36 stukken zijn nieuw ten opzichte van de eerste versie van dit boekje, die verscheen in 1997, toen Brakman 75 werd. In mei 2008 stierf de schrijver, en het is nog steeds wachten op een herdruk van een van de tientallen waardevolle werken van Brakman. Hopelijk wordt het geen wachten op Godot, want vergeten lijkt een belangrijke beleidsoptie geworden in de door cijfers geobsedeerde uitgeverswereld.

Het eerste wat opvalt aan de 48 stukken is hun verscheidenheid: er zijn brieven, gesprekken, gedichten, essays, toespraken, verhalen (prachtige, uit de vroege jaren tachtig), en er is zelfs een luisterspel. Het tweede wat opvalt is de gelijkheid in verscheidenheid: door alles klinkt de voorkeur voor wat voorbij is, de kritiek op wat aan de gang is. Kunst was voor Brakman kritiek, bijvoorbeeld op de ‘blinde woede van het maken’ die zich uitte in ‘het ongebreidelde ondernemen, het ononderbroken voortplanten’.

Kritiek ook op het vergeten. Brakman beschouwde zichzelf, net als Proust, als ‘een verlieskundige’, een herinneraar die het niet moe werd met veel humor en bitterheid te schrijven over wat verloren ging. Hij vond het noodzakelijk ‘het onvermijdelijk voorbijgaan met zuur in ’t hart te ondergaan’. Dat zuur mocht dan bijtend zijn, het was ook bijzonder grappig. Ik ken weinig auteurs die uit zoveel tragische en melancholische scènes zoveel hilarische humor weten te puren. De combinatie van wat elkaar normaal gezien niet verdraagt, dat is de kern van Brakmans kunst. Bovendien onderscheidt die combinatie Brakmans humor van de leukerigheid die hij in zijn brief aan Rushdie vol afkeer tegen het licht houdt: ‘Alleen een oog waarin veel winterlicht ziet daarin de boosaardigheid, het duistere principe van de joviale, amicale, ribbenprikkende, schouderkloppende en vooral egalitaire geest’.

Het hoge woord is eruit: geest. Kunst is niet alleen kritiek. Ze is ook geest. Die zocht Brakman niet in droge beschouwingen of intellectualistische spelletjes, maar in de ervaring, meer bepaald in het doorvoelde en fantasierijke samennemen van tegengestelden. In een roman van Brakman heeft een detective altijd wel iets van een moordenaar, een geliefde iets van een gifmengster. Achter het ene schuilt het andere en de wondere blik die je nodig hebt om dat te zien, lijkt veel op die van het kind. Niet het hysterisch roepende rotjong – dat ook vaak opduikt in Brakmans wereld, en dat in Bric à brac in de gedaante van rondrennende schooljeugd museums onveilig maakt – maar het dromerige in zichzelf verzinkende jongetje. Die blik is beeldend, net als de taal van Brakman, die niet toevallig ook schilderde. De ontmoeting tussen woord en beeld was een van de vele paradoxale syntheses die Brakman opzocht, op weg naar de ultieme synthese ¬– die tussen kunst en leven. Zoals het kind verzonk in een boek, zo wou Brakman opgaan in zijn kunst: ‘Ik stap dan over de lijst van een schilderij naar keuze en loop over het zandpad dat in de verte naar een eenzaam huis voert. Daar ga ik naar binnen en doe de deur zachtjes achter mij dicht. Met grote nadruk moet ik u hierbij vermelden dat de lucht blauw is, ja blauw, geen wolkje te bekennen. Ik dank u zeer voor uw aandacht.’

bron: Bart Vervaeck (2010), Bric a Brac, De Leeswolf, 9, p.646-47.

Zie ook HIER voor meer informatie; klik op "nieuw"

Het fotoalbum van Willem Brakman (1): Brakman leest voor


Willem Brakman leest voor uit zijn roman 'Het zwart uit de mond van madame Bovary' op 27 april 1980 ten huize van Gerrit Jan Kleinrensink en Inge Maass te Zetten (foto Robert Arpots)

Brakman las graag voor en hij kon het bijzonder goed, daarbij had hij een lichte voorkeur voor humoristische passages, maar ook in passages die ernstig genoeg leken kon hij een humoristische ondertoon laten meeklinken omdat hij zijn teksten door en door kende. Brakman voelde zich het best begrepen in kleine gezelschappen, maar hij heeft heel weinig ten huize van particulieren of vrienden voorgelezen.
Klik HIER om Willem Brakman te horen voorlezen uit eigen werk.

Pier van der Kruk als personage in het werk van Willem Brakman

De Rotterdamse archiefmedewerker Michel Ball raakte geïnteresseerd in Brakmans vriend Pier van der Kruk en zocht enkele biografische gegevens over hem bij elkaar.
Ball noemt alleen die romans van Brakman waarin Van der Kruk onder eigen naam wordt geportretteerd, maar talloos zijn de passages waarin hij een andere naam heeft. Zo gaat hij in de roman 'Een goede zaak' (1994) achter de naam Perelijn schuil (met de nodige aanpassingen)

Klik hier voor het stuk op de blog.

De ervaring, het waarnemen en de humor
Willem Brakman over de column

Willem Brakman:
"Dames en heren. Er zijn drie punten die de columnist goed in het oog moet houden en wel de ervaring, het waarnemen en de humor. Deze momenten vermengen zich niet gedurende het lezen van de column, het devies is hier gescheiden oprukken en gezamenlijk toeslaan. De ware columnist laat dit laatste nog even nagalmen over het geheel. Uiteraard zijn er ook nog lezers, maar dit is de draad van de structuur. Om met de ervaring te beginnen, ik weet waar ik over spreek want ik was een hoog begaafd knaapje destijds in Scheveningen, hoog begaafd in het kunnen ervaren. Wie hoog begaafd is in deze ervaart veel en wie veel ervaart wil daar over vertellen en wie daar over vertelt wil dat dit ook wordt ondergaan en begrepen. Nu, zo zult u zeggen, alle kinderen van prille leeftijd zijn begaafd, maar dat is beslist onwaar. Ik heb in die tijd van poppenkast en kijkdoos in zoveel dooie en doffe ogen gekeken om daarin iets anders dan onbegrip te zien. Dit begrijpen is zeer belangrijk want alleen als het te berde gebrachte wordt begrepen en ervaren, eerst dan wordt het ook de verteller geschonken en voegt hij het dankbaar bij zijn geestesgoed. Ervaringen in de jeugd opgedaan in bovengenoemde zin etsen de ziel, om dat woord eens te gebruiken, het diepst. Dat er echter veel zaad op rotsige bodem terecht komt deed mij al vroeg de toegesprokenen verdelen in knotwilgen en begenadigden."
Luister naar een fragmant van de lezing, klik hier ( rechts op de pagina).

Schrijver en lezer: Willem Brakman

"Schrijver en lezer, spreker en luisteraar zijn zozeer op elkaar afgestemd dat ze elkaar bepalen, en er een situatie kan ontstaan waar ook de schrijver geen weet van had. Het is dit element van de vertellende luisteraar waar ik op doel als ik zeg dat mijn taal in zijn beste momenten vonkt naar poëzie!
De hoogachting voor de lezer kweekt ook ergernissen die ontstaan bij een genoteerde botheid, onaanspreekbaarheid of afwijzing. Zij kwetsen in mij het beeld van de onvoorwaardelijk zo noodzakelijke ideale lezer en brengen daarmee schade toe aan het schrijven. Daarom zal mijn stem, niet uit ijdelheid, maar om zuiver creatieve redenen en pleitend in eigen zaak onder de bezadigden een jubelende zijn, tussen de schrillen een sonoor klinkende, zal hij tegen kwaadaardige vooizen afsteken door een bijzondere goedwillendheid en onder fletsen opvallen door zijn vervoerde woordkeus. Alles om een gelaat te laten glanzen van inzicht en begrip!":
Geschreven op verzoek van de Stedelijke Openbare Bibliotheek van Harelbeke (België).
Voor het eerst gepubliceerd in: Nieuwsbrief van de Willem Brakmankring, nr. 17, december 1997 (pp. 2- 3).

Brakman en de zee

”In mijn jonge jaren leefde ik in Scheveningen, en dat wil in de eerste plaats zeggen aan zee.”

Dit zijn woorden van de ik-figuur in de roman ”Nazomer” van Willem Brakman, maar de zin had ook kunnen staan in diens autobiografie. Beelden van de zee, van de kust en de duinen - in veel van zijn romans komen ze voor, op de voorgrond of als achtergrond, in allerlei weersomstandigheden en gemoedstoestanden van de personages. In de roman ”De gelukzaligen” vinden we het oorspronkelijke beeld, het beeld dat in alle andere aanwezig is (blz. 15):

”de zee van de grote zomerdagen: blauw, glad, schijnheilig, verlokkend […].”

De zee is verlokkend mooi, en die schoonheid krijgt de lezer ruimhartig beschreven. Maar de wereld zoals Brakman die beschrijft is nooit enkelvoudig. De zee is schijnheilig, en misschien is het verlokkende van de zee wel juist gelegen in dat samengaan van schoonheid en schijnheilig- heid. In haar vele gedaanten is de zee bij Brakman een symbool van het beweeglijke, het meervoudige, het ongrijpbare - onmiskenbare grondtrekken van zijn verbeelding van de werkelijkheid.

Aldus de inleidende bladzijde van een thematisch boekje:
”Brakman en de zee”. Uit een groot aantal citaten blijkt op hoeveel zeer uiteenlopende manieren Brakman in zijn verhalen en romans een plaats geeft aan het motief van ”de zee” en wat tot de sfeer van de zee behoort. De citaten spreken over de zee in de wereld - Scheveningen, maar ook Spitsbergen, Kaap Hoorn - en in de geest. Ze zijn verdeeld over een veertigtal hoofdstukjes; in korte begeleidende aantekeningen worden aanduidingen gegeven van hun contekst, met hier en daar enig commentaar.
Het boekje - 80 bladzijden in een eenvoudige uitvoering, in een afwisselende layout en met kleine illustraties binnen de tekst - is verkrijgbaar bij de samensteller, J.H.Snijder, door overmaking van E. 9.- , op diens girorekening 220656 (incl. verzending). Telefoon 071-5895385

Klik ook hier.

Interview met Willem Brakman over Bomans


"Op stap voor de Bomans Krant, aflevering 2. Eerst Midas Dekkers, nu Willem Brakman. Onbezoldigd en door weer en wind geteisterd trok Jeroen Aarten in 2005 de wijde wereld in voor gesprekken met prominente figuren uit de wereld van de literatuur. Op naar Enschede! Het verslag van zijn gesprek verscheen in twee delen in de Bomans Krant (11 en 13 april 2005).

Hierbij een klein gedeelte:

"- Voelde u zich in de schaduw van Bomans staan ?
"Absoluut niet. Ik had geen literair contact met die man. Als ik iets van hem las, verveelde mij dat gauw. Ik heb ook altijd begrepen dat hij als literator weinig punten haalde. Zijn genialiteit lag elders: die lag bijna in een toneelachtige sfeer."

- Veel schrijvers bewonderen wel zijn stilistisch vermogen.
"Een boek van Bomans waarin allerlei kleine essays bijeenstonden, bevatte het stuk The Split Infinitive 1. Dat vind ik een meesterwerk. Die kant heeft hij toch ook. Waarom continueerde hij dat niet? Het was een prachtig stuk, terwijl ik de rest van het boek flets en vervelend vond. Dus hoe je Bomans nu moet plaatsen in de literatuur, vind ik moeilijk. Voor het grootste deel was hij een poseur, maar met geniale vaardigheden. Ongetwijfeld heeft hij eronder geleden dat hij niet meer eerbied heeft gekregen voor zijn schrijven. Ik heb daar nooit moeite mee gehad. Erik of het klein insectenboek, ik kon er niet doorheen komen.
Bomans is in mijn ogen geen groot schrijver. Het is heerlijk om hem te horen, maar hem lezen ? Ik verveel me er te pletter bij [lacht]. Bomans is iemand die je kunt bekritiseren, maar die dat fabuleus probeert te ontkrachten met de verkeerde middelen. Hij trekt dan aan zijn pijp en debiteert een diepzinnige gedachte als: "De mens is maar een onbeduidend zandkorreltje." Toen dacht ik: verdomme, zoiets zeg je toch niet als je maar enige hersens in je hoofd hebt ? De mens is dan toch wel een heel bijzonder zandkorreltje die weet heeft van zoveel andere zandkorreltjes, laat staan van de ruimte waarin dit allemaal zijn plaats heeft. Dat is niet onbeduidend, dat is raadselachtig. Ergens weet van hebben, zoals de mens, dat is ongekend.
Er zat ook iets in dat schrijven van hem dat, laat ik zeggen, projecterend was, naar buiten toe gericht, terwijl ik juist alle eigenschappen vertoon van de 'blik naar binnen'. Dat is iets totaal anders en van een veel hoger soort, zeker in een verblinde tijd als deze, waarin de 'blik naar binnen' kostbaar is geworden."

In “Drukke lezers”, een bundel artikelen over Godfried Bomans (Soest 2010, red. Jac Aarts, 237 blz., 18,95 E excl. eventuele porto, ISBN 978-94-6089-685-9), vindt u dit interview met Willem Brakman. Allerlei onderwerpen kwamen ter sprake (schaken, schrijversmarkten, eigen schrijverschap, 19e eeuw, het nut van autobiografieën).
De bundel bestaat uit 25 artikelen. Meer info vindt u op de speciale webpagina over dit boek:
Klik hier.

Nadere kennismaking

De tekst van Brakmans luisterspel Nadere kenismaking verscheen in Raster. Jaargang 2002 (nrs. 97-100). De Bezige Bij, Amsterdam

klik HIER voor de tekst. Zie ook hier, 3 juli 2007, voor meer informatie.

Willem Brakman: De biograaf als souffleur


"Zoals ooit Eckermann Goethe vergezelde, zo volgt nu Gerrit Jan Kleinrensink de schrijver Willem Brakman op zijn wegen. In de dubbelrol van vriend en biograaf. Opmerkelijk, want Brakman zegt dat hij biografieën haat. ...
Zeldzaam zijn de biografen die een levend 'object' kiezen. In Nederland heb je er slechts één voorbeeld van: Gerrit Jan Kleinrensink (58) en de schrijver Willem Brakman (79). Dit 'duo' wekt extra nieuwsgierigheid, want er is geen schrijver die zo mythologiserend over zijn eigen leven schrijft als Brakman, in nu al meer dan veertig boeken. "

Lees dit interview in Vrij Nederland, klik HIER om het interview te lezen.

Een oude wensdroom

Hij heeft de kerk tot zich gevoerd
als een heerlijke bruid,
zonder vlek of rimpel of fout,
heilig en onbesmet.


In de brief van de apostel Paulus aan de Epheziërs, hoofdstuk vijf en dan vanaf vers 22, wordt er beeldend gesproken over de verhouding van Christus tot de gemeente. Hij is het hoofd, de gemeente het lichaam. Binnen deze eenheid staat de gemeente voor Christus opgesteld, zo staat er ‘zonder vlek of rimpel, heilig en onbesmet’.

Wil hier niet alles opgaan in een blij en kinderlijk geloof, een bleek denken of retoriek, dan kan men gerust aannemen dat ook Christus wel, geweten zal hebben wat een gemeente is, waar ook ter wereld en op ieder willekeurig punt tussen Zijn geboorte en de eindtijd. Juist uiterst gerimpeld, gevlekt als een slagersschort, in ’t geheel niet heilig en besmet als een paardenkeutel. Niettemin zal het vanaf vers 22 de bedoeling zijn dat de gemeente, evengoed als daar beschreven, staat opgesteld en wel omdat Christus haar niet aanziet voor wat zij is maar voor wat zij zou kunnen zijn, optimaal in de meest bijbelse zin.

De blik die op haar rust is dus geheel niet de mijne, stekend, borend, ironisch, wantrouwend maar is er een van goddelijk mededogen. Het is werkelijk even prachtig als moeilijk daar vree mee te hebben; men stelle zich deze blik voor op het fraaie span Hitler, Himmler, Eichmann, drie toch enorme deugnieten. Hun liefde voor kinderen en herdershonden is bekend maar hoe zouden ze verder onthuld voor ons treden? Als het ware na geslaagde analyse of knuffeltherapie. Ik vermoed als portier met grote pet bij een zeer groot bedrijf, als dorpsveldwachter met de wind eronder, onfeilbaar en gewaardeerd boekhouder of toegewijd leraar, streng maar rechtvaardig. Kortom, als van dwaalwegen teruggevoerde steunpilaren. Ondraaglijk goddelijk. En wat te denken van die andere verschrikkingen: de doffen, de flauwen en de fietsen, de pachydermale neeschudders en onaanspreekbaren, de vonk- en glansloze boekbladelaars, de tweedimensionelen?

Het zij verre van mij me hier op een bijbeltekst te laten gaan, maar of het goddelijk oog hier toch niet een ietsje zou kunnen donkeren, misschien in hoofdstuk vijf de mogelijkheid open laten voor een in dezen onschuldig maar sterk jeukend eczeem voor niet al te lange tijd?

Een oude wensdroom, in het licht der waarheid het hogere met het lagere zo innig verknoopt te zien. Een verboden maar sterkende gedachte vanaf vers 22

Uit: Trouw, 5 mei 1989.

Zie HIER voor meer informatie; klik op "nieuw"

Brief aan Salman Rushdie

Brief aan Salman Rushdie
Enschede, 29 maart

Geachte heer Rushdie,
Het huidige, overdadige aanbod aan inhumaniteit is voor schrijvende introverten een probleem in algemene zin, maar ook als zij in het geweer worden geroepen. Ik behoor tot dezulken en weet dat zij, van nature gefascineerd door het eigen geestesleven niet zozeer aangelegd zijn op een gewenste, direct beschikbare verontwaardiging. Inzicht is er bij de ingekeerden natuurlijk wel, alleen worden de barokke eigenaardigheden van de eigen persoon in eenzelfde blikveld meegenomen. Zo constateer ik in mijzelf een zekere hardnekkigheid over mijn eigen verontwaardiging te willen beschikken en die niet gedicteerd te krijgen. Noem het de ervaring van een heel leven, of de zorgvuldige opbouw van een neurose, maar de ongeschonden blik op mijzelf, de afkeer van aanstellerij en een waardering voor zoiets als de eigen spontaniteit noteert wonderlijke prioriteiten. Bijvoorbeeld niet in de eerste plaats een krimpend hart bij skeletjes in de Sahel of vertwijfelde moeders in Argentinië, maar bij proefdieren en hun lot in laboratoria. Wie mij daarover aanvalt eist in zijn demonstratiestoet niet de gehele man maarslechts de gehoorzame.

Bij u liggen de feiten voor mij gelukkig minder complex. Hoewel gehinderd door een steeds wijder, ijler, mondiaal protest waaraan naar ik vermoed ook Eskimo’s, Laskaren en lieden uit Timor mee gaan doen, zijn er ook enkele tastbare, grijpbare feiten die mij in staat stellen u meer dan alleen in abstracto te schrijven. Daar is in de eerste plaats uw wonderlijk verdroomd hoofd, de wat gesluierde blik van de man van de binnenkant en zijn, vergeleken met al dat hoofdhaar dat in Iran over de straten en pleinen hopst, zo contrarevolutionair spaarzame haargroei. Veel, zo niet alles, is al over het kwetsen van de grote rechtscategorieën gezegd, maar hier ligt mijn kans; de benadering van onder af voor de volle klank van het concrete waar volgens Brecht de woon is der waarheid. Van jongs af aan had ik een even fijn ontwikkeld instinct voor, als een grote afkeer van wat ik maar noem de brute overmacht van het bestaande. Mij zijn de vingeroefeningen bekend van de voorgeschreven lach op de verjaardagsfeestjes in lieflijke tijden, de afgedwongen flinke blik bij de padvinderij, het braaf beamen van de gespierde zwetser in de treincoupé om maar niet in moeilijkheden te komen. Kleine kwalitatieve sprongetjes naar de al veel duisterder achterkant van de vrolijkheid in een café, onder regie van de nimmer ontbrekende stemmingmaker die een doodklap in petto heeft voor iemand die niet van harte met hem instemt. Er zijn talkshows waarover de terreur hangt van de lach. Alleen een oog waarin veel winterlicht ziet daarin de boosaardigheid, het duistere principe van de joviale, amicale, ribbenprikkende, schouderkloppende en vooral luidkeels egalitaire geest.

Wie zich aanpast legt zich bij méér neer dan hij denkt, het is de eerstesteenlegging van grofheid, domheid, gewelddadigheid en uiteindelijk bestialiteit. Grote stappen zijn niet nodig eenzelfde principe te zien in glimlach, groet, buiging, knieval, accolade en het gemeenschappelijk vuistballen en ophangen. Als tussenstap kan men bijvoorbeeld de cafécultuur inlassen waarin met bier en de bekende harde stemmen een doodvonnis wordt uitgesproken over hem die tot een andere club behoort. Het zijn oerrazernijen, maar gefundeerd in en mogelijk gemaakt door een klein en vriendelijk verraad: atomen goede opvoeding in meedoen, geen spel of stemming bederven, begrip hebben, respect tonen, je niet alles aantrekken en het gerust durven meezingen van het Ein Prosit. Een gedifferentieerd, niet storend gedrag, een met welwillen bekijken der mensheid, ja het aanspreken van een zaal met lieve, lieve mensen… ik houd er niet van want het is niet vrij te denken van een accepteren van het onmenselijke als obligate bas. Een goede vuistregel is dat alles wat bijdraagt tot vreugde en welbevinden der mensen op zijn minst verdacht is, om leed hangt de waarheid. Uw hoofd is mij om het bovenstaande sympathiek, een droeve neezegger, zo hoop ik vanuit mijn positie. Kom ik weer in Münster dan steek ik een kaars voor u aan in de dom. Kwaad kan dat niet.
Ik wens u het alle allerbeste,
Willem Brakman
Uit Vrij Nederland, 8 april, 1989.

Zie HIER voor meer informatie; klik op "nieuw"

Noctua, de oorlogsjaren

In het oorlogsjaar 1944 begon Willem Brakman aan een opleiding voor het Staatsexamen HBS-B. De veiligste weg daartoe was een avondstudie omdat hij in de leeftijd was om opgepakt te worden voor tewerkstelling in Duitsland. Den Haag kende sinds 1937 een particulier instituut dat opleidde voor het HBS-examen. Het heette Noctua, beeld voor de uil die bij avond uitvliegt. De school was aanvankelijk gevestigd in een villa van een der docenten in de Obrechtstraat, maar toen die straat ontruimd werd omdat de Duitsers dat nodig vonden voor de verdediging van Den Haag, werd het onderwijs verplaatst naar een huis aan de Van Alkemadelaan. Zijn docent Engels was hier de heer Van der Haas, de latere schoonvader van Jan Siebelink.


Het huis waarin Noctua was gevestigd (De Van Alkemadelaan in Den Haag)

P.C. Hooft-prijs voor Willem Brakman

"Willem (Pieter Jacobus) Brakman (Den Haag, 13 juni 1922- Enschede, 8 mei 2008) groeide op als jongste zoon van een uit Zeeland afkomstig echtpaar. Hij ging in Scheveningen op school. Na de mulo had hij aanvankelijk kantoorbaantjes. In 1945..."

Klik hier om het P.C. hooft archief m.b.t Willem Brakman verder te bekijken.

"De lezer die zich waagt in het Brakman-universum,
stort zich in een avontuur"

Op 18 april 2004 was Willem Brakman te gast in het TV programma R.A.M. Deze uitzending is (weer) te zien via het archief van het programma.
Uit de inleiding:
"De Nederlandse schrijver Willem Brakman (1922) debuteerde laat, met autobiografisch proza waarin de sfeer van een benarde jeugd en studietijd soms beklemmend, maar ook ironisch wordt opgeroepen. Hij debuteerde met de roman Een winterreis in 1961. Deze roman geeft een treffend beeld van een in het verleden en heden levend stadje en zijn inwoners. De roman werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.
Zijn werk is sterk autobiografisch. Zijn werk als arts heeft een belangrijk stempel op zijn oeuvre gedrukt. In 1945 legde hij het examen voor de hbs met goed gevolg af en kwam hij in aanmerking voor een beurs, zodat hij medicijnen kon gaan studeren in Leiden. Na enkele jaren als huisarts te hebben gewerkt werd Brakman bedrijfsarts in Enschede."

Klik hier om de uitzending te bekijken.

Waarom schrijft de schrijver: Willem Brakman in gesprek met Harry Mulisch

Vanmiddag, 31/8/2010; 16.00: Cultura 24.
Cultura 24 herhaalt de serie De schrijvers; "schrijvers onder leiding van Harry Mulisch praten over één bepaald thema. In deze uitzending staat de vraag centraal waarom iemand schrijft. Met Gerard Walschap, Hannes Meinkema, Joop Waasdorp en Willem Brakman."
Klik hier voor het CULTURA 24 uitzendschema.

het beeld van de schrijver is niet de schrijver - of toch weer wel

Klik hier om het bericht te lezen.

1q84: door Arjan Peters


"Een vrouw heeft een pistool nodig, in 1q84 van Haruki Murakami, en brengt dit verzoek over aan een bevriend man met zekere connecties. Maar je weet toch wat Tsjechov heeft gezegd, merkt die bezorgd op. Als er in een verhaal een pistool voorkomt, moet dat later ook worden afgevuurd. 'Maar dit is geen verhaal', zegt die vrouw, 'dit is de werkelijkheid.' Waarop de man: 'Hoe kunnen wíj dat weten?' Wij lezen die zinnen in een boek, zoals u op dit moment de krant leest. Maar wie zit ú nu te lezen? Hoe echt bent u? Hoort u niet heel vaak anderen, maar ook uzelf, zeggen dat er iets 'ongelooflijks' is gebeurd? Kennen wij de werkelijkheid, weten we waar die in droom en fantasie overgaat, is het bekend wie die andere wereld stuurt?
Als Murakami iets kan, is het de lezer aangenaam tureluurs maken. Vorige week woonde ik de doop van zijn dubbelroman in Amsterdam bij, een avond waarop de schrijver glansrijk ontbrak, maar toch present was, door middel van een briefje. Daarin wenste hij de Nederlandstaligen veel plezier met zijn boeken, 'tussen het kijken naar twee voetbalwedstrijden door'. Hoe wist hij dat?
Soms lijkt het of we wonderen die van verre komen eerder herkennen dan de ons nabije. Behalve 1q84 las ik, tussen het kijken naar twee voetbalwedstrijden door, ook Bric à brac (uitgeverij Flanor), een verzameling verspreide teksten van Willem Brakman, alweer ruim twee jaar geleden overleden. Herhaaldelijk laat ook hij boek en werkelijkheid in elkaar overlopen: 'In Scheveningen waren de straten vol avontuur van op school voorgelezen boeken.' 'Ik voor mij heb vaak heimwee naar de jongensboeken die ik heb gelezen en vooral naar boeken die handelen over zee. Wat dat betreft heb ik het geluk een slecht slaper te zijn want dan kom je nog eens ergens.'
Pas op met denken te weten wat echt is in het leven. Kijk uit met zeggen dat een boek niet echt is."

uit: De Volkskrant, 3 juli, 2010,
Zie voor Bric a Brac, bericht 16 juli, 2010.

Flapteksten


De flaptekst bij 'Het godgeklaagde feest'

Deze tekst verscheen op de linker- en rechterhelft van het stofomslag van de roman "Het godgeklaagde feest" die in 1967 verscheen. Het is het resultaat van de samenwerking van Willem Brakman en Nol Gregoor. Brakman schreef de tekst en zijn vriend Gregoor redigeerde. Maar het bijzondere is dat flapteksten in de jaren zestig nog bedoeld waren om de lezer een handleiding te geven. Dit stukje is eerder een kort essay over het werk van Brakman dan een wervende tekst, want in de loop der jaren zijn de flapteksten op reclameteksten gaan lijken.

Proust en de melancholie, door Willem Brakman

Iedereen die in Proust geïnteresseerd is, kent de foto waar hij is gezeten in een chaise longue, het hoofd ondersteunend en met een gelaatsuitdrukking die Cocteau een keer prachtig heeft beschreven. Een enkele keer, zegt hij, kon op de een of andere feestelijke bijeenkomst, diep in de nacht en tot ieders verbazing Proust verschijnen. Gehuld in een bontjas begon deze dan direct te praten, even boeiend als eindeloos want, zo zegt Cocteau, te moe om met dat praten op te houden. Daar hoort zonder meer het gezicht bij van de chaise longue: gesluierd, verzonken, niet gelukkig en moe. Klik HIER om verder te lezen.


De bedoelde foto van Proust

Uit: Een liefde voor Proust; Op zoek naar de verloren tijd, Bezige Bij, 2002.

herdrukt in Bric a Brac: De prijs bedraagt EUR 22,50. Het is te verkrijgen door overmaking van EUR 22,50 op ING-bankrekening 19.12.112 ten name van Uitgeverij Flanor in Nijmegen, onder vermelding van ‘Brac’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd.

Brakman schreef altijd even stijlvol: door Theo Hakkert

Theo Hakkert schreef over Bric a Brac in De Twensche Courant/ Tubantia/ 25/06/2010;

Klik hier om de recensie te lezen (opent nieuw venster).

De prijs bedraagt EUR 22,50. Het is te verkrijgen door overmaking van EUR 22,50 op ING-bankrekening 19.12.112 ten name van Uitgeverij Flanor in Nijmegen, onder vermelding van ‘Brac’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd.

Vliegveld Twente en Willem Brakman

" Een opmerking die bij mij is blijven hangen, is die van de commandant van het vliegveld Twenthe, waarin geresigneerd wordt vastgesteld dat men in Twente zal moeten leren leven met de aan dit vliegveld verbonden overlast. Nu is het juist een van de positieve krachten in de geschiedenis geweest dat men zich juist niet heeft neergelegd bij alle verschijnselen die hinderlijk, ergerlijk, onacceptabel waren en de kwaliteit van het leven in hoge mate aantastten. Eerder moet men, ook als commandant, adviseren zich daartegen taai te blijven verzetten. Ik ben een schrijver die in zijn werkkamer oordopjes draagt om nog te kunnen horen wat hij denkt, maar niettemin nog regelmatig de handen tegen de oren moet houden als de zoveelste aanval op Schiermonnikoog wordt afgeslagen.
Dit heeft echter ook een positieve kant, want hoewel het weten van het nabije vliegveld er natuurlijk durend is, toch kan het besef ervan nog verrassend nieuw zijn. Zo realiseerde ik me opeens iets wat in de vertrouwde misère dreigde onder te gaan, namelijk dat daar vlak boven mijn hoofd het meest gruwelijke oorlogstuig spiraalde, zwierde en zwaaide Raketten, stel ik me zo voor, zeer precies werkende boordwapens met kogels van een vinger dik, bommen en granaten en de commandant mag weten wat al niet. Dat is zo aan het eind van de twintigste eeuw en na zoveel geschiedenis een zeer beschamende gedachte en daarbij onontkoombaar bij het onder de aandacht brengen met zoveel barbaars gebrul.
Ik adviseer dan ook zich daarbij niet neer te leggen, er ook niet voor af te stompen, maar de jongens van de luchtmacht de nodige vloekpsalmen achterna te zenden en vooral bij de volgende ‘open dag’ het aantal bezoekers niet tot 75.000 te doen oplopen, maar het bij een even grimmige als verpletterende afwezigheid van zelfs maar één bezoeker te laten."

uit: Barbaars gebrul, Tubantia, 10 augustus 1990.

Willem Brakman reageerde vaak op dit soort hem onwelgevallige ontwikkelingen. Een verzameling van dit soort stukken en nog veel meer staat in de 2-de druk (2010) van Bric a Brac dat voor het eerst verscheen ter gelegenheid van Willem Brakmans vijfenzeventigste verjaardag in 1997. Het bevat een ruime keuze uit de tussen 1985 en 1997 verspreid gepubliceerde essays. De uitgave is qua genre te beschouwen als een vervolg op Zeeland bestaat niet (1981) en Glossen en Schelfhoutjes (1988).
In 2010 verscheen de geheel herziene tweede druk.
prijs van het van meerdere kleurenillustraties voorziene boek (14 x 20 cm, ISBN 978-90-73202-35-1, 172 p.)
De prijs bedraagt EUR 22,50. Het is te verkrijgen door overmaking van EUR 22,50 op ING-bankrekening 19.12.112 ten name van Uitgeverij Flanor in Nijmegen, onder vermelding van ‘Brac’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd.

Zie HIER voor meer informatie; klik op "nieuw"

Geboortedag Willem Brakman: 13 juni 1922

" De negentiende eeuw eindigde in 1940 en ik heb er nog even in mogen leven en ben daar dankbaar voor: auto's als koetsen, pluche, salons met stofjes in het zonlicht, ennui. Ondanks het gaslicht en de berceuse van Fauré, moet ik haar toch ook verwijten maken en wel vanwege de band die ze versterkt: waarom toch zoveel gegeten en gedronken en dan jicht krijgen en geel oogwit. Waarom dat en passant een kind verwekken bij de dienstmaagd en dat het liefst na het diner. Waarom die hongerloontjes en dan dat embonpoint als een massagraf van kippen en varkens. 0 tijd van opera, witte cravattes, grote retoriek, slechte stijl en oorlog voeren. Een eeuw zo lelijk en toch zo rijk, ja de laatste waarin men nog gelukkig kon zijn. "

fragment uit: "Willem Brakmans dankwoord uitgesproken bij de viering van zijn tachtigste verjaardag, ook als Huizinge-Lezing 3, 2009 (redactie Tom van Deel, Dick Jalink & Marjoleine de Vos)

De wereld die Willem Brakman beschrijft komt mooi naar voren in Het vaderland uit die tijd:

Klik HIER om Het vaderland van 13 juni 1922 (de geboorte dag van Willem Brakman) te bekijken.

Willem Brakman door Siegfried Woldhek


Hillenius, Annie MG Schmidt, Brakman, Kossmann in de kou

Klik hier voor de site van Siegfried Woldhek.

Willem Brakman bij Barend en Van Dorp (en Jan Mulder)


Willem Brakman tijdens de uitzending

Op 23 september 2003 was Willem Brakman op bezoek bij Barend en Van Dorp, en natuurlijk Jan Mulder. Het interview werd gehouden nav. het verschijnen van de roman Nazomer. Willem Brakman sprak later nog vaak over deze uitzending, waar hij met plezier aan terug dacht.
Klik hier om de uitzending te bekijken. Het gedeelte met Willem Brakman begint op "21.10" in de uitzending (blijf overigens kijken tot het einde [Jan Mulder over doctor Van Heel]).

Stemadvies Wllem Brakman: Peer

Schrijvend over zijn schilderen heeft Vincent van Gogh eens gezegd dat de peer niet aan een tak hangt maar aan wortels, een stam, bladeren, de wind en de regen, aan dag en nacht. Hoe verhelderend dat ook is, het valt steeds moeilijker in deze liefdevolle natuurverbondenheid te geloven. Voor ons hangt de peer onverbiddelijk aan cadmium, kwik, fosfaat is de regen zuur en de wind bezwangerd van dioxine en wat al niet. De peer van nu is monochroom zwart. Soms, op een dribbel in de stad, met oordopjes in, sta ik wel eens stil voor het gemeentehuis en zie de peer erin; al die bekwaamheid, ijver, contracten en blauwdrukken. Al dat vergaderen, die rivieren vergaderkoffie, dat zorgvuldig wikken en wegen hangend aan omgekapte bossen, vlakten van beton en asfalt, kruisingen hoog en laag, de overal waggelende zandwagens en graafmachines, god weet nog een dubbelstad, een groter vliegveld…Een huis vol dynamisch, toekomstgericht Europees denken. Wat daaraan nog te doen? Rouwdiensten? Stille omgangen? Het massaal kaarsen aansteken? Dat is te weinig! Kies Groen Links! Wees de eerste aan de bus, vecht u naar voren, hoedt u voor andere partijen, laat u niets wijsmaken door andersdenkenden want er is haast bij!!

Uit: Verkiezingskrant Groen links, Enschede, maart 1990, nr. 5, p.3.

Het beste boek uit 1991

Willem Brakman: "Het spijt mij dat ik niet actueel ben, maar het mooiste boek van dit jaar was voor mij Adrienne Mesurat van Julien Green, uit 1927. Een boek dat drijft op noodlot. Met fluisterende stem wordt de ondergang voltrokken. In een ingeslapen provinciestad ziet Adrienne de dokter maar één of twee keer, is direkt verliefd, maar die liefde wordt niet beantwoord. Als student las ik het en vond het gruwelijk, ik wilde door de bladen heen breken om orde op zaken te stellen. Nu herlas ik het, in een gerafelde Franse paperback, het oerbeeld van schriftuur, en vond het prachtig. De mens leeft vanuit de troostende gedachte dat iets beroerds ook ánders had gekund. Dit boek is de tegenpool van die gedachte. Het is donker, duister en erg mooi van stijl."

uit:VN, 8 september 1991, Het beste boek van 1991

Herdrukt in de eerste editie van Bric a Brac (uitg. Flanor):

Voor meer informatie over uitgeverij Flanor (en om de eerste editie van Bric a Brac te bestellen),
Klik HIER

Bric a Brac


Het nieuwe omslag (vetkrijttekening: Willem Brakman)

In 1997 verscheen bij Uitgeverij Flanor de eerste druk van Bric à brac. De bundel telde tweeëntwintig teksten. In zijn essaybundel Vrij uitzicht (2001) nam Brakman zes teksten uit Bric à brac over. In de door Steven Brakman samengestelde essaybundel Voltreffer (2010) staan vier teksten die eveneens uit Bric à brac zijn overgenomen. Van de tweeëntwintig teksten uit de eerste druk worden er hier dus twaalf herdrukt. Deze twaalf zijn aangevuld met zesendertig, vaak moeilijk vindbare teksten; twee daarvan worden hier voor het eerst gepubliceerd. Bric à brac biedt een bont geheel aan genres: brief, inleiding, gedicht, toespraak, essay, verhaal, recensie, interview, luisterspel – en ondanks, of misschien juist dankzij deze diversiteit, kan elk van deze teksten, zowel de verhalende als de beschouwende, onder verwijzing naar het essay in duodecimo ‘Steen’, beschouwd worden als ‘een gemme, waarin de lichtjes spiegelden.’
Het gaat hierbij niet om lap- of broddelwerk, bijeengeschraapt uit stoffige mappen en vergeten gewaande archiefdozen. In tegendeel. Veelal op verzoek liet Brakman zijn licht schijnen over politiek-maatschappelijke, filosofische en literaire kwesties, en hoe gering van omvang zijn bijdrage soms ook is, hoe triviaal het onderwerp (bierbrouwerij Grolsch) nu en dan ook moge zijn, Brakman peilt steeds diep. Zijn blikrichting laat zich markeren door woorden als ziel, innerlijk licht, binnenwereld, geest en kwetsuur, en telkens weer weet hij te verrassen door een verrassend gezichtspunt, een poëtisch beeld, een humoristische opmerking of een ironische spitsvondigheid zodat op zijn werk zonder meer van toepassing is wat de door hem bewonderde filosoof Peter Sloterdijk in zijn boek Weltfremdheit schrijft: ‘Mit dem Aufkommen einer Sprache der Seele fängt die Beseelung selbst an zu galoppieren.’ Brakman schreef deze teksten in de marge van zijn verhalen, novellen en romans, en wie ze leest binnen het verband van dit grote en grootse oeuvre, zal bemerken dat er regelmatig sprake is van kruisbestuiving en osmose tussen deze parerga en paralipomena enerzijds en het hoofdwerk anderzijds. Niet op de laatste plaats is het deze bezielde en bezielende wisselwerking waaraan Bric à brac zijn waarde ontleent.

De prijs van het van meerdere kleurenillustraties voorziene boek (14 x 20 cm, ISBN 978-90-73202-35-1, 172 p.) bedraagt EUR 22,50. Het is te verkrijgen door overmaking van EUR 22,50 op ING-bankrekening 19.12.112 ten name van Uitgeverij Flanor in Nijmegen, onder vermelding van ‘Brac’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd.

Er zijn voor de snelle beslissers nog enkele exemplaren beschikbaar van de dichtbundel Troostbrieven, die Willem Brakman in 2002 liet verschijnen bij Uitgeverij Flanor. Prijs: EUR 12,50 en te bestellen door overmaking van EUR 12,50 op ING-bankrekening 19.12.112 ten name van Uitgeverij Flanor in Nijmegen, onder vermelding van ‘Troost’. Uitgeverij Flanor geeft sinds 1987 op bescheiden schaal boeken uit op het gebied van (hoofdzakelijk) de Nederlandse literatuur(geschiedenis). Jan J. van Herpen (†), Willem Huberts en Gerben Wynia vormen de redactie. Zie hieronder voor de nadere (adres)gegevens. Een fondslijst is beschikbaar op de website.

Voor meer informatie over uitgeverij Flanor (en om de eerste editie van Bric a Brac te bestellen),
Klik HIER
Uit de eerste druk van Bric a Brac(over Menno ter Braak):
Klik HIER

Vier Romans

Willem Brakman maakte zoals veel schrijvers intensief aantekeningen. Invallen voor een nieuwe roman of, zoals hier, aantekeningen ter voorbereiding van een vraaggesprek met een krant.
Bij de onderstaande aantekeningen gaat het vermoedelijk om een vraaggesprek met Arjen Fortuyn voor het NRC-Handelsblad. Willem Brakman noteerde trefwoorden die vier van zijn romans karakteriseren. Het gaat om "Gesprekken in huizen aan zee", "De gifmenger" , "De sloop der dingen", en "De Vadermoorders". Links boven zijn de titels duidelijk te herkennen, en rechtboven de bijbehorende typeringen. Het blijkt bijvoorbeeld dat Willem Brakman bij "Gesprekken in huizen aan zee" aan de beroemde britse Bloomsbury-groep heeft gedacht (met leden als Keynes, Virginia Woolf, Huxley, etc)

Klik hier om de beide pagina's met aantekeningen te zien (opent nieuw venster).

Nol Gregoor over de humor van Brakman

Nol Gregoor en Willem Brakman begin jaren 60
Nol Gregoor (links) met Willem Brakman in Lunteren, 1960

Veel recensenten hebben de humor van Brakman genoemd en geprezen, maar eigenlijk is er nooit iemand in geslaagd om deze onnadrukkelijke, onderhuidse humor goed te beschrijven. Ook zijn vriend Nol Gregoor niet in deze nooit eerder gepubliceerde beschouwing waarin hij de recensenten Van Deel en Kuipers ervan beticht dat ze de humor in een van Brakman's novellen zelfs niet genoemd hebben. Gregoor doet dat dan wel, maar blijkbaar is die humor voor hem zo vanzelfsprekend dat hij er geen woorden voor vindt. Opmerkelijk is de opening van het stuk omdat Gregoor tot 1981 elk nieuw werk van Brakman nog direct en gesigneerd toegestuurd kreeg. In dat jaar raakten Brakman en Gregoor gebrouilleerd omdat Brakman in een interview een anecdote vertelde die hij van Gregoor had, maar zonder diens naam te noemen. Gregoor kreeg derhalve in 1983 geen exemplaar van 'De reis van de douanier naar Bentheim'. Vandaar.

Nol Gregoor over Willem Brakman:
"Met maar liefst drie boekhandelaars binnen bereik van mijn woonomgeving heb ik een afspraak, dat zij mij direct opbellen als de nieuwe Brakman binnen is. Wie de eerste en misschien ook de snelste is, heeft mijn klandizie. Met een half uur voor de verste of 10 minuten voor de dichtstbijzijnde, sta ik in de boekhandel en koop de nieuwe Brakman, wat het ook is. Meestal volgen kort daarop nog twee telefoontjes die voor mij te laat komen, ik ben al voorzien..."

Klik hier om verder te lezen.

Interview met Willem Brakman door Nol Gregoor


Nol Gregoor, lezend aan de waterkant (in zijn Marsman periode, 1946-49)

Intensief contact met Brakman gaf de publicist Nol Gregoor van meet af aan de mogelijkheid om over het werk van zijn vriend te schrijven. In 1963 publiceerde hij een uitvoerig gesprek met Brakman over zijn schrijverschap en met name over de roman 'Die ene mens' (1961). Opmerkelijk was dat het stuk in het Roomskatholieke cultureel tijdschrift 'Roeping' verscheen. Gregoor kwam uit een SDAP-milieu en had geen affiniteit met kerk en geloof. De voorkeur van Brakman zal zeker niet naar dit blad zijn uitgegaan. Gregoor verwierf vanaf 1964 bekendheid door zijn radiogesprekken met schrijvers. In dat jaar sprak hij onder andere met S. Vestdijk, Bordewijk en Brakman. Later kwamen daar bij Harry Mulisch, Hugo Claus, Remco Campert, J. W. Holsbergen en de schilder Kees Verwey. De gesprekken met Vestdijk, Bordewijk en Mulisch verschenen later bij reguliere uitgevers. De radiogesprekken met Brakman werden in 1989 in eigen beheer uitgegeven door Gerben Wynia in Hengelo: "Explicateur en advocaat van mijzelf. Nol Gregoor in gesprek met Willem Brakman")

Uit Roeping:
"Toen Willem Brakman in maart 1961 zijn eerste roman Een winterreis (Querido, Amsterdam) publiceerde, heeft de kritiek veel aandacht geschonken aan dit debuut en de begaafdheid van Brakman als prozaïst met nadruk gesignaleerd."

Klik hier om het interview te lezen.

Willem Brakman en het voetbal


Jan Gregoor, links vooraan, met een elftal van een Haagse amateurclub in de jaren dertig

Brakman kreeg belangstelling voor het voetbal door zijn vriendschap met de Haagse broers Nol en Jan Gregoor. Jan speelde in de jaren dertig bij een Haagse amateurclub en Nol richtte in die tijd een voetbalclub op voor personeel van het ministerie van Economische Zaken waar hij werkzaam was. Jan Gregoor werd beeldend kunstenaar en leerde Brakman in het begin van de jaren vijftig om met vetkrijt te werken, een veel goedkoper materiaal dan olieverf. Toen Brakman de foto zag met het elftal van Jan Gregoor maakte hij als hommage aan zijn leermeester een remake van de foto, in vetkrijt natuurlijk. Jan Gregoor zit links vooraan met gebogen knie en is op de tekening te herkennen aan de diepe inhammen in zijn kapsel. Toen bleek dat de oorspronkelijke tekening ging eroderen, maakte Brakman in 2002 een nieuwe versie met acrylverf. Jan Gregoor was docent aan de kunstacademie in Eindhoven en stond model voor de hoofdpersoon 'Jan' in Brakmans roman 'Vincent'.


De remake van de foto uit 1953


De herziene versie uit 2002

Het engagement van Willem Brakman


Tom van Deel en Wim Noordhoek bij de presentatie van "De afwezige aanwezige. Brieven van Brakman", uitgeverij Reservaat, 2008.

Willem Brakman correspondeerde lange tijd met schrijver, columnist en blogger Wim Noordhoek. Noordhoek stelde hem op de hoogte van bezuinigingen die de VPRO van plan was voor zijn radioprogramma "De Avonden". Om hem te steunen schreef Brakman volgende gedicht.

Hekeldicht tegen de bezuinigingen

28 juni 2003

Lieber Herrgott du bist tüchtig
mach den Globus wieder richtig
läss die Welt nicht untergehn
Lieber Herrgott, dáánke sheen...!

Of ik denk aan Lehmanns gedicht:
Ik ging naar Rome om de Paus te zien!
Waar moet dat heen? heen?
het bulderen - goedmoedig - der kanonnen?
met uit een jas, terwijl hij liggen bleef
een brief? 't Laatste wat hij schreef?
o hee, o hee! de oorlog is nog niet begonnen?

Overal grijnzen opeens gedichten.
"The Queen, my Lord, is dead!" (Shakespeare, bekend dichter ttv. Q. Elisabeth)

Ik zou de schrik er in willen jagen met een schel "en bataille"!!
Weg met de pepoen en dat met een stem die wordt als blik!
De VPRO weg? En dan? Jip en Janneke? Connie Palmen?
Cake-eters! met rivieren vergaderkoffie!
Adelaars van gips! Dead men walking! Vlasbaarden!!
De cultuur stort in. Overal stukjes serpentine aan de trottoirrand.
Zie wat er tatoeëert op hol en bol, de piercing ad vaginam.
Fei en nogmaals fei! (fei).

Let wel, kijk uit, zie de hinkstapsprong, de polsstokhoogsprong,
de honderd, de vijfduizend, tienduizendmeter, de marathon!
Iedereen vlucht met starre en lege blik want dat wat komt,
niet anders dan komen kan, is in aantocht.
Ruk u los van onbetrouwbare guitaarspelers, niet-rokers,
projectontwikkelaars, interviewers die knetteren,
jongeren die onze aandacht vragen, soapspelers en musicals,
en Connie Palmen!

De Avonden weg? Al was het maar bij geruchte, never!
Zij is en blijft, gaat niet samen door 1 deur, springt niet voor de rijdende kar, zit de rit uit.
Dweilt niet met de kraan open, houdt 12 kikkers in een kruiwagen, is een en al uitdaging!!!
Is de kerkvader van de radio.
Dit alles vergeten, verzonken, verwaaid, teloorgegaan, uit het oog verloren?
Nooit! Maar toch:
"Die mich jagen legen sich nicht zu schlafen"

of zoals gezegd :
"The painted Indian rides no more
he stands in a tobacco store
his cruel face proclaims afar
the terror of a cheap sigar."

hasta la vista
als steeds egelantierlijk
En wat Connie Palmen betreft:
hier past het koude geweld van het zwijgen.

Willem Brakman en Adorno

Willem Brakman bestudeerde intensief de filosofen die behoorden tot de zgn. Frankfurter Schule. Dit kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in zijn essaybundel Vrij uitzicht (2001).

Of in het essay Waarheid als Poppenkast : "De grote overtuiging schenkt deze filosofie een fabuleus definieervermogen: ook Benjamin, die een zeer perifeer lid was van de Kritische Theorie, stond bekend als een definitorisch genie. Zij zorgden voor de bijtende humor, verrassende wendingen, de taalflonkeringen en verleidingskunsten, kortom voor een eigen specifieke taal die zonder meer van een hoog literair niveau was. Het professoren-duits van Habermas doet hierbij aan als het wegmummelen van een rol beschuit zonder water.

Veel heeft deze filosofie aan het licht getrokken zowel wat betreft de genadeloze uitbuiting en overheersing van de uitwendige natuur, als een verwording en verwildering wat betreft de innerlijke natuur" (uit: Voltreffer, te verschijnen)

Nadat Vrij uitzicht was verschenen, vatte Willem Brakman het plan op om opnieuw een essay te schrijven over Adorno en herlas zijn eigen stuk intensief, zoals uit de scan blijkt.

Klik hier voor een pagina uit Willem Brakmans exemplaar van Vrij uitzicht. (opent nieuw venster)

Willem Brakman en Ludwig II van Beieren

In 1979 werd Willem Brakman door het tijdschrift voor geschiedenis “Groniek” geinterviewd nav zijn roman De blauw-zilveren koning


Omslag: Hermanus Berserik

Uit het interview:
Arts-schrijver is een combinatie die je wel vaker tegenkomt.

"Ja; Vestdijk, Schiller, Claudel, Somerset Maugham. Toch heb ik het idee dat het een toevallige samenloop van omstandigheden is. Tenzij je je afvraagt: hoe ervaart een mens met een meer dan middelmatige gevoeligheid en een meer dan middelmatig vermogen om over dingen na te denken het leed en de ziekte? Dat is de verborgen vraag achter de vraag, denk ik. Zelf heb ik dat verband nooit zo duidelijk ervaren. Ik kom uit een milieu waar geweldig veel belangstelling was voor literatuur. Dit was een andere tijd dan nu. Het was een tijd waarin onder andere ontzettend veel brieven werden geschreven. Mensen die bij elkaar kwamen deden dat niet direct om een feestje te bouwen of om muziek te maken, maar om met elkaar te praten. Het was een discussiërende generatie met een geweldig groot respect voor literatuur, een element wat je nu niet zozeer meer aantreft. Dat waren allemaal vormende elementen. Er was ook geen telefoon. Wij communiceerden met elkaar door het schrijven van brieven, waarin wij zo scherp mogelijk trachtten te formuleren. Dat is verrekte leerzaam voor het schrijven van later. Toen ik ging studeren was de keuze vrijwillig. Je ging gewoon studeren hè. Ik koos medicijnen, misschien wel omdat mijn moeder verpleegster was geweest. Achteraf had ik waarschijnlijk beter iets anders kunnen studeren. Ik heb het vak van arts in feite altijd als vervelend ervaren en heb steeds geprobeerd een rustiger hoek van de medicijnen op te zoeken, waar ik als bedrijfsarts dan ook in geslaagd ben. Een stil binnenwater, waarin ik me aan andere, wezenlijker zaken kan wijden."
Klik hier voor het gehele interview.

Bibeb en Willem Brakman

Willem Brakman werd nav zijn PC Hooftprijs in 1981 door Bibeb in Vrij Nederland (23 mei 1981) geinterviewd. Een fragment:

'Mijn moeder was mediamiek. Vreemde ogen met half geloken oogleden: ze kijken en ze kijken niet. Ik had bloed opgegeven, zat in zak en as. Mijn moeder zei: " 't is niks." Ik liet me onderzoeken in het militair hospitaal want ik was in dienst en ze konden niks vinden. Ik geloof dat ik van m'n moeder te veel heb gehouden. Dat heeft me op erg ingewikkelde wijze nooit met rust gelaten. Die liefde voor m'n moeder heb ik jaloers behoed. Alle aandacht die ik anderen had kunnen geven hield ik voor mijn moeder. Maar ik raakte haar nooit aan, gaf haar nooit een zoen. Dat wijst wel ergens op. Iets waar geen lucht en licht bij kan, daar gebeurt erg veel mee.'
(Bibeb) Je was verliefd.
'Ja, zoiets. Maar ik heb het altijd met grote kracht verborgen gehouden. Ik bracht haar offers: geen vriendjes, niks. Een soort onthouding uit trouw. Ze was een blozende stevige kordate vrouw. In die kordaatheid had ik wel contact, met haar, daarin kon ik me niet verraden. Ze was bij het Rode Kruis, werd overal gewaardeerd, een erg praktische vrouw. Je weet wel, zo'n vrouw met een nimmer eindigende picknickmand, waar ze ook nog pleisters uithaalt voor je kapotte knie. Ik heb altijd over haar willen schrijven. Come-back had eigenlijk over mijn moeder moeten gaan maar het is weer niet gelukt'. Klik hier voor het gehele interview.

Na dit interview hielden Bibeb en Willem Brakman contact met elkaar, meestal telefonisch, of via een kaart of brief en een enkele keer een ontmoeting. Op 14 juni 1997 verscheen een tweede interview in Vrij Nederland. Een fragment:


Studeerkamer van Willem Brakman

'Hij zit op een draaibare stoel tussen de wand met boeken en een tafel met schriften, kladblok en een schrijfmachine. Met enige moeite is er een stoeltje geplaatst voor mij. De rechterhand tot een vuist gebald, barst hij los. " Veelschrijver, dat woord haat ik. Ze weten niet hoe verschrikkelijk hard werken een boek schrijven voor mij is. Zeven maanden zit ik hier dag in, dag uit achter de tafel. Vestdijk schreef twee maanden aan een boek. Ik zeven tot acht. Het is heel arbeidsintensief, ook fysiek. ..."Mijn schrijven is gericht tegen onbegrip. Realistische verhalen, daarin slurpt de intige te veel de aandacht op. Het gaat mij om de innerlijke dramatiek..."

Een innerlijk beeld van buiten gezien

Schilderij

Toen T. van Deel deze korte beschouwing over de schilderijen en de romans van Brakman in het weekblad 'Vrij Nederland' publiceerde, ( 21 december 1985) zag het er naar uit Brakman het schilderen er aan had gegeven. Halverwege de jaren Vijftig maakt hij zijn laatste schilderijen. Van Deel vindt het niet lonend om overeenkomsten tussen het beeldende en het literaire werk te zoeken en legt er de nadruk op dat ze uit dezelfde bron voortkwamen. Toen Brakman in het najaar van 1998 toch weer ging schilderen legde hij op een nog andere manier een verband tussen zijn literaire en zijn beeldend werk. Hij begon aan een reeks schilderijen die van elk van zijn romans iets essentieels zouden weergeven. Het resultaat was te zien op een tentoonstelling in Rijksmuseum Twenthe (van 24 november 2001 t/m 17 februari 2001). Klik hier voor voorbeelden van Brakmans 'dubbeltalent'.


Aan het begin van Brakmans roman 'Die ene mens' is de hoofdpersoon, Akijn, aan het tekenen: 'Hij kraste verder over de bladzijden, steeds meer doelloze lijnen, een web waarin hij nu en dan een poppetje tekende, een Bonzo-de-beerachtig mannetje met een bolhoedje waarop een kaarsje brandde. Om het mannetje tekende hij sneeuwvlokjes.' Het hoeft geen betoog dat Akijn met dat mannetje zichzelf op het oog heeft, iemand dwarrelt door winterse vlokken en omgeven met onoverzienbaar veel lijnen die hem zowel verbinden met de rest van de wereld als hem prettig buitensluiten.
Dit mannetje heeft Brakman, uit de losse pols, talloze malen getekend, in allerlei omstandigheden. Een bloemlezing uit deze zelfportretjes, die dikwijls als afsluiting van een brief fungeren, heeft Gerben Wynia gereproduceerd in het boekje 'Ondertekend'. Het kaarsje dat de man gedurig bij zich draagt, kan te maken hebben met het verhaal van de kruisridder, die heeft gezworen de weg naar huis af te leggen met een brandende, nimmer dovende kaars. Brakman, tegenover Johan Diepstraten ('Bzzlletin' 85): 'Hij gaat er voor achterstevoren op zijn paard zitten, wordt overvallen en bestolen, maar het enige dat voor hem telt is dat hij het vlammetje brandend houdt. Het wordt hem steeds dierbaarder en hoe langer hij het brandend houdt, hoe kostbaarder het wordt. Hij laat zich beledigen, uitschelden en beroven, maar het vlammetje blijft branden en hij wordt een heel ander mens. Hij is iemand geworden met een innerlijk licht dat hij naar huis draagt.'
Toen Brakman door de redactie van 'De Revisor' om een zelfportret werd gevraagd, leverde hij ook zo'n mannetje in, met kaars en sneeuwvlokken, paarskouwe neus, kerstboom onder de arm, voetsporen in de sneeuw. Eronder schreef hij: 'Innerlijk beeld / van buiten bezien.'
Nu zijn deze mannetjes, en andere ermee vergelijkbare schetsjes, natuurlijk als marginale tekenkunst te beschouwen, krabbeltjes die overigens een zeker talent niet verhullen. Het meer serieuze en ook al dadelijk imponerende beeldende werk van Brakman ligt in de grotere tekeningen en vooral in de olieverfschilderijen en waskrijttekeningen. Een ervan kan iedereen kennen, namelijk het schilderij van het bruidspaar tussen twee bomen staande voor de kerk, op de omslag van de roman 'Ansichten, uit Amerika'. Opmerkelijk aan het schilderij zijn de kleuren, warme gloeiende kleuren die veel intimiteit uitstralen.
Hoeveel schilderijen, waskrijttekeningen en tekeningen er van Brakman bestaan weet ik niet en weet hij zelf ook niet precies. Veel is weggegeven, al lang geleden. Vooral in de jaren van zijn militaire dienst en vlak erna, van 1952 tot en met 1956 zo ongeveer, werkte hij er het meest intensief aan.
In zijn jeugd was hij een na-schilder, zoals uitvoerig staat beschreven in 'Een wak in het kroos'. De grote voorbeelden waren toen de schilders van de Haagse School. Het is van betekenis dat de latere Brakman niet bij impressionistische schilders, maar juist bij expressionistische aansluit, en dus het accent heeft verlegd van buiten naar binnen. Dan zijn het schilders als Paula Modersohn-Becker, Emil Nolde, Constant Permeke, Herman Kruyder en Jan Gregoor die hij bewondert en in zekere zin ook navolgt.
De voorstellingen zijn zeer uiteenlopend, hoewel vrijwel zonder uitzondering zeer alledaags. Zo is er: een poppenkast op een dorpspleintje, een urinerende man op de kade met schip op de achtergrond, kinderen spelend in de sneeuw voor een kerk, ridders voor een belegerde stad, scheidsrechter met bal tussen voetballers in, een treintje dat langs behuizing rijdt, kinderen in een kar, een begrafenisstoet, en een man met kind lopend langs een besneeuwd plantsoentje met dieren naast en in de vijver.
Het is verleidelijk om naar overeenkomsten te zoeken tussen dit beeldende en het, pas later geschreven, literaire werk van Brakman. De poppenkast kennen we bijvoorbeeld uit 'Die ene mens', de begrafenisstoet is een veel voorkomend motief, aangrijpend in 'De weg naar huis'. Maar ik geloof niet dat het veel zin heeft om naar directe relaties tussen de beeldende en de literaire voorstelling te zoeken. Wie vertrouwd is met Brakmans literaire werk ervaart zonder veel moeite een dieper liggende overeenkomst in beeldvorming en stemming.
Het is niet zozeer dat Brakman 'schilderend' schrijft - Ter Braak zou hem geen 'schrijverspalet' kunnen verwijten - maar het is meer zo dat aan beide activiteiten, schilderen en schrijven, een zelfde behoefte ten grondslag lijkt te liggen: om een innerlijk beeld uit te drukken. Kennelijk is Brakman zelf van zijn dubbelzijdige begaafdheid weinig overtuigd, want het ene talent liet hij rusten voor het andere. Maar de aandrang tot zijn beeldend werk: een innerlijke stemming uitbeelden, is in feite niet verschillend geweest van wat de aandrang tot zijn literaire werk is. Opvallend in dit verband is het dat hij, sprekend over het centrum van waaruit bij hem een boek ontstaat, daarvoor altijd het woord 'beeld' gebruikt.
Vooral de waskrijttekeningen zijn van een ongekende stemmigheid. Om de diepgloeiende kleuren, de subtiele verschillen in glimmende donkerte, in blauwen en groenen te krijgen, smolt Brakman met paraffine, bijenwas en verfpoeder zelf zijn kleuren bijeen. Merkwaardige mengsels, van schraapsel, afval uit de doos leverden soms de prachtigste verbindingen op. Het zijn moeilijk te reproduceren kleurschakeringen.
Van zijn olieverfschilderijen is die met het mannetje en het kind bij de besneeuwde vijver wel bijzonder aantrekkelijk van compositie en kleur. De spiegeling van de stakerige bomen in het water, of in het ijs; het kind dat wat achterblijft bij de man; de gevoelsstemming verbonden met de blauwwitte sneeuw die overal ligt - het is, juist door het royale, niet-minutieuze schilderen, niet bepaald het werk van een zondagsschilder.
Het mannetje vooraan is overigens het prototype van het bolhoedfiguurtje. Niet alleen door hem, ook door de kleurige voorstelling als geheel, is dit schilderij te beschouwen als een 'innerlijk beeld van buiten bezien'; een korte karakteristiek eigenlijk van Brakmans beeldende én literaire werk.

Winter

Schilderij

"De pop is , net als de roerloze figuur in mijn autobiografie omgeven door oervormen. Sneeuw als vorm...Op die sneeuw heb ik ontzettend gesjouwd: het wit van de sneeuw is geen wit, het is violet, rood, paars".(Pop op de bank, 1989)

Op zaterdag 31 jan 2004 reed Wim Noordhoek met de schrijver Willem Brakman vanuit Brakmans woonplaats Boekelo naar de Duitse stad Münster, waar zij het Westfälisches Landesmuseum bezochten. Brakman, schrijver en beeldend kunstenaar, gaat er vaak kijken naar het werk van verwante Duitse expressionisten als Emil Nolde en Ernst Ludwig Kirchner. Voor hem 'oude vrienden'.
De dag tevoren keken zij allebei met extra aandacht naar het weerbericht, want ze hoopten op sneeuw. En waarachtig, die hoop ging in vervulling. Laat in de middag, op de terugweg door het besneeuwde Westfaalse heuvellandschap maakt de geboren Hagenaar Willem Brakman de balans op. En komt terecht in een beschouwing over sneeuw en museumbezoek.

Klik hier om de uitzending te beluisteren.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright