wbrakman.nl

Bric à Brac

Een archief van eerdere berichten. Beschikbare jaren: 2017 - 2016 - 2015 - 2014 - 2013 - 2012 - 2011 - 2010 - 2009 - 2008 - 2007 - 2006 - 2005 - 2004 - 2003 - 2002 - 2001.

Dit is 2008

Brieven van Brakman: door Theo Hakkert

De Twentse courant/ Tubantia, 9 december 2008
Door Theo Hakkert

(GPD) - Ja, natuurlijk, brieven schreef hij ook. Willem Brakman (1922-2008) publiceerde meer dan vijftig romans en verhalenbundels en dat na een debuut op zijn 39-ste. Onderwijl onderhield hij tal van vriendschappelijke contacten ook per brief. Na Brakmans overlijden kreeg zijn biograaf Gerrit Jan Kleinrensink inzage in de correspondentie met Wim Noordhoek, de VPRO-radiomaker die Brakman vaak naar zijn programma De Avonden haalde. De briefwisseling bleek honderdvijftig items te bevatten, van brieven tot ansichtkaarten.
Kleinrensinks opwelling was de correspondentie met Noordhoek integraal uit te geven, maar bij nader inzien leek het hem beter een selectie te maken, ook uit brieven aan anderen. Niet om de kwaliteit, maar omdat Brakman met elk van zijn correspondenten op een eigen manier omging. Lichtelijk gechargeerd: aan de één schreef hij serieuze, diepgravend beschouwende stukken over zijn werk, tegenover anderen was zijn toon lichter, luchtiger, met grappen en grollen. Door ook te kiezen uit brieven aan de bevriende criticus T. van Deel, jeugdvriend Tom Roos, de Gentse hoogleraar Bart Vervaeck en leden van de Brakmankring weet Kleinrensink in het kleine bestek van nog geen honderd pagina's een goede indruk te geven van de grote epistolaire talenten van Brakman.
De speelse, grinnikende toon van veel van zijn boeken krijgt in de brieven nog meer ruimte. Neem deze regel van een kaartje, uit 1999, aan Noordhoek vanuit Venetië: 'Ik koos voor de spleten, doorkijkjes, gangetjes, scheuren, onderdeurtjes, hofjes, binnenplaatsjes, openstaande kastjes, ramen op een kier en wel gebukt, op handen en voeten, schuifelend langs richels, mij plooiend om hoekjes, gehurkt en sluiks.' Zo'n zin is veel meer dan je normaliter op een ansichtkaart aantreft, maar ook spontaner en minder doordacht dan zijn boeken.
In een brief aan Vervaeck kon hij dan zo weer diepgaand uitleggen waarom hij niet bij de post-modernisten ingedeeld wenste te worden: 'Wie denkt het postmodernisme te moeten afleiden uit de structuur van de samenleving, maakt de literatuur bevestigend, afhankelijk, serviel, in ieder geval niet autonoom.' Hij is allergisch voor de wereld-als-tekst, schrijft hij, en vervolgt het met een prachtig betoog over 'esthetische ernst'.
Dit brievenboek is verschenen in een oplage van 750 exemplaren. Te hopen valt dat het een voorbode is van een meer omvattender uitgave van Willem Brakmans correspondentie. Willem Brakman - De afwezige aanwezige. Uitgeverij Reservaart, Heiloo. 96 pag.'s. 15,75 euro.

Bestellen kan via: De site van Rijksmuseum Twenthe

Willem Brakman en Jan Kuijper (Querido)

Begin december ging Jan Kuijper met pensioen. Hij was bij uitgeverij Querido bijna dertig jaar de redacteur van Willem Brakman. Jan Kuijper publiceerde een aantal dichtbundels en een bundel aforismen, die hij 'Denkbeelden' noemde. Denkbeeld 96 gaat over Brakman:
"Wanneer Brakman in 'Ansichten uit Amerika' de romantekst begeleidt met noten van de verteller en noten van de schrijver, is hij niet met iets totaal nieuws bezig. De drie werkelijkheden die hij onderscheidt komen overeen met die van Max Havelaar, die van Droogstoppel/Sjaalman/Stern en die van Multatuli . Op heel verschillende manieren en vanuit heel verschillende motieven laten beide schrijvers zien hoe zij de wereld van buiten af willen bewegen."

Aansluitend moet denkbeeld 97 gelezen worden: "Wat van deze wereld is, helpt de wereld geen kant uit."

Enige bekendheid kreeg Jan Kuijper als dichter omdat hij de sonnetvorm gebruikte in een tijd waarin bijna elke dichter die vorm verwierp of niet meer beheerste. Voor de bundel 'Tomben' kreeg hij in 1990 de Jan Campertprijs. We citeren hier uit de bundel 'Oogleden' ( 1979) het sonnet over de schilder Jan Sluijters, de grootvader van Jan Kuijper, werkend aan een jeugdportret van zijn kleinzoon.

"Jan Sluijters: Victor in de kinderstoel
Het middelpunt van 't huis: mijn chaise-percée.
Met één blik kon ik 't aanrecht overzien;
ik liet mij wijzen: een zilv'ren machine
voor gehaktbereiding, ...Nog een! - Nee,
dat and're werktuig is bedoeld om twee
snijbonen zoals jij ... Genoeg, bedien
ons van wat daar staat: een fles grenadine
voor in mijn pap, voor jou een potje thee.

Op zoiets kijkt een hooggeplaatste neer:
ik weet er niets meer van, maar 't schilderij
bewijst, dat opa zich een dag bij mij
vervoegd heeft, meer waarschijnlijk een paar dagen.
Fier zwaai ik de lepel; ik weet nu weer
hoe hard ik in de griesmeel heb geslagen.

Willem Brakman en het Rijksmuseun Twenthe

In mei 2008 overleed op 85-jarige leeftijd de schrijver Willem Brakman in zijn woonplaats Boekelo. Brakman had een bijzondere band met het Rijksmuseum Twenthe. Niet alleen was hij een van de trouwste bezoekers, hij stelde bovendien in 2007 zijn eigen Brakman's route door het Rijksmuseum Twenthe samen, een route met zijn favoriete schilderijen.

Als eerbetoon aan Brakman toont het museum een selectie van zijn schilderingen en tekeningen, aangevuld met enkele manuscripten, brieven en foto's. Ook is er een reconstructie te zien van Brakmans werkkamer in zijn huis in Boekelo.

Lees verder op: De site van Rijksmuseum Twenthe

Brakmans Brieven

"Willem Brakman (1922) stierf dit voorjaar, maar dood is hij op geen stukken na. Komend voorjaar, vanaf 17 januari, komt er in het Rijksmuseum Twente een grote tentoonstelling van schilderijen, tekeningen en teksten. Zijn stem zal te horen zijn, zelfs zijn complete schrijfbureau verhuist naar het museum...."

Lees verder op: Avondlog van Wim Noordhoek

Aandacht voor Madame Bovary

Brakmans roman “Het zwart uit de mond van madame Bovary” gaat over een man die aan dezelfde kwaal lijdt als Madame Bovary van Gustave Flaubert. Beiden willen in een onbereikbaar virtuele wereld leven. Door de verwevenheid van Brakmans tekst met die van Flaubert is het boek veel bestudeerd, maar ook bekritiseerd. De aandacht voor Brakmans roman is gebleven.

Anthony Mertens daalt in zijn boek 'Zwaluwziek, leven na een herseninfarct' af in wat hij noemt 'de krochten van de geest'. De ziel daalt af. En ontmoet het 'verborgen ik'. Er komt van alles boven bij 'braakneigingen van het geheugen'. Mertens haalt daarbij ook Brakmans 'Het zwart uit de mond van Madame Bovary' aan.

“'Zwaluwziek' is een goed hard boek. Niets en niemand blijft gespaard. De schrijver zelf het minst,” schreef Wim Noordhoek erover

In het losbladig ‘Lexikon van Literaire Werken van uitgever Wolters-Noordhoff verscheen een studie over ‘Het zwart uit de mond van Madame Bovary’ door Rudi van der Paardt. Hij noteert:”Hoewel de roman ook al vanwege de bijzondere (metrische) titel, één van de bekendste boeken van Brakman is geworden, is het bij twee drukken gebleven”. (gjk)

Willem Brakman schreef bij de hierboven door hemzelf getekende alternatieve omslag van zijn roman:
Het verhaal van Madame Bovary is een drama binnen landelijke contouren. Het is ook een statisch verhaal, de deftige, bezonken, zeer precieze wijze waarop Flaubert het heeft geschreven, is een element van het verhaal zelf.
Het is de rustige stap waarmee het noodlot van die vrouw zich voltrekt. Het hoogtepunt of zo men wil dieptepunt, is het moment dat de stervende Madame Bovary na het 'eten' van arsenicum een golf zwart uitkotst. De betekenis hiervan is dat ze aan het eind van haar leven alle treiterijen en ellende aan allen teruggeeft. Maar hier gaat het om de ondragelijke figuren om haar strefbed, de wereld van de Camera Obscura: rustig, evenwichtig, maar onaanspreekbaar en nauwelijks tot enige emotie in staat. Het wezen van deze tekening is dat ook dit verschrikkelijke moment als het ware verstikt in de reguliere gevoelsarme wereld. De enige die echt sterft is Madame Bovary, de rest is al gestorven.

zie voor andere door Brakman getekende alternatieve omslagen, Dubbeltalent

Brakman en het Letterkundig Museum

pagina uit tijdschrift (1ste van 2)

Het jongste nummer van tijdschrift 'Goede papieren' van het Letterkundig Museum in Den Haag heeft een katern met vier bladzijden foto's van Willem Brakman. Het zijn merendeel bekende foto's maar de afdrukkwaliteit is formidabel. De auteur van een korte begeleidende tekst verbaast zich er over dat Brakman in twee autobiografieën zo weinig feitelijks over zijn leven heeft verteld. Maar hij had kunnen weten dat Brakman schreef vanuit de opvatting "de vrijheid van de geest contra de dwang der feiten". De geste van het Museum is in ieder geval prijzenswaardig nadat het Brakman had verwijderd uit de permanente tentoonstelling van documenten en parafernalia van bekende Nederlandse auteurs. (gjk)

( Goede Papieren, jaargang 3, nummer 2, 2008)

Willem Brakman en de Enschedese kunstwereld

Harry Disberg

Brakmans roman "Kind in de buurt" (1972) is gesitueerd in het milieu van Enschedese kunstenaars. Ze ontmoeten elkaar niet alleen op kunstacademie maar ook in het café van Jan Slot. (Lang geleden afgebroken). De roman begint als de hoofdpersoon Jan Oud zijn collega's in dat café ontmoet. In de roman zijn de namen gefingeerd, maar kenners van Enschede hebben die namen menen te kunnen herleiden tot de echte namen. Onder de stamgasten bevond zich de uit Den Haag afkomstige schilder Harry Disberg, docent aan de academie AKI. Zijn naam komt in de roman niet voor, maar hij is erbij geweest.

'Zo liep de avond om Oud vol; alles wat fotografeerde, schilderde, hakte in of aan de stad, iets verfraaide, op schrift zette of daarover zong, dromde samen om het biljart, waar ze door het licht met glanzende baarden en gouden lokken veranderden in Christussen, apostelen en staalmeesters."

Het bijgaande portret van Harry Disberg is van Paul Citroen van wiens werk het museum De Fundatie in Zwolle momenteel een overzichtstentoonstelling geeft.[gjk]

Brakman bij Zwagerman

omslag

Joost Zwagerman voltooide onlangs zijn derde grote bloemlezing uit de Nederlandse literatuur: “De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays”.
In 2005 nam hij Brakman op in zijn bloemlezing met verhalen en in 2006 in de bloemlezing met lange verhalen.( steeds uitgeverij Meulenhoff)
Het essay in het nieuwe boek heet “Op het spoor van de melancholie”. Brakman las het voor op 19 mei 1992 in theater De Balie in Amsterdam. De tekst werd opgenomen in de essaybundel “Vrij uitzicht” (2001). Brakman laat in het essay zien dat in de 19e eeuw de zwaarmoedigheid nog een kennismogelijkheid van de eerste rang was , “omdat zij een hogere gevoeligheid schonk, die de mens bewust maakte van zijn plaats tussen natuur en geest.” Hij levert daarmee kritiek op de moderne, dynamische tijd waarin de melancholie is gedegradeerd tot een persoonlijke eigenaardigheid die bestreden moet worden.

Zie het menu links onder 'recensies' voor reacties op Vrij uitzicht, bijv. die van Hans Warren Klik Hier: voor de recensie van Hans Warren

Brakman, Israels, Breitner, Noordhoek

omslag

Weer loopt veel samen. Morgen zou ik naar Jozef en Isaac Israels in Den Haag, maar vanmiddag al viel de envelop van de Willem Brakmankring in de bus. Daarin brengt Gerrit Jan Kleinrensink de leden het nieuws dat vanaf 17 januari 2009 een grote Willem Brakman-tentoonstelling wordt gehouden in het Rijksmuseum Twenthe. Met zijn schilderijen, foto's, teksten, en ook waarachtig zijn complete werkkamer....

Klik Hier: voor het gehele stuk van Wim Noordhoek

Willem Brakman en Wim Noordhoek


Wim Noordhoek besteedde in het VPRO radioprogamma 'De avonden' veel aandacht aan Brakman. En Brakman reageerde daar per brief wel eens op. Met zijn brief van 7 februari 2001 stuurde hij Noordhoek een interview uit de 'Haagse Post' van 1988. De titel is "Een tevreden roker is ..." . De tekst is van Hetty van der Wal en de foto van de jonge Noordhoek is van Ronald Hoeben. De foto werd door Brakman voorzien van pijltjes en een Shakespeare-citaat diende als commentaar. Rokende mensen hebben altijd Brakmans aandacht getrokken. Te beginnnen in de verhalen over zijn jeugd in de bundels 'De weg naar huis' en 'Water als water'. Berserik tekent op het omslag van 'Het godgeklaagde feest' een rokende indiaan nav het hierin opgenomen motto:
The Painted Indian rides no more,
He stands in a tobacco-store,
His cruel face proclaims afar,
The terror of a cheap cigar
.
[gjk]

Willem Brakman over populaire striphelden

Rijksmuseum Twenthe in Enschede laat een sculptuur zien met Mickey Mouse van de hand van de Enschedese kunstenaar Midas Zwaan. Postmodern van stijl omdat populaire cultuur hier verheven wordt tot officieel kunstwerk. Brakman werd vaak en tot zijn ongenoegen tot de postmoderne literatuur gerekend. Vóór dat er van postmoderne kunst sprake was zag hij de mogelijkheden er wel van in. Zijn verhaal 'Bedlam' uit 1979 gaat over een psychiatrische inrichting waar de artsen de eerste tekenen van de Apocalyps ontwaren: slangen, briesende paarden met donderend hoeven, onheilspellende geluiden en kleuren. Het bijbelboek noemt ze allemaal, maar Brakman voegt er wat populaire cultuur aan toe. Men ziet bij het gesticht ook: "Een vreemd, wat achterhaald schouwspel, vooral door het verschijnen van drie roze biggen die hand in hand, getooid met matrozenmutsjes, zingend heen en weer dansten." En daar is ook de Grote Boze Wolf als apocalyptisch teken: "De geweldige roze tong in de slee van zijn onderkaak schoof zachtjes heen en weer tegen de gele hoektanden. De geknikte hoed met zwarte band, die hij op het hoofd droeg, deed niet komisch aan, eerder grimmig en honend (...) Maar boven het tumult uit was het hoge jammeren te horen van de biggen, klagende telefoonstemmetjes, een driestemmige doodsangst." Rijksmuseum Twenthe laat vanaf 17 januari 2009 een tentoonstelling zien van schilderijen, handschriften, foto's en curiosa van Willem Brakman. [gjk]

A.F.Th. van der Heijden over Willem Brakman

Vorige week verscheen Kruis en Kraai: De Romankunst na James Joyce, van A.F.Th. Van der Heijden. Van der Heijden geeft hierin zijn visie weer over De Roman in de vorm van een brief aan zijn vriend en vroegere redacteur Anthony Merthens.

Over Willem Brakman zegt hij (p.72):
...De dood en de doden zelf ter inspiratie daar wordt het al linker, want volgens La Rouchefoucauld kan men zich noch de zon noch de dood recht in het gelaat kijken. 'Le soleil ni la mort ne se peuvent regarder fixement.' Niet voor niets beeldhouwden de Maja's schedels omkranst door zonnestralen.
Hoe dit ook zij, een van de mooiste sterfscenes uit de Nederlandse literatuur staat aan het eind van Kind in de buurt van Willem Brakman.
Er was een tijd, Anthony, dat wij aan het citeren van slotzinnen genoeg hadden om de dood als een vlieg van ons af te slaan - of sloegen we toch een vluchtig kruisje?
'Hij had nog een paar pingpongballetjes lucht, net genoeg om te vragen hoe laat het was, maar onderweg veranderde hij van mening, zei nog vrij duidelijk "ik sterf" en stierf.
"Jan, Jan,"snikte Adelheid, "overdrijf toch niet zo."

Brakmanland

Het tijdschrift 'Bunker Hill' stelde deze zomer een nummer samen over de fantastische vertelling. Om de dubbelzinnigheid van de betekenis 'fantastisch' te vermijden gebruikte S. Vestdijk hier 'fantaisistisch'. Zoals bekend is niet elke fantastische vertelling fantastisch, maar Vestdijks term heeft het niet gehaald.

Dit jubileumnummer van 'Bunker Hill' bevat een voortreffelijke beschouwing over het werk van Brakman van de hand van de romanschrijver Arie Storm. Storm noemt zijn stuk 'Dwalen in Brakmanland' en hij bedoelt daar het oeuvre van Brakman mee. Merkwaardig is dat hij Brakman niet tot de fantastische schrijvers rekent die in dit nummer ter sprake komen. Storm is een Hagenaar en herkent zijn stad in het werk van Brakman terdege. Brakman is een realist, zegt Storm. Hij had het dus ook kunnen hebben over de Haagse wijk Duindorp als Brakmanland, maar dat land bestond alleen in de jaren dertig van de vorige eeuw.
[ 'Bunker Hill', nr. 41, jaargang 11, juni 2008, blz. 48-54] [gjk]

Willem Brakman in België (4)

De foto toont Brakman in het museum van de slag bij Waterloo. Het tafereel dat hij aanschouwt stelt Napoleon voor met op de achtergrond zijn veldbed en een bediende.
Brakman was niet speciaal in de Franse keizer geïnteresseerd, maar wel in het verschijnsel van de militaire terugtocht. En Napoleon heeft een beruchte terugtocht op zijn naam staan, die uit Rusland in 1813.
In Brakmans roman ‘Een winterreis’ stuit de hoofdpersoon Akijn op de geschiedenis van een van zijn voorvaderen – Isaäc Ackijne – die bij het leger van Napoleon ingelijfd was en verscheidene van diens veldslagen overleefde. De ‘Geschiedenis van de familie Brakman’ schrijft deze wapenfeiten toe aan Isaäc Brakman uit Terneuzen.
In het verhaal ‘Oom Izak’ uit de bundel ‘Jongensboek’ sluit de ik-figuur zich aan bij het Pruisisch leger dat in de Zevenjarige oorlog (1756 – 1763) vecht tegen Oostenrijkers en Saksen. Tijdens de slag bij Lobositz deserteert de ik-figuur en begint een avontuurlijke terugtocht naar huis, naar Terneuzen.

“Thuiskomen is het mooiste wat er is. De mens is van nature een thuiskomer en mogelijk heeft hij alles bereikt als hij bij een licht vallende sneeuw zijn voordeur kan openen en na wat omarmingen en begroetingen zich uit kan strekken in een stil vertrek. Daarom is thuiskomen ook altijd een teleurstelling, daar men niet alles onder regie kan houden.” [ ‘Jongensboek’, blz. 65 ]

Het begin van het thema is na te lezen in de verhalenbundel ‘De weg naar huis’, ( 1962) [gjk]

Willem Brakman in België (3)

De foto toont Willem Brakman voor het huis in Brussel waar W.F. Hermans enige tijd gewoond heeft na zijn Parijse periode. Brakman en Hermans hebben elkaar slechts één keer ontmoet. Hermans feliciteerde Brakman met de toekenning van de P.C.Hooftprijs op een boekenmanifestatie in Amsterdam die de Bijenkorf in die tijd regelmatig organiseerde en waar schrijvers hun eigen boeken verkochten ("geen rimpeltje te zien" was het commentaar van Brakman achteraf). Ze hebben ook over elkaar geschreven.

Hermans schreef in 1976 een beschouwing over de romancier en diplomaat Van Oudshoorn. Hij had de man ontmoet, maar vond het moeilijk zijn gezicht te karakteriseren. Hij citeert dan uit een brief die hij ontving van Nol Gregoor: “Ik ken van Van Oudshoorn maar twee portretten […] Toen ik een vriend, de schrijver Willem Brakman, dat tweede portret na het eerste toonde, was hij over de ontluistering van de indruk die het eerste portret op hem maakte, zeer teleurgesteld.”
Hermans vervolgt: “Misschien zou het heer Brakman kunnen troosten dat van sommige mensen haast geen twee foto’s kunnen worden gemaakt die op elkaar lijken ( …) .” Hermans’ betoog is herdrukt in ‘Houten leeuwen en leeuwen van goud’ (1979, blz. 323 e.v.)
Brakman schreef in 2000 voor het Hermans-symposium in Amsterdam de kritische beschouwing ‘Hermans onder het vergrootglas’, te vinden in ‘Apollo in brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans’ (Amsterdam 2001. blz. 235 e.v.) [gjk]

klik hier om dit stuk te lezen

Willem Brakman en België 2

Brakman is hier met vrienden te zien in de tuin van het Husserlarchief in Leuven. Zijn belangstelling voor de filosofie bracht hem ook naar deze plek van de stad. Het beeld op de achtergrond stelt echter niet de filosoof Husserl voor, maar de kardinaal Mercier, die niet bepaald vlaamsgezind was. Maar Brakman was wel geïnteresseerd in het doen en laten van de Roomskatholieke clerus, ook al was hij zelf geenszins Katholiek. Zo figureert er in 'Die ene mens' een Jezuïet met grote bijbelkennis én met bronchitus. In 'Een heiligverklaring' onderhandelt de hoofdpersoon regelmatig met hoge geestelijken over de heiligverklaring van zijn oom Sjaak, die een voorbeeldig vakbondsman was. Maar het hoogtepunt van Brakmans clericale belangstelling is de roman 'De vadermoorders'. De agent Duck van de Scotland Yard doet in dit boek een onderzoek naar de moord op de paus. Het hele Vaticaan wordt er voor overhoop gehaald en het beeld dat de lezer ervan krijgt is geheimzinnig genoeg, zoals te verwachten, maar ook bizar en humoristisch, zonder ook maar een moment op het werk van Monty Python te leunen. Daar was Brakman weer te ernstig voor. [gjk]

Willem Brakman in België (1)

Brakman had een voorkeur voor België. De dood van koningin Astrid in 1935 werd een hoogtepunt in zijn jeugdervaringen, maar ook pijptabak uit de Ardennen, chocolade uit Brussel, de schilderkunst van Ensor en van Raveel betekenden wat voor hem. Hij reisde een paar keer naar Antwerpen om het huis van Elsschot in de Lemméstraat te zien, maar ook het leven van Simenon in Luik interesseerde hem. Bij een bezoek aan die stad strandde hij met vrienden op de Luikse kermis. Simenon woonde toen al rijk en ongelukkig op een kasteel in Frankrijk. De foto uit 2001 toont Brakman met de Gentse hoogleraar Bart Vervaeck aan de rand van Mechelen, ter herkennen aan de stadspoort op de achtergrond.

Vervaeck publiceerde vaak over Brakman; Brakman-Cahier 2: is nog verkrijgbaar: Bart Vervaeck, Lijf en letter, over Het godgeklaagde feest van Willem Brakman.

Willem Brakman en Marcel Proust

Willem Brakman heeft vaak verteld over zijn fascinatie met het werk van Proust.
"Iedereen die in Proust geinteresseerd is, kent de foto waar hij is gezeten in een chaise longue, het hoofd ondersteunend en met een gelaatsuitdrukking die Cocteau een keer prachtig heeft beschreven. Een enkele keer, zegt hij, kon op de een of andere feestelijke bijeenkomst, diep in de nacht en tot ieders verbazing Proust verschijnen. Gehuld in een bontjas begon deze dan direct te praten, even boeiend als eindeloos want, zo zegt Cocteau, te moe om met dat praten op te houden. Daar hoort zonder meer het gezicht bij van de chaise longue: gesluierd, verzonken, niet gelukkig en moe."

Klik hier om dit stuk verder te lezen,

"Proust werd 51 jaar, hij stierf in 1922, het jaar waarin ik werd geboren. Dit laatste is natuurlijk geen verwijzing naar een reincarnatie, maar die dingen vallen toch op. Zo zal ik ook, als de gelegenheid zich voordoet, er en passant de aandacht op vestigen dat Nietzsche stierf in 1888 en u weet, dat was het jaar dat Jack the Ripper door het Londens East End sloop en wiens ware identiteit men nooit heeft kunnen ontdekken. Kleine eigenaardigheden, onwaarschijnlijke verbanden, die echter niet zonder betekenis hoeven to zijn, wat al een zeer proustiaanse gedachte is."

klik hier om dit stuk verder te lezen (uit: Vrij uitzicht)

Willem Brakman in de NRC

Op de boeken site van de NRC is een groot aantal recensies beschikbaar die de afgelopen jaren over het werk van Willem Brakman zijn geschreven. Klik hier om de site te bekijken

Dát was nog eens lezen! Willem Brakman en het jongensboek

In de documentaire die Hans Keller over de onlangs overleden criticus Kees Fens maakte, krijgt Fens de gelegenheid voor te lezen uit zijn favoriete jeugdboek. Hij kiest voor 'Fulco de minstreel' van Johan Kieviet, een jongensboek uit 1892. Velen gingen hem voor in bewondering voor dit boek. Simon Carmiggelt rekende zich in 1956 tot de eerste schrijvers onder de bewonderaars.

In 'Dát was nog eens lezen!' ( Querido,1972) vinden we bij diverse auteurs Fulco de minstreel als het begin van hun leescarrière ( Willem Brakman, Han G. Hoekstra, Alfred Kossmann). Brakman wijdt er zelfs zijn gehele artikel aan, al speelt de meester die het verhaal voorlas, een minstens zo grote rol.

Klik hier om het stuk te lezen

Arjan Peters over de museumroute van Brakman

Het boek is te bestellen bij de museumwinkel: Klik hier

Willem Brakman: 1922-2008

Door Vincent Schmitz, redacteur bij uitgeverij Prometheus, afgestudeerd op het werk van Brakman, zaterdag, mei 17, 2008

Eens zei mijn moeder me: 'Waarom stuur je die schrijver niet een brief om hem te vertellen dat je zijn boeken mooi vindt? Voor je het weet is zo'n man er niet meer, en dan heb je er misschien spijt van.' Toen ze dat zei, was Willem Brakman al 75 jaar, en ik dacht: er zit iets in, de tijd dringt, en wie weet schrijft hij terug. Ik had op dat moment net een stuk over Heer op kamer geschreven voor mijn studie, een van zijn toegankelijker boeken, en ik denk dat mijn brief onder meer over die novelle ging, maar zeker weet ik het niet, want het is alweer enige tijd geleden. Ik stuurde de brief naar zijn uitgever, en twee of drie dagen later al was er een antwoord uit Boekelo. Zijn brieven bleken soms even ondoorgrondelijk als zijn boeken, al lag dat ook aan het doktershandschrift, waaraan ik moest wennen.
'Brakman ga je alleen lezen omdat het moet voor je studie Nederlands,' zei iemand me vorige week, en zo is het. Voor mij begon het met Een weekend in Oostende en Het zwart uit de mond van Madame Bovary, twee verplichte boeken tijdens mijn eerste studiejaren, en ik ben de universiteit nog altijd dankbaar voor die kennismaking, want nee, anders was het er misschien nooit van gekomen. Later werd ik gegrepen door Kind in de buurt, Interieur, De graaf van Den Haag en vooral Heer op kamer, dat ik in 1999 opnieuw als onderwerp koos toen ik mijn afstudeerscriptie schreef. Intussen correspondeerde ik zo nu en dan met de auteur, en eens ontving ik een kerstkaart van hem met de woorden 'Alles is tekst' - een opmerkelijke kerstboodschap misschien, maar wel een die ik me nu nog steeds herinner.
Het bericht dat hij was overleden - op mijn moeders verjaardag, dat ook nog eens - kwam geheel onverwacht. Enkele dagen daarvoor nog vroeg ik me op deze site af 'waar de nieuwe Brakman eigenlijk bleef'. De correspondentie was al jaren geleden ten einde gekomen, en ik bleef zijn nieuwe boeken wel kopen, maar hield het lezen ervan steeds minder bij. Toch schrok ik erg van zijn overlijden. In alle in memoriams werd vermeld dat hij amper werd gelezen en dat zijn boeken zelden werden herdrukt. Alsof de man onleesbaar was. Tsk. Zo was het natuurlijk niet. Zijn proza was prachtig en volstrekt uniek; niemand schrijft zulke zinnen. Ook de plotwendingen in zijn romans waren onnavolgbaar, vooral omdat je ze nooit zag aankomen; vaak bladerde ik even terug omdat ik dacht iets te hebben gemist, maar nee hoor, ik had niets gemist. Het stond er gewoon niet in. 'Treiterproza' noemde een collega Brakmans werk eens. Vriend Niels verzuchtte tijdens een bespreking van De koning is dood in het tijdschrift Nymph: 'Bij het lezen kreeg ik gewoon het idee dat er bladzijden waren weggevallen!' Brakman zelf schreef in zijn essaybundel De jojo van de lezer: 'Waar u mij verstaat, moet sprake zijn van een misverstand.'
Over misverstanden gesproken: niet alleen werd zijn werk in enkele artikelen die onlangs in diverse kranten over hem verschenen, gekwalificeerd als volstrekt ontoegankelijk, ook vermeldde Teletekst dat een van zijn bekendste werken Portret van een dame was (een boek dat hij nooit schreef; wel is het een van Henry James' bekendste romans), en vermeldde NRC Handelsblad dat De vadermoorders niet in 1989, maar al in 1982 verscheen. Och och. Intussen koester ik de meer dan vijftig boeken die ik van hem in mijn kast heb staan, en het besef dat ik nog zeker de helft ervan niet heb gelezen; nog zo veel moois te ontdekken! Ja, ik mis Willem Brakman nu al.
Zie ook:
hier voor "de blogspot" van Vincent Schmitz

Toespraak van T. van Deel bij de crematie van Willem Brakman, 8 mei, 2008

Dames en heren, vooral: lieve Moof, Paulien, Steven en familieleden,

De Zweedse dichter Lars Gustafsson heeft een gedicht geschreven waarin hij zich de vraag stelt hoe de wereld er uitzag vóór Bach, een wereld dus voor de Triosonate in D, voor de partita in A mineur, een wereld waarin alle muziekinstrumenten plus degenen die hen bespeelden nog niet konden weten van het bestaan van het Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier, een wereld waarin, ik citeer, "de sopraanstem uit de Johannes Passion / zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde / rond de mildere windingen van de fluit". Ik moest aan dit gedicht denken toen ik mij afvroeg wat ik hier kon zeggen. Er heeft zeker een wereld bestaan voor Brakman, voor 'Een winterreis' en 'De weg naar huis' en 'Die ene mens' en 'De opstandeling' en 'De gehoorzame dode'. Ik weet dat, maar in die wereld heerste, achteraf gezien, nog een grote stilte. Pas op mijn zeventiende, in 1962, werd die doorbroken, want toen leende ik uit de dependance van de Openbare Bibliotheek aan de Mient in Den Haag de kleine roman 'Een winterreis', en vanaf dat moment werd mijn wereld definitief uitgesproken door Brakmans werk. Twee jaar later, in de zomer van 1964, zijn bijbelse roman 'De gehoorzame dode' was net verschenen, zocht ik hem op in Enschede om hem een interview af te nemen voor de jongerenpagina van De Nieuwe Haagsche courant, Ruimte voor ons..., waar ik redacteur van was. Het eerste wat ik hem laat zeggen in dat stuk is het volgende:

,,'Wat een lawaai hier hè. Ja ik kan er niet tegen. Ik heb al twee ramen en vensters achter elkaar laten maken om tenminste een fatsoenlijk gesprek mogelijk te maken. Als je bv. in een Citroëntje zit dan moet je niet denken dat je alles maar zeggen kunt. Je bent genoodzaakt je gesprek te beperken tot de meest elementaire opmerkingen. Alle subtiliteiten zijn onmogelijk. Ik heb wel eens gedacht, ik zou zo'n houten wagen van gemeentewerken moeten hebben, met twee ruitjes erin, om rustig in te zitten. Ik heb gevraagd hoe duur ze zijn - 300 gulden' Hij kijkt me scherp aan. 'Dat is erg veel' zeg ik, 'ongelooflijk'."
Ik moet toegeven, er zijn, ook door mij later, betere gesprekken met Wim gevoerd, maar toch tekent deze geluidskwestie in verband met de onderlinge verstaanbaarheid het leven van de schrijver evenzeer als zijn werk. Hoe dan ook, sinds die tijd bestaat voor mij de wereld van Brakman, wij zijn bevriend geraakt, ik ben zijn boeken blijven lezen en waarderen, heb de meeste ervan in de krant besproken, we zijn vele tientallen keren samen opgetreden, hebben veel gecorrespondeerd, en intussen breidde die wereld zich aldoor maar uit, want Wim was weliswaar een late debutant, maar toen eenmaal de schrijver in hem ontketend was, bleek al gauw een tempo van één boek per jaar te traag voor zijn gedreven talent.
"Ik schrijf uit pure noodzaak, om overeind te kunnen blijven. Uit angst dat de wereld uit elkaar ploft." Wie dat beweert legt een dwingend verband tussen leven en werk en zo is het ook gegaan: tot voor een paar jaar is hij blijven schrijven en publiceren, ondanks Moenens hoge sprongen, ondanks misschien wat tegenvallende respons. Toen hij na een paar keer te zijn genomineerd voor de Librisprijs steeds toch niet in de prijzen viel, dreigde hij de pen voor het penseel te gaan verruilen. Als de mensen zijn boeken dan niet wilden lezen zou hij ze die boeken wel 's laten zien, en hij zette zich ertoe al zijn romans te transponeren in beelden, schilderijen die voor hem de beeldende samenvatting vertegenwoordigden van zijn boeken.
Hoeveel plezier hem dit veeleisende schilderen ook verschafte (vaak met waskrijt, maar ook met acryl en olieverf), toch bleek de drang om te schrijven niet te onderdrukken, wat niemand die hem kende werkelijk verbaasde. Wim was een prater, een verteller, een schrijver: iemand die in de loop van al die jaren zo ongelooflijk veel ervaring had opgedaan met de taal dat hij er in zijn eigen stijl alle mogelijkheden van kon benutten. Hij zei het een keer zo: ,,Ik maak er een taalfeest van. Ik ben gefascineerd door taal, door de kracht ervan en de macht erover. Neem Shakespaere met zijn rollende retoriek. Als óns iets ergs overkomt, blijven we meestal steken in 'ach God, ach Jezus, achachach, tjongejonge,' maar niet aldus Shakespaere. Slaat bij hem het lot verpletterend toe, dan ontstaat er uit de mond van de hoofdfiguur een kathedraal van woorden. In die zin, bedoel ik, kan vakmanschap toenemen; ik schrijf een verhaal, er gebeurt van alles, maar ik bekleed het nu met de macht en de heerlijkheid van het woord."
Dat zei hij al in 1978, het volgend jaar kreeg hij de Constantijn Huygensprijs, het jaar daarop de P.C. Hooftprijs, en daarna schreef hij nog bijna veertig boeken, driekwart van zijn oeuvre! Als er één schrijver in het Nederlands is geweest die zich met recht de Meester van de Verbeelding mag noemen is het Willem Brakman geweest. En hoewel die verbeelding altijd stoelde op ervaringen uit het eigen leven, in het bijzonder de eigen jeugd, èn op de lectuur van verhalen van anderen, zoals Kafka, Cervantes, Flaubert, Dante, de bijbel of Dik Trom, 'Met Pieter Pikmans het zeegat uit' of 'De club van Rustoord' - altijd ook weer wist hij zijn stof zodanig te variëren en te vervormen dat er telkens weer unieke en onverwisselbare romans of verhalen uit ontstonden. Een van de meest onvoorstelbare gevolgen van Wims dood is dat er nu een eind is gekomen aan zijn creativiteit.
Een tijd lang, na 1981 toen 'Ansichten uit Amerika' verscheen, heeft hij wanneer hem gevraagd werd op te treden en iets voor te lezen uit eigen werk, gekozen voor het verhaal van de cowboy, uit de genoemde roman. Daarin wordt een cowboy doodgeschoten en in een kist rechtop gezet tegen de pui. De burgemeester neemt de cowboy in zijn kist mee naar huis, waar de burgemeestersvrouw hen hartelijk verwelkomt, lekkere koffie inschenkt en zich daarna bescheiden terugtrekt. Dan ontstaat er, zoals wel vaker in Brakmans werk, een gesprek tussen de levende en de dode, waarin de laatste beweert het vertellen niet te kunnen laten, uit een overstelpende mensenliefde. "Zo, zei de burgemeester, die dubbend over zijn kin streek, 'en wanneer houdt dit merkwaardige vermogen om te spreken op? Nimmer, zei de man in de kist, ook al omwaait mij de vrieskou uit de diepste schaduw der vallei, nimmer!'

En zo is het ook, want wie Wims boeken leest maakt, ook nu hij er zelf niet meer uit kan voorlezen, kennis met dat merkwaardige vermogen om te spreken dat van geen ophouden weet. Zelf heeft Wim ooit gerept van 'De troost van de vorm', de vorm die zin zou geven aan een overigens zo zinloos lijkende werkelijkheid, maar nu hij zelf ontbreekt is er toch in elk geval de troost van die onthutsend vele vormen met titels als 'Een weekend in Oostende', 'Jongensboek', 'De reis van de douanier naar Bentheim', 'Een vreemde stam heeft mij geroofd'.

Maar er zijn ook de herinneringsbeelden, als evenzovele bewijzen van zijn bestaan, zijn nog steeds bestaan in ons hoofd. Ik koester er vele, soms met geluid erbij. Zo zie ik hem in Israël na ons bezoek aan het graf van Lazarus uit de diepte omhoogkomen met een guitig lachje. Ik zie zijn wat verstoorde gezicht mij tijdens een openbaar interview aankijken nadat ik hem geïnterrumpeerd heb en ik hoor hem zeggen "Zeker, zeker" om vervolgens gewoon door te gaan met waar hij mee bezig was. Ik zie hem op de voorste rij luisteren naar een lang citaat uit eigen werk en achter een hand voor zijn mond lachen met kleine schokjes. Ik hoor hem door de telefoon reageren op een gunstig oordeel over zijn nieuwe roman: "Ja, zeker, een mooi boek hè? Een mooi, een beetje brommerig boek, zeker, zeker'. En ik zie hem lopen door de straat waarin ik woon, ik rijd hem achterop want had wat gebak gehaald voor bij de koffie, hij loopt midden op straat, aan weerskanten geflankeerd door hoge iepen, en tik hem op zijn schouder. Verrast maar niet helemaal aangenaam haalt hij snel zijn oordopjes uit zijn oren en begint hij deze prachtige, zeer voorname straat waarin hij al lopend zo zijn gedachten had te prijzen tot we mijn huisdeur bereikten.
We zullen nadien zeker afscheid van elkaar hebben genomen, voor zolang het duurt, maar dat herinner ik me niet meer. Ook nu neem ik geen afscheid, ik zou niet weten hoe. Ook na hem is er nog steeds de wereld van Wim Brakman

Auteur Willem Brakman overleden

Door onze redacteur Arjen Fortuin (M.m.v. Pieter Steinz), 9 mei, NRC-Handelsblad
Amsterdam, 8 mei. Auteur Willem Brakman is vanochtend op 85-jarige leeftijd overleden in de gemeente Enschede. Dat heeft zijn uitgeverij, Querido, laten weten.

Het mausoleum. Zo noemde Willem Brakman de kast in zijn woonkamer waar zijn meer dan vijftig boeken rug aan rug in geklemd stonden. Nooit keek Brakman, die gisteren na een lang ziekbed op 85-jarige leeftijd in Enschede stierf, zijn eigen werk nog in. "Een mens maakt ook geen graf open", zei hij enkele jaren geleden in een interview met deze krant. "Dat vindt u misschien eigenaardig", voegde hij daaraan toe. "Maar gewone mensen schrijven geen goede boeken." Dat laatste had het motto van Brakmans schrijverschap kunnen zijn. Want het oeuvre dat hij sinds zijn (late) debuut op 39-jarige leeftijd opbouwde is even goed als ongewoon. Wie Brakman leest, heeft al snel een dubbele ervaring. Eerst de gedachte: wat is dit goed! Enkele pagina's later gevolgd door een wat onzekerder: ik geloof niet dat ik het helemaal begrijp. Dat vindt zijn oorzaak in de manier waarop Brakman schreef. Hij geloofde niet in en detail geconstrueerde verhalen, maar noemde zich 'een diepgelovige wat betreft de inval'. Dat uitte zich bijvoorbeeld in zijn fietstochten in de omgeving van zijn huis in Boekelo: "Dan neem ik pen en papier mee. Als me iets te binnen schiet, stap ik meteen af om het op te schrijven. Dat kan dan het gebrabbel van een gek lijken, bijvoorbeeld de woorden 'eidooier' en 'roskam'."
Langs die wegen schreef Brakman een groot oeuvre van veelal kleine boeken bijeen, in een tempo dat zijn uitgever soms op achterstand zette: als de ene Brakman verscheen, had hij vaak de volgende al ingeleverd. "Mensen denken dat ik snel schrijf", zei hij zelf, "Maar dat is een misvatting. Maar ik schrijf wel onophoudelijk. Ik heb een traag talent."
Dat trage talent trad de Nederlandse letteren in 1961 binnen. Daarvoor had de jonge student Willem Brakman (geboren op 13 juni 1922 in Den Haag) zich volgezogen met Nijhoff en Marsman, maar uiteindelijk, denkend aan de scheepsarts Slauerhoff, voor een medicijnenstudie gekozen. Hij twijfelde over psychiatrie, maar koos voor een bestaan als huisarts en later bedrijfsarts. Zijn literaire debuut kwam voort uit zijn correspondentie met de dichter Nol Gregoor (1912-2000). Die las Brakmans eerste verhaal voor aan Simon Vestdijk, die ervan onder de indruk was. Zo verscheen in 1961 Een winterreis. Brakmans debuutroman - een in vergelijking met zijn latere werk tamelijk conventionele vertelling - werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Vele prijzen zouden volgen, waaronder de Bordewijkprijs (voor Zes subtiele verhalen, 1979) en de P.C. Hooftprijs (voor zijn hele oeuvre, 1980).
In minder dan een halve eeuw publiceerde Brakman meer dan 50 bescheiden romans, waarin het verzet tegen de vergankelijkheid en de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding de belangrijkste thema's zijn. Brakman, wiens ironische proza vol archaïsmen en literaire verwijzingen soms barok overkomt, vertoonde daarbij een voorliefde voor het variëren op bekende verhalen uit de wereldliteratuur, van de opstanding van Lazarus uit de Bijbel tot het werk van Kafka. De postmoderne inslag van zijn oeuvre, en zijn surrealistische manier van vertellen, heeft Brakman nooit een groot lezerspubliek opgeleverd; de meeste van zijn romans kwamen niet verder dan een eerste druk, en de laatste keer dat er een tweede kwam, was toen Jan Mulder in een CAMU-column op de voorpagina van de Volkskrant schreef dat hij De gifmenger (2003) een 'magisch boek' vond, 'slow en samba.'
Dat zijn invalgestuurde manier van schrijven Brakman de reputatie opleverde een ontoegankelijk auteur te zijn, en dat hij het moest doen met een beperkte schare liefhebbers, leek hem nauwelijks te deren. Hij wantrouwde de literaire wereld (die hem tot zijn grote woede in 1997 uit de permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum verwijderde) en stelde zich tevreden met zijn verblijf in de periferie, preciezer: in een bungalow aan een woonerf onder de rook van Enschede. ,,Ik heb er geen behoefte aan om met andere schrijvers in een bruin café te zitten," zei hij in 2003. "Daar hoor ik niet tussen. Ik lees hun boeken ook niet of nauwelijks. Ik heb een eigen stem, die moet je koesteren." Brakman wilde ook uit de buurt blijven bij wat hij de massaliteit van de kunstindustrie noemde. ,,Die is in staat binnen een week Connie Palmen aan de top der toppen te krijgen. Kwaliteit speelt daar nauwelijks nog een rol en dat maakt me doodsbang. Daarom is het belangrijk dat goede schrijvers de moed niet opgeven. Ik heb 50 boeken geschreven, dat heeft me niet meer dan kopergeld opgeleverd, maar heb nooit een seconde gedacht ik hou ermee op. Dat is een bewijs van goed schrijverschap." 'Schrijven is het heilige in de alledag', schreef Brakman in De gifmenger (2003), 'het kunnen onderscheiden tussen de saaie kiem, kern, en architectuur en de emailleglans van naad, van knooppunt en van het netwerk dat ruist als vele sprinkhaanvleugeltjes [...] Het is ook de lust tot vernielen, de wil uit de wens geboren zich aan iets te kunnen vastklampen dat stevig is en bewezen.' In het interview dat hij bij het uitkomen van De gifmenger gaf, voegde hij daaraan toe: "Schrijven heeft een element van boosaardigheid in zich. Ik schrijf intrigerend, houd het zwevend rondom een centrum van boosheid, iets troebels en ondoorzichtigs. Daarover moet je niet te ernstig doen, net als over de dood."

Zie ook:
Klik hier voor "Het zuiverste gif", interview NRC
Klik hier voor "Bij Mann ontmoette ik de schoonheid van het vertellen", Interview NRC

I.M. Willem Brakman: uit de VPRO gids, nr.22 2008

Het verhalende karakter van de waarheid: Willem Brakman 1922-2008

Door Arie Storm.
Arie Storm verzorgt de boekenrubriek bij de TROS Nieuwsshow op Radio 1 tussen 10.00 uur en 11.00 uur. Daarnaast stond deze necrologie in het Parool, 9 mei 2008


In de vroege ochtend van 8 mei is de schrijver Willem Brakman overleden, meldde zijn uitgever. Brakman is 85 jaar geworden. Dat is niet bijzonder jong, toch grijpt dit overlijden mij zeer aan. Hij is een van mijn lievelingsschrijvers. Als ik even stop met schrijven en mij omdraai, zie ik zijn boeken achter mij. Ze vormen een flinke rij in de boekenkast. Brakman publiceerde ruim vijftig titels, ergens las ik zelfs dat het er tachtig zijn, hij publiceerde kortom véél. Zijn laatste roman kwam in 2006 uit. De titel vind ik al meteen erg sterk, die luidt Naar de zee, om het strand te zien. Het schijnt trouwens dat er nóg een roman van Brakman komt, of in elk geval dat hij met een nieuw boek bezig was.

Brakman, geboren in Den Haag op 13 juni 1922, debuteerde betrekkelijk laat, op 39-jarige leeftijd, met de roman Een winterreis (1961). De hoofdpersoon in dit boek probeert het verleden tot leven te brengen door het voeren van gesprekken met verwanten en vrienden van zijn stervende vader.


Brakmans werk gaat vaak over het verleden. Zijn debuut is één van zijn eenvoudigst leesbare boeken, later creëert Brakman meer en meer een fantastische werkelijkheid, in steeds bedwelmender, roesachtige romans. Wat echt is en wat niet valt daarbij moeilijk te bepalen. De waarheid bezit 'een verhalend karakter […], dat wel degelijk ook de leugen kan insluiten', heet het in de eerste zin van de roman Leesclubje (1985), en dat is een adagium waar Brakman zich zijn leven lang met hartstocht aan heeft gehouden.
Erkenning van officiële zijde kwam al snel. Voor zijn debuut ontving hij de Van der Hoogtprijs. Daarna werd de bundel Zes subtiele verhalen (1978) bekroond met de F. Bordewijkprijs. In 1980 volgde de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre.
Vervolgens kwam Brakman echt goed op stoom; niet zelden publiceerde hij twee romans in één jaar. In het literaire tijdschrift De Revisor werd opgemerkt dat het 'het mooiste zou zijn als Willem Brakman als eerste in de geschiedenis nóg een keer de P.C. Hooftprijs toegekend krijgt'.
De wat plattere prijzen (Libris, AKO) zagen minder in hem zitten.
In de essaybundel Vrij uitzicht (2001) ging Brakman onder de kop 'Waarheen met de literatuur?' in op de alom om zich heen grijpende verloedering van de literaire wereld. Energiek mopperend heeft hij het daar over verderfelijke verschijnselen als 'sterrendom, boek van de week, genie van de maand, de doorbraak van X, het ''gemaakt'' hebben van Y', enzovoort. Ook staat hij daar stil bij 'het prijzenbeleid dat velen prijst maar nauwelijks meer onderscheidt'. En zo is het natuurlijk wel, tegenwoordig.
Brakmans boeken kregen gedurende zijn leven al meer en meer het stempel van ontoegankelijkheid. Nu hij overleden is, ben ik bang dat Willem Brakman een auteur was die niet alleen vaak over het verleden schreef, maar die ook zelf definitief tot het verleden behoort.
In de gemiddelde boekwinkel is zijn werk al nauwelijks meer te krijgen. Moderne lezers wensen plompe inzichten, en die zul je bij Brakman niet snel tegenkomen. Zou Brakman niet meer worden gelezen, dan heeft er definitief een ramp plaatsgevonden.
In zijn oeuvre zijn talrijke hoogtepunten aan te wijzen. Zoals gezegd gaan waarheid en leugen er hand in hand. Maar er loopt meer in elkaar over. Over de verwerking van jeugdboeken of van literatuur in het algemeen in zijn eigen boeken is al vaak iets opgemerkt.
Daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld Don Quichot die in Een voortreffelijke ridder (1995) Brakmans geboortestad aandoet. Of aan een roman als De bekentenis van de heer K. (1985), waarin Brakman een verrassende visie levert op de roman Der Prozess van Franz Kafka. Het heeft boeiende en ook geestige experimenten opgeleverd.
Andere hoogtepunten in dit oeuvre zijn de maar liefst twee autobiografieën die Brakman heeft geschreven: Pop op de bank (1989) en J'accuse! (2004). In het laatste boek wordt wraak genomen op iedereen die Brakman in zijn jeugd heeft dwarsgezeten. Aan de andere kant: die personen worden eveneens geëerd omdat ze Brakman het benodigde materiaal hebben geleverd voor een geweldig en eigenzinnig oeuvre.

Afscheid van Brakman: door Kees 't Hart

Afscheid van Brakman, het zou een goede titel van een van zijn romans kunnen zijn, uit: De Groene Amsterdammer, 16 mei, 2008.

Het eerste boek van Willem Brakman dat ik las was De oorveeg (1984). Hij was toen al ruim twintig jaar bezig, wist ik veel. Zelden zo hard gelachen om een boek. Maar ook gehuiverd en stil voor me uit gestaard. Dat krijg je ervan als je een mooi boek leest. Neem de beschrijving van Oom Henk van het slachten van een schaap.
“Hoe gaat dat dan?” vroeg ik “Een vinger in het ene en een duim in het andere neusgat, dat spert de bek open en dan stompt hij in een dreun zijn vuist door de luchtpijp tot midden in zijn donder en rukt het hart eruit. Dat springt nog een tijdje over de vloer als een kikker. Ja jongen, zo deden ze dat al bij de huzaren van 1813.”

Hoe gaat dat dan? De enig juiste vraag die schrijvers altijd moeten stellen. Hoe werkt het? Hoe zit het? Hoe kun je ergens naar kijken? Wat is er te zien? En vooral: hoe erg is het? Brakman stelde zich deze vragen en trok ermee de wijde wereld in. Schaamte is een prominent thema in zijn hele oeuvre, schaamte over wat er op de wereld te zien en te horen en te beleven valt. Je zou kunnen zeggen dat Brakmans werk een doorlopende poging is schaamte te overwinnen, ook persoonlijke. Daartoe bedacht hij nieuwe mythes, brak hij oude mythes af kieperde literaire conventies overboord, schreef hij zijn verbluffende zinnen, altijd alert, nooit gewoon, altijd Brakman.

Ik heb zin hem als een soldaat te zien, Brakman trok ten strijde. Gewapend met een scherp oog voor melancholie, voor menselijke verhoudingen, altijd bereid gezag te ondermijnen, flauwekul door te prikken en er op uit nieuwe flauwekul in scène te zetten. Zo wilde ik ook wel schrijven. Gruwelscènes en peilloze melancholie, dwars door elkaar, geffiuikte erotiek en geil verlangen, concrete kleinburgerlijkheid plus de afbraak ervan, meligheid plus verpletterende humor, alles in een groots verband, om de dichter te citeren.
Ik begon met Brakman mee te lopen, hoe moet ik het zeggen: ik maakte geen studie van hem, ik werd zijn stagiair. Ik las rijen boeken van hem, het ene nog bizarder dan het andere, ik weet nog goed dat ik soms passages eruit hardop aan tafel voorlas. Moet je horen, moet je horen.

En nog steeds zouden Brakmans romans verplichte leerstof moeten zijn aan schrijf-opleidingen. Leer ervan een verhaal van alle kanten te bekijken, leer afscheid te nemen van gemakzucht, leer formuleren, leer je zinnen te laten golven en zingen, leer nieuwe mythes te creëren, leer verschillende stijlen dooreen te mengen, leer zo concreet te zijn als een baksteen en zo abstract als een windvlaag. Later wilde ik als schrijver afscheid van hem nemen, zo gaat dat natuurlijk. Je wilt niet meer schatplichtig aan een grote schrijver zijn, je bent arrogant genoeg om dit soort illusies in je hoofd te halen. Afscheid van Brakman, het zou een goede titel van een van zijn romans kunnen zijn.
In zijn laatste boek, het fragmentarische en sterk biografische Naar de zee, om het strand te zien (2006) staat het allemaal nog een keer bijeen, inventief, geestig, bijtend soms, paradoxaal en speels als geen ander. Met tussen de verhaaltjes en verhalen ineens zo’n sleutelzin uit zijn hele oeuvre. Was ik gelukkig? Ja, maar zeer droevig En iets verderop zeer geestig: ‘Mij is steeds nooit iets ingevallen.’ En weer ergens anders een ander credo van zijn schrijverschap:
Wij herstellen dat wat er in werkelijkheid niet is.’ En ten slotte het schitterende: ‘Ik was jong, maar al een ervaringsgenie.’ Willem Brakman is altijd een ervaringsgenie gebleven.

Wim Noordhoek over Willem Brakman

"De avond van de dag van het afscheid van Willem Brakman ben ik in Dieppe, aan de Normandische kust en zie de zon ondergaan in zee bij de falaises. In Den Haag hebben we beiden menige zon in zee zien ondergaan, maar daar had je het in Den Haag nooit zo over...."
Klik hier voor het hele bericht op "Avondlog"
Twee eerdere berichten op Avondlog:

Klik hier voor het bericht op "Avondlog" van 11 mei 2008

Klik hier voor het bericht op "Avondlog" van 8 mei

Aanbrenger van chaos in orde

Door Arjan Peters in De Volkskrant, 9 mei 2008

‘Vrijheid van de geest contra de dwang der feiten’; onder dat credo schreef de voormalige huis- en bedrijfsarts een gigantisch oeuvre.
AMSTERDAM Weinig schrijvers waren zo gefascineerd door de eigen geest als de donderdag op 85- jarige leeftijd overleden Willem Brakman. De huis- en bedrijfsarts, die bijna veertig was toen hij debuteerde (Een winterreis, 1961) maar toen ook niet meer van ophouden wist, zat op de eerste rij van zijn eigen fanclub. Een verschijnsel dat zich in werkelijkheid voordeed op de vergaderingen van de Willem Brakman Kring, waar kenners van het oeuvre samenkomen.
Nam Brakman eenmaal het woord, dan stond hij het niet snel en liet hij de toehoorders huilen het lachen door voor te lezen uit zijn nieuwste manuscript. Dat was er altijd. Zelfs nu, na zijn dood, schijnt er nog een te zijn, ofschoon onvoltooid.
Niet erg. Met de 51 romans, plus een dertigtal, verhalen- en essaybundels, kunnen we goed uit de voeten. Waar ze over gaan, kon hij zelf het beste uitleggen: ‘Volgens mij moet kunst chaos aanbrengen in de orde, in dat wat te geordend is.

Speelsheid op de rand van het verbodene, fantasieën. Omspelingen, kortom: ‘vrijheid van de geest contra de dwang der feiten.’ Die vrijheid heeft Brakman in zijn werk uitgeleefd. Nadat hij zich in Enschede (‘het onlieflijke stadje E.’) had gevestigd als bedrijfsarts voor de textielfabrieken, begon hij te schrijven, veelal over zijn jeugd in Duindorp. Die plek werd onder zijn handen omgetoverd in een elysium, stokoude rekeningen vereffende hij alsnog met verbaal geweld, en het schrijven zelf werd een delicieuze verslaving.
Hij kon er geen genoeg van krijgen. Met de rug naar de toekomst boog deze eenling zich over zijn eigen bestaan en bracht daar humor, huiver en luister in aan, met dank aan zijn pen die zijn geest maar hoefde te volgen. Niet iedereen wilde daarin meegaan. In 1980 kreeg Brakman de P.C. Hooftprijs die als een oeuvreprijs geldt, maar daarna heeft hij nog veel meer boeken geschreven dan tot dat moment. En met de humor, uitbundige beschrijvingen van lichamelijke gebreken (waarin de arts zich liet kennen) en fantasieën die zich aan realisme niets gelegen lieten liggen, wist een kleine kring van Brakmaniakken wel raad - maar geen AKO-of Librisjury heeft de jaarlijkse Brakman durven bekronen. Zie je wel, kon de schrijver dan denken, het individu wordt altijd gewantrouwd. Je moet voldoen aan wat de massa wil, anders word je uitgestoten.
‘Een volle jeugd - met geluk en angsten - heeft mij gestempeld’, aldus Brakman in een interview. Toen leerde hij dat God, geluk en liefde onbereikbaar en onvervulbaar waren. ‘Al die stempels sissen het vlees in, vullen een heel leven met gloed en gloria, niet met het saaie geleuterpot van een gezond mens, maar met de blik en de taal van de abnormale. Degene aan wie iets niet klopt. Er moet wrijving zijn tussen de mens en zijn omgeving. Er niet bijhoren is een kostbare bron van denken en voelen.’
Op bezoek bij zichzelf; de schrijver die na de Enschedese tijd in Boekelo woonde, deed hij niets liever. Dankzij meesterwerken als Een weekend in Oostende (1982), Vincent (l993), De sloop der dingen (2000) en De gifmenger (2003), tot en met Naar de zee, om het strand te zien (2006), kon de lezer daar getuige van zijn en genieten van de terugblikken die door en bloemrijke vocabulaire en een wonderbaarlijke verbeelding in een oneindig oeuvre uitmondden. Geen wonder, vond Brakman zelf, want wie veel ervaart, moet vertellen. Waarbij het niet om de werkelijkheid gaat, maar om de rijkdom van dromen: die blijven je bij. En ‘in het gemis ligt de diepste beleving’. Gemis transformeren in kunst - onecht misschien, maar wel zijn binnenste weergevend, en dus wáár -, dat schonk hem een troost die aan geluk grensde.

In memoriam Willem Brakman 1922-2008 / Een onuitputtelijke fantasie

Vrijdag 9/5. Rob Schouten in Trouw:

Brakmans werk ademt onbehagen met cultuur van middelmatigheid Schrijver Willem Brakman ontving prestigieuze literaire prijzen, maar nooit een commerciële. Daarvoor was zijn werk te exclusief.

Willem Brakman:
„Daar de waarheid een verhalend karakter bezit, dat wel degelijk ook de leugen kan insluiten, begin ik met weloverwogen te vermelden dat het dorp waar ik woonde een prachtig dorp was.”

Zomaar een passage uit het werk van de schrijver Willem Brakman, die gisteren op 85-jarige leeftijd overleed. Karakteristiek, die waarheid die ook kan liegen, en dat alles weloverwogen. Brakman was van het Nederlandse schrijversgilde de auteur die meer dan enig ander speelde met zaken als werkelijkheid en verbeelding, redelijkheid en waanzin.
De roman waarmee hij in 1961, op vrij late leeftijd, debuteerde – ’Een winterreis’ – was een nog tamelijk traditioneel product waarin de schrijver de zoektocht naar zijn verloren jeugd kleurrijk en soms ook ironisch opriep. Ook in latere romans herkent men steeds de omgevingen van Brakman zelf, Den Haag (waar hij als huisarts werkte), Enschede (waar hij bedrijfsarts was), die vooral als kleinsteedse gemeenschappen worden neergezet. Ook zijn thematiek, de onherroepelijkheid van het verleden, de eenzaamheid van de mens, angst en erotiek, komen de lezers van het werk van bijvoorbeeld Vestdijk en Hermans bekend voor. Maar gaandeweg ontwikkelde Brakman zich steeds verder weg van het traditionele proza en creëerde een geheel eigen universum, waarin dromen, fantasieën en werkelijkheid soms onontwarbaar door elkaar lopen. Het gaf hem een enorme hoeveelheid romans, verhalen en essays in: hij was met zo’n tachtig titels een van de vruchtbaarste naoorlogse schrijvers.
Een belangrijke overgangsroman is ’Het zwart uit de mond van Madame Bovary’ (1974), over een hoofdpersoon wiens obsessie voor de Franse romanheldin hem ten slotte in het gesticht brengt. De poging een verlangen, een droom in te lossen, eindigt bij Brakman nogal eens in waanzin, een waanzin die echter weer prachtige en bizarre beelden oplevert. Dat is als het ware het batig saldo van het menselijk tekort: zijn ongebreidelde fantasie, die eigenlijk in ieder boek de hoofdmoot vormt, of het nu ’Leesclubje’, ’De Graaf van Den Haag’, ’Inferno’ of een van zijn talloze andere titels is.
Het droomkarakter van zijn latere literatuur maakt ook dat veel van zijn verhalen een navrant verloop hebben; wreedheid en ontluistering zijn belangrijke ingrediënten. Veel van zijn hoofdpersonen botsen met de steriele, onpersoonlijke maatschappij waaraan ze zich niet kunnen onderwerpen. De ene keer is het een dement wordende oude man (in het verhaal ’Engel’), de andere keer een krankzinnige koning (’De blauw-zilveren koning’, over Lodewijk II van Beieren). Achter Brakmans onmiskenbare literaire virtuositeit gaat steeds onbehagen met de cultuur schuil, het gevoel dat een eigen denkwereld niet welkom is in de wereld van middelmatigheden.
Een groot publiek bereikte hij er niet mee, daarvoor is zijn werk te gecompliceerd, zijn verteltrant te duister. „Maar weinig in een werkelijk goed boek is zoals het is, alle suaviteit bij het lezen dient te worden gehinderd door het gevoel dat in het vertelde iets anders spreekt”, waarschuwde Brakman zijn lezers. Maar voor de liefhebbers vormt het een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur, vanwege de schitterende, geheel eigen stijl en de vaak evenzeer krankzinnige als meeslepende verhalen en beelden. Brakman was een echte writer’s writer, die wel de grote Nederlandse literaire prijzen ontving (waaronder de P.C. Hooftprijs in 1980), maar nooit een grote commerciële prijs. Daarvoor was zijn werk te exclusief en uniek.’

Willem Brakman, 13 juni 1922 - 8 mei 2008

Citaten over leven en dood.
Het is de eindigheid die de dagen waarde geeft, die dwingt ons tot bezinning.
( Het godgeklaagde feest)

Geloof is een kwestie van vertrouwen, vertrouwen in het grote proces waaruit we opdoemen en waarin we eens weer zullen verdwijnen.
(Nadere kennismaking, een luisterspel)

Zolang er nog iemand is die aan de dode denkt of er nog weet van heeft is de dode niet dood.
(De gifmenger)

Een schrijversleven dat is een groot vermogen om gekwetst te worden en in het kleine het grote te zien.
(Het groen van Delvaux)

Niet hoe het was maar hoe ik het mij herinner, dat is de glans van de geest
(Naar de zee, om het strand te zien)

Mijn groot verlangen is, dat men zo tot mij zou spreken dat ik zou kunnen zwijgen.
( Een voortreffelijke ridder)

“Waarom schrijft u eigenlijk?”
“Om gekend te zijn en bemind,”zei ik….
“Om herkend te zijn en bemind,”verbeterde ik en vertrok weer.
Voegde daar nog een laatste keer terugkerend aan toe:
“Herkend te zijn en toch bemind.”
(Het groen Van Delvaux)

Er is slechts een enkele troost en dat is de zee, die schone verte, Duindorp.
(De sloop der dingen)

Nieuwe toevoeging

Naast verwijzingen naar werk, geluidsfragmenten is er een nieuwe menu-link (linker kant)toegevoegd: "Op de TV"

Willem Brakman over zijn verhaal 'Engel'

*Ter gelegenheid van de Boekweek 2008 schreef Arjan Peeters een stukje over het verhaal 'Engel' ( op deze website op 24 maart jl. geplaatst). In 1979 gaf Brakman een interessant commentaar op het verhaal, in gesprek met T. van Deel. Hier volgt een passage uit 'De troost van de vorm', in: T. van Deel, 'Bij het schrijven, (1979).

Het gesprek gaat over de totstandkoming van het werk en Brakman legt uit hoe hij een verhaal laat ontstaan uit één beeld.
"Zou je van al je romans en verhalen dat beeld weer kunnen oproepen?"
"Nee, van sommige zou ik het niet meer weten. Maar neem dat verhaal ‘Engel’, uit 'Zes subtiele verhalen'.Voor mij dondert daar inderdaad een engel met een bruine pij uit de hemel. Die bruine pij had de kleur van de gordijnen bij mij thuis, van die dikke, harige, met een bepaalde geur. Ik duwde er vaak m’n neus in en vond het muffe gordijnen, ik vond het de gordijnen van de benauwdheid. Die geur was een concretisering van wat me toen vagelijk dwars zat: ik moet naar buiten, hier houd ik het niet meer uit. Ik bezweer je dat het de waarheid is dat die engel in déze stof naar beneden duvelde. En als ik dat voor m’n ogen heb, dan speelt dat mee. Wat is de dood anders dan het gevoel van benauwenis dat mij toen als jongen bekroop, dat opeens de muren opje afkomen? Het zijn vormen van angst. Vandaar dat zo’n figuur die kledij heeft."

"Je legt dat overigens niet uit in het verhaal."
"Dat hoeft ook niet, ik zeg op een andere wijze hetzelfde. Het gaat namelijk over de dood en over de angst. Dat beeld vertelt een verhaal en om dat beeld zie je als het ware kring na kring verschijnen. Ik kan het op verschillende manieren vertellen, maar centraal is die gevallen engel. In dat vallen ligt bij voorbeeld een bruutheid: hoe verzorgd die oudjes daar ook rondlopen, de dood is een brute kwant, een pootjehaker. Hij is niet te stroomlijnen of weg te werken achter zorg, stijl en voorkomend gedrag. Hij ploft opeens neer. Dat het in de zomer gebeurt zegt ook wel iets. Vaak vind je in mijn teksten dat het lichaam dan bom is, zwaar en moe. In het rondzeulen van de lichameljkheid, realiseert het lichaam zich tegelijk dat het sterfelijk is. In de zomer is het oude lichaam zich tot last, het is er op een nadrukkelijke wijze, dus kwakt die engel in de zomer naar beneden, op een stralende, zware en lome zomerdag. Zo analyseerje zo’n beeld."

Romantheoretici zouden het wel in termen van thema, motieven, en dergelijke, kunnen formuleren. Het beeld is een structuurmiddel.
"Ja, het is duidelijk een structuurgegeven, een raster dat over de werkelijkheid gaat. En dat het deze vorm heeft, van een vallende engel—ach, er zijn zoveel vormen waarin de dood zich kan concretiseren. Ik heb dit beeld gekozen omdat het voor mij bepaalde elementen concretiseert, waarover ik het wil hebben."

T. van Deel over Willem Brakman (2)

Al op 19-jarige leeftijd (1964) interviewde Van Deel als lid van de jongerenredactie van de Nieuwe Haagsche courant Willem Brakman. Het interview is op deze website te lezen in de rubriek ‘interviews’in het menu op de linker zijde.
Van Deel interviewde Brakman nog enkele keren, onder andere vijftien jaar later voor 'De revisor'. Dit gesprek verscheen in 1979 in: T. van Deel, ‘Bij het schrijven’, Amsterdam 1979, met als titel ‘De troost van de vorm’. In 1980 was Van Deel voorzitter van de jury die Brakman de P.C. Hooft-Prijs toekende. Ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Brakman in 2002 sprak Van Deel de feestrede uit. Op deze website te vinden in de rubriek ‘Over Willem Brakman’, (19 augustus 2002)

Ook over Brakman zijn opstellen en recensies te vinden in:
T. van Deel, ‘Recensies’, Amsterdam 1980. Hierin zijn opgenomen de besprekingen van:
‘Het zwart uit de mond van madame Bovary’, ( ‘Trouw’, 1974).
‘De biograaf’, ( ‘Trouw’, 1975)
‘De blauw-zilveren koning’, ( ‘Trouw’, 1977)

en in:
T. van Deel, ‘De komma bij Krol en andere essays’, Amsterdam 1986. Hierin:
‘Het soortelijk gewicht van de verbeelding’, een algemene beschouwing die eerder verscheen in het tijdschrift ‘Tirade’ (1980) .
‘De wind floot uit de ravijnen’, een beschouwing over teksten waarin Brakman het over zijn eigen werk heeft. Onder de titel ‘Trouw aan het oninlosbare’, verscheen dit stuk eerder in de boekenbijlage van ‘Vrij Nederland’ (1983)

Klik hier om de tekst te vinden die Van Deel over Brakman schreef in de bundel ‘ ’t Is vol van schatten hier’. (1986)

Willem Brakman ontmoet Bob den Uyl


Uit de biografie van Bob den Uyl die onlangs verscheen, geschreven door Nico Keuning, blijkt dat Bob den Uyl veel waardering had voor het proza van Brakman. Keuning citeert uit recensies die Den Uyl schreef van ‘De bekentenis van de heer K.’ en van ‘Familiedrama.’
Den Uyl noteerde eens dat je het proza van Brakman na verloop van een aantal bladzijden nauwelijks meer kon volgen, maar dat er een regie achter zat die alles bij elkaar hield. Schrijversnamen als Krol en Brakman vond hij onaangenaam. Als hij al niet met hun werk op de hoogte was, zou hij aan een schrijver met de naam Brakman niet beginnen. Dat bezwaar had hij ook tegen zijn eigen naam. Humor en een wat ongemakkelijke verhouding met de buitenwereld kenmerken het werk van beide auteurs.
Keuning noemt niet het schetsje dat Den Uyl schreef over een signeerbijeenkomst in een Enschedese boekwinkel waarbij Brakman zich langzaam maar zeker uit de voeten maakte en Den Uyl niet de kans kreeg een gesprek aan te knopen met Brakman. In het archief van deze website staat het stukje op 2 mei 2006.
De Bob den Uyl-biografie heeft dezelfde titel als een verhaal van Brakman: ‘Een zeker onbehagen’. Het verhaal van Brakman staat in de bundel ‘Zes subtiele verhalen’ (1978). Biograaf Nico Keuning was zich niet van de overeenkomst bewust, maar aan dit toeval mag een hogere betekenis worden toegekend.

Willem Brakman bij T. van Deel

T. van Deel was van 1970 tot 2006 literair criticus bij het dagblad Trouw. Deze krant heeft nu een keuze uit Van Deel’s bijdragen uitgegeven met de titel ‘De troost van de vorm’, dat is een frase van Willem Brakman uit een interview dat Van Deel met hem had in 1978. Van een aantal auteurs nam Van Deel geen recensie op, maar een langere bijdrage. Zo nam hij voor Brakman zijn Drienerwolde-lezing op. In zijn ‘Verantwoording’ schrijft Van Deel dat hij dit essay alleen kon schrijven omdat hij Brakman al zo vaak gerecenseerd had. Heel vaak zelfs. Van Deel heeft nagenoeg alles van Brakman besproken vanaf ‘Kind in de buurt’ uit 1972.

Rob Schouten schreef voor het boek een ‘Voorwoord’ dat klinkt als een hommage aan de docent en kritikus Van Deel. In Trouw van zaterdag 15 maart jl. schreef Schouten een stuk dat sterk overeenkomt met het Voorwoord, maar daarbij een beschouwing over het verdwijnen van een generatie recensenten door het veranderen van ‘de literaire markt’. Kees Fens schreef over ‘De troost van de vorm’ in zijn Volkskrant-column van 27 maart jl.: “ In de ‘verantwoording’ bij het boek las ik tot mijn verrassing dat de titel niet van Van Deel is. Maar hij had van hem kunnen zijn! De kritieken zelf bewijzen het: zij danken hun elegantie en charme – beide troostende eigenschappen aan de schijnbaar lichte vorm waarin zij zijn geschreven.” Brakman zou dat niet tegenspreken, maar hij bedoelde wat anders.


Klik hier om het boek te bestellen, bij Trouw


Een wrakke engel..., door Arjan Peters

Arjan Peters in de Volkskrant van 13 maart tgv de boekenweek:

Wim Noordhoek miste Willem Brakman


Klik hier voor het bericht op 'avondlog'

Brakman over het thema van de boekenweek: de ouderdom in vier citaten

De vetkrijttekening stelt de oude Shakespearekoning 'king Lear' voor. Brakman maakte hem in 1953.

"Hoe zou de tijd ook kunnen vergaan? hij is er immers altijd. Of wij tijd hebben of geen tijd hebben, dat is alleen maar ons hoogstpersoonlijk probleem, een feit is dat hij er is en blijft hoewel hij vergaat. Tegenover deze onverbiddelijke grootte veroorloof ik mij een grote luxe, namelijk niet ouder te worden: ten eerste omdat ik niet wil, omdat de ouderdom naar de tijd wordt gemeten en verder omdat ik mijn herinneringen heb."
'Ante Diluvium', 1998

"Wat zijn vrouw betrof, de jaren hadden haar niet veel kwaad gedaan, ze was iets geschrompeld, haar hoofd was wat tussen de schouders weggezonken, de schouders een weinig naar voren gezakt en wel zo dat de rug van achteren gezien een lange rechthoek vormde die van onderen en van boven even breed als smal was. Ze had nooit veel bil gehad maar alles bij elkaar was zij aantrekkelijk gebleven, wat het geheim is van de totaliteit."
'De gifmenger' 2003

"Bij het bezoek enige dagen geleden was zijn vader suffer geweest dan anders. Hij zag er vermoeid uit, hing met ronde schouders voorover in zijn stoel en sprak met zachte omfloerste stem. 'Je moet je keel eens schrapen, Pa,' had hij gezegd, 'zo kan ik niets verstaan; doe het nou toch eens.' Hij kende de gewoonte van zijn vader om bij het minste of geringste kwijnend te gaan spreken en ergerde zich er aan. Sommige woorden kwamen dan zelfs in het geheel niet meer door, maar in de plaats daarvan klonk er een fluitend hees geluidje achter in de keel. Het was de rol van de zieke beklagenswaardige oude man, die hij zijn vader niet gunde."
'Een winterreis', 1961

" 'Ah, ik wil u wel een kop inschenken, al ben ik hier niet de baas,' zei de oude. Hij stond weer moeizaam op, met een langgerekt 'toe... toe... Here toch...' en bewreef daarna met een pijnlijk gezicht zijn lendenen. 'Heeft u ergens last van.., pijn of zo?' Hoewel Akijn uit ervaring wist zich hier op het hellende vlak der ziekten en onbegrepen afwijkingen te begeven, kon hij toch niet nalaten, na het theatrale gedrag van de oude, deze vraag te stellen. Als tegenprestatie voor de koffie, besloot hij bij zichzelf. 'Jonge vriend' - de man zweeg even en staarde met trillend geheven hand voor zich uit, als koos hij zorgvuldig zijn begin - 'jonge vriend, ik lijd aan de gecompliceerde ziekte die ouderdom heet.'"
'Een wintereis', 1961

Willem Brakman en Max Nord

Vorige week overleed in Amsterdam de journalist en letterkundige Max Nord op 91-jarige leeftijd. Op de foto uit 2002 begroet Brakman hem bij de viering van zijn tachtigste verjaardag. Nord was in de Tweede Wereldoorlog een der oprichters van het dagblad ‘Het Parool’. Hij was later kunstredacteur van de krant, correspondent in Parijs en hoofdredacteur.
Max Nord, zoon van een tandarts uit Den Haag, studeerde economie, maar werd in 1939 verslaggever bij het Haagse dagblad ‘Het Vaderland’ waaraan ook de essayist Menno ter Braak verbonden was. In Den Haag behoorde hij tot de kring rond het toonaangevend tijdschrift ‘Forum’ dat geleid werd door Ter Braak en E. du Perron. Voor het antifascistische Comité van Waakzaamheid waarin Ter Braak ook een hoofdrol speelde, schreef Nord in 1939 de brochure ‘Documentenoorlog’. In de maanden voor de bezetting vertaalde hij met Ter Braak Hermann Rauschnings boek 'Hitlers eigen woorden'. Een anti-Hitler boek dat kort voor de Duitse inval van 10 mei 1940 werd verboden wegens belediging van een bevriend staatshoofd. De romanschrijver W. F. Hermans, die zich afzette tegen de naoorlogse bewondering voor Ter Braak, voorzag diens antiNazi-houding en met name de rechtszaak tegen de uitgever van ‘Hitlers eigen woorden’ van karikaturale trekken. in zijn roman ‘Herinneringen van een engelbewaarder’.
Max Nord introduceerde de Italiaanse toneelschrijver Pirandello in Nederland. met een biografie. Hij publiceerde gedichten, vertalingen, een roman en een haarscherp verslag van de rechtszaak tegen de Franse oorlogsmisdadiger Barbie. Nauwgezet volgde hij Brakman in ‘Het Parool’. De achtergrond van zijn belangstelling en waardering lichtte hij toe in zijn mémoires ‘Achterwaardt’ (1998). In het hoofdstuk over Ter Braak en ‘Forum’ noemt hij een aantal letterkundigen ‘die niet misstaan hadden’ in ‘Forum’, daarbij Willem Brakman.

De donkere kamer bij Willem Brakman

Het jongste nummer van het tijdschrift 'Raster' (nr. 120) heeft als thema 'het duister'. Er staat veel wetenswaardigs in, maar een paar bijdragen van Brakman hadden er niet in misstaan. Van de vele thematische bloemlezingen die uit zijn werk zijn samen te stellen zou er één over nacht en duisternis kunnen gaan. In het Rasternummer komt de donkere kamer wel te sprake in de betekenis van camera obscura, maar niet als 'dark room'. Lang voor dát verschijnsel de krant haalde schreef Brakman er al over in de roman 'Ansichten uit Amerika'. (1981) De hoofdpersoon Ben laat zich door de fotograaf Lam voorlichten:

‘Ik heb ook naaktfoto’s van haar,’ zei Lam met rafelige stem, ‘lijfelijk huppelt ze over een toneeltje in Soho, van links naar rechts, maar hoofdelijk zit ze met ons te eten in de tuin, en kijkt naar jou, van rechts naar links. Ik vrijde met haar in mijn donkere kamer, in mijn hoofd was het ook donker, zo donker als haar zwarte jurk, zo zwart als haar strakke jak en die zwarte gesloten blik. Maar uit het ontwikkelzuur liet ik haar op mij toe komen, en plakte en pelde haar uit grootmoeders corsage, corselet en baleinen. Ach Ben, kuis, dat is pas seks, dat onbereikbare, dat verbodene. Ja, die vrouw heeft iets verbodens, iets van een donkere kamer. Wat heb ik aan al die kontkoninginnen en de tiet van het jaar, zij is iets wat ik was vergeten, maar wat? Ik had het lief in het donker.'

De schrijver als lezer van zijn werk (2)

In 1983 schreef Willem Brakman op verzoek van de minister van cultuur een boek over eigen werk. De titel werd 'Een wak in het kroos'. Brakman achtte die titel blijkbaar duidelijk genoeg, want hij lichtte hem niet toe, maar de uitgever deed dat op de achterkant van het boek wel. 'Een wak in het kroos' komt in dit geval uit het gedicht 'Het kind en ik' van Martinus Nijhoff.
"Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos."

Door het wak in het kroos ziet de ik-figuur van het gedicht een kind dat op de bodem van de vijver aan een schrijftafel staat. En wat het kind opschrijft prent hij in zijn geheugen om het later als eigen werk uit te geven.
"Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom."

Over de jeugdjaren als inspiratiebron is in het werk van Brakman veel te vinden. Hij schreef er onder andere de beschouwing 'Jeugd als bouwstof ' over ( in 'De jojo van de lezer', essays, 1985) De uitgever voegde nog meer toe aan 'Wak in het kroos'. Op het omslag is de Belgische koningin Astrid in het wak te zien in plaats van een jeugdportret van Brakman. Deze in 1935 in Zwitserland verongelukte vorstin was de 'prinses Diana' van het Interbellum. Brakman was diep onder de indruk van de reportage van haar begrafenis en in 'Wak in het kroos' schrijft hij: 'De grote liefde uit mijn jeugd was de witste der witte vrouwen, koning Astrid'. Dat wel, maar daarmee niet gelijk te stellen aan het 'Het kind dat wij waren'.

Over de auteur die zijn eigen lezer wordt

In het Belgische culturele tijdschrift De Witte Raaf, schrijft Daniël Rovers over schrijvers als lezers van eigen werk;"Als een auteur over het eigen oevre spreekt, moet men aandachtig luisteren. Zelf weten we niet hoe gemeen wij zijn." Over Willem Brakman zegt hij oa het volgende:

"...Soms hebben auteurs zelfs zoveel te vertellen over het eigen werk, dat ze er een boek over schrijven. Willem Brakman, van wie de genoemde Bonnard-anekdote afkomstig is, deed dat bijvoorbeeld in 1983 in de essaybundel Een wak in het kroos.

Bij de postmodernist Brakman – al wil hij dat zelf nooit geweten hebben – leven er minder bekommernissen over de almacht van de auteur. Hij weet dat die macht maar relatief is en dat er bovendien geen sprake kan zijn van een intentie waarmee een auteur zou kunnen schermen. Brakman schrijft: “Niet in een laatste bedoelingen uitsprekende formule is het boek aanwezig, maar in het lezen, een wat wonderlijk proces, waarbij men in zoverre stenen voor brood krijgt dat het inzicht, het weten waarop men een boek lang heeft gewacht niet het resultaat is, maar dat wat men achter zich heeft, in het steeds duidelijker worden van wat voortdurend al aanwezig was.” [8] Ook de schrijver heeft op geen andere manier toegang tot zijn boek dan door het (opnieuw) te lezen. Hij heeft bovendien het nadeel dat hij tamelijk veel weet over de ontstaansgeschiedenis, kennis die hij volgens Brakman zal moeten vergeten om te kunnen schrijven over de tekst die hij aan het lezen is.

De essays die Brakman opneemt in Een wak in het kroos zijn een wonderlijke mengeling van interpretatie en biografische – ‘verklaring’ is hier het woord niet – ‘uitbreiding’. Eigenlijk schrijft Brakman in de marges van zijn biografisch geïnspireerde romans en verhalen nogmaals een biografisch geïnspireerde tekst. In zijn historische debuut, de verhalenbundel De weg naar huis, merkt de auteur bijvoorbeeld een passage op die op het eerste zicht nietszeggend is. Ze handelt over een jongetje dat neerknielt bij een voetbal en de kleine details ervan waarneemt, de vezeltjes van het leer, het zandgruis, het ruisen als hij zijn vingers over de bal laat gaan, waarbij hij, zoals Brakman stelt, een “maximale aandacht en concentratie” opbrengt voor “wat iedereen over het hoofd zag”. [9] Die ‘hij’, dat is het jochie met de bal én de terugblikkende schrijver. Dezelfde positie zou Brakman waarschijnlijk innemen als hem gevraagd werd ook aan dit boek, Een wak in het kroos, een opstel te wijden. Opnieuw zou hij zijn eigen schriftuur interpreteren door haar uit te breiden; hij zou zijn lezers wijzen op details die ‘iedereen over het hoofd zag’.

Dit is een mooie, poststructuralistisch ogende conclusie: een Droste-effect van de schrijver die lezer van zijn eigen werk wordt, daarover schrijft, en daarvan weer de lezer wordt. De praktijk ziet er vaak anders uit."
uit: Daniël Rovers, Wie gemein ich bin!: over de auteur die zijn eigen lezer wordt, De Witte Raaf, no131, p.3, 2008.
Klik hier voor de gehele tekst

Atte Jongstra over Brakman en de verhaallijn

De roman ‘Tristram Shandy’ werd voor het eerst in 1779 in het Nederlands vertaald en gedurende de 19e eeuw bleef de belangstelling voor het werk van Laurence Sterne gaande. Multatuli presenteerde in de ‘Max Havelaar’ (1860) de fictieve kantoorbediende Stern als de compilator van de aantekeningen over de misstanden op Java, misstanden die de kern van de roman vormen. Aangenomen wordt dat hij met de naam Stern de schrijver Laurence Sterne heeft bedoeld, zijn wegwijzer in het verwerven van vrijheid van compositie bij het schrijven.
In recenter tijd leeft de belangstelling voor Sterne vooral in het werk van de romancier en essayist Atte Jongstra. Hij debuteerde met een studie over de aanhangers van Multatuli [ ‘De Multatulianen’, 1985] en schreef vervolgens een aantal romans waarin de recensenten de invloed van Brakman opmerkten. Jongstra bevestigde zijn bewondering voor Brakman in zijn essaybundel ‘Familieportret’(1996), een verzameling beschouwingen waarin hij ‘op zoek is naar zijn wortels’, naar auteurs die zijn schrijverschap vorm gaven. In die bundel zijn Laurence Sterne en Multatuli alomtegenwoordig, maar ook Brakman krijgt er een prominente plaats. De beschouwing over zijn werk heet ‘Polydiagnostiek’, maar of een veelheid van invalshoeken het werk van Brakman kenmerkt is nog de vraag.
Vanuit het perspectief van Jongstra is het niet verwonderlijk dat hij Laurence Sterne als de voornaamste inspirator van Brakman ziet. Hij wijst daarbij op grafische voorstellingen die Sterne van zijn verhaallijnen liet afdrukken in de ‘Tristram Shandy’. [zie bijgaande foto]. De overeenkomst met Brakman’s opvatting over de verhaallijn dringt zich op. Niet het gebaande pad is de weg, maar het onbekend struikgewas ernaast.

Het Shandyisme als schrijfplezier

Toen Ernst Jünger in 1918 de roman ‘Tristram Shandy’ van Laurence Sterne gelezen had rekende hij zich tot de geheime orde der Shandyisten. Wat dat inhoudt kan niet goed uit zijn verslag worden opgemaakt, maar hij geeft aan dat de personages uit de roman hem vertrouwder voorkwamen dan de recente ervaringen aan het front en in een veldhospitaal waar hij met hoge koorts de lectuur van het boek had vervolgd.(*) ‘
Natuurlijk verwees Jünger stilzwijgend naar de passage uit de ‘Tristram Shandy’ waarin Sterne zelf het ‘Shandyisme’ in het leven roept. Hij veronderstelt aan het slot van deel 4 dat zijn lezers inmiddels flinke hoofdpijn van zijn verhalen hebben gekregen, maar, voegt hij er aan toe:
“Uw gezondheid, dat lijdt voor mij geen twijfel, is er stukken op vooruit gegaan---Bonafide Shandyïsme, wat u er ook op tegen mag hebben, verruimt hart en longen---en dwingt, net zoals alle verdere aandoeningen van diezelfde aard, het bloed en de overige levenssappen vrijelijk te stromen door al ’s lichaams kanalen, en houdt het levensrad lang en lustig draaiend.” (**)
Sinds verschijnen van ‘Tristram Shandy’ ( tussen 1759 en 1767) hebben zich velen over het Shandyisme uitgelaten. Het tijdschrift ‘The Shandean’ doet niet anders en in elke studie over het postmodernisme wordt Sterne tot een der voorlopers gerekend. Maar van Willem Brakman komt de formule ‘Het Shandyisme als schrijfplezier’. Het is de titel van zijn beschouwing over ‘Tristram Shandy’ waarin hij laat zien dat Shandyisme zowel een stijl is als een levenshouding.
“Een nieuwe wijze van schrijven, een onbezorgde medley van autobiografische aantekeningen, scherpe commentaren op het leven, anekdotes, uitweidingen, overpeinzingen, even prikkelend als welsprekend en discontinu bijeengevoegd. Een nieuw gevoel, een in de vitale lagen van de persoon gewortelde waardering voor de volheid en de rijkdom van het leven. Deze blik, dit credo van de positiviteit onthult de werkelijkheid op een specifieke manier, zoals de misantropie of de melancholie dat weer op hun wijze doen. Het is een oeraanvang waarachter niet is terug te vragen, te vergelijken met axioma’s waarop het bouwwerk van een boek wordt opgetrokken.” (***)
Een zelfportret van Brakman schemert tussen de regels door.

*) In: ‘Das abenteuerliche Herz’, Stuttgart 1979
**) Laurence Sterne, ‘Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy’, (Nederlandse vertaling van Jan & Gertrude Starink), Amsterdam 1990.
***) In: ‘Vrij uitzicht’, Amsterdam 2001.

Brakman en Jünger (2)

In april 2006 – zie ons archief - maakten we melding van de lof van de Nederlandse Jünger-biograaf Jan Ipema voor Brakman’s beschouwing ‘Een zwak voor Jünger’. De reserve die uit de woorden ‘een zwak voor’ blijkt, wordt in dat essay niet uitputtend uitgewerkt. Brakman had er in een volgende beschouwing aan toe kunnen voegen dat hij geen affiniteit had met Jüngers dagboeken en beschouwingen over de Eerste Wereldoorlog.
Van die dagboeken is ‘In Stahlgewittern’ het meest bekend geworden en het meest omstreden gebleven. Omstreden omdat Jünger zich in dat boek laat kennen als een gefascineerd waarnemer van de verschrikkingen van het Westelijk front. In tegenstelling tot een nog meer bekend boek over de loopgravenoorlog in Frankrijk – ‘Van het westelijk front geen nieuws’ van E. M. Remarque, een verklaard anti-oorlogs boek - concentreert Jünger zich op alle aspecten van de frontervaring zonder die in te kleuren met een antimilitaristisch perspectief. Die opstelling is hem, vooral in Duitsland na 1945, kwalijk genomen. Het werk van Jünger werd daarom ook in Nederland maar mondjesmaat geïntroduceerd. ‘In Stahlgewittern’ werd pas in 2002 onder de titel ‘Oorlogsroes’ uitgegeven bij uitgeverij de Arbeiderspers.
Brakman heeft dat vervolg op zijn Jünger essay nog niet geschreven, maar het ligt voor de hand dat zijn afkeer van het militaire bedrijf hem op afstand heeft gehouden van Jüngers fascinatie voor al het militaire. In 1952-53 was Brakman dienstplichtig arts bij de Militair Geneeskundige Dienst en vele jaren daarna moest hij jaarlijks opdraven voor een herhalingsoefening. Het verhaal ‘Herfstmanoeuvre’ uit de bundel ‘Water als water’ laat zien hoe weinig hij het militaire bedrijf serieus nam.
In ‘Een zwak voor Jünger’ schrijft Brakman toch waarderend over één frontervaring van Jünger, neergelegd in diens korte verhaal ‘Tristram Shandy’. Jünger publiceerde het niet in een oorlogsdagboek, maar in ‘Das abenteuerliche Herz’ (1929), een bundel met prozateksten in een stijl tussen realisme en surrealisme. In 1917, zegt Jünger, bestreed hij de verveling in de loopgraven bij het stadje Bapaume door de roman ‘Het leven en de opvattingen van de heer Tristram Shandy’ van Laurence Sterne te lezen. Hij las er in vóór de slag en ná de slag in een hospitaal.
Brakman rekent dit verslag tot het beste van Jüngers werk:
“In de Eerste Wereldoorlog leest Jünger vlak voor de aanval bij Favreuil in een uiterst gevaarlijke situatie het boek ‘Tristram Shandy’ van Sterne. Zoals bekend lijdt de compositie van dat boek nogal aan evenwichtsstoornissen en is het grillig, bizar, vol verrassende tussencommentaren, zodat het geschreven lijkt in een licht hypomane toestand van verhoogde afleidbaarheid. Na zijn verwonding leest Jünger het boek verder in het lazaret, hij heeft lichte koorts en het is hem alsof alles wat er is gebeurd tot de lectuur van het boek is gaan behoren. Boek, werkelijkheid, licht febriele bespiegelingen en perspectieven vertalen zich in elkaar en verweven zich luchtig, bijna speels tot een ware eenheid.”
‘Een zwak voor Jünger’ is te vinden in de essaybundel ‘De jojo van de lezer’ en de lezer kan daarin zijn kijk op de samenhang in het werk van Brakman verruimen met het essay ‘Een man die deed, leed en dacht’, een voortreffelijke verhandeling over de ‘Tristram Shandy’. Jünger wordt er niet in genoemd.

Jünger in het uniform van de Vreemdelingenlegioen, één jaar voor de oorlog genomen, 1913

Het ultieme boek 2007 (Vrij Nederland)

In het december nummer 2007,vroeg Vrij Nederland aan hun favoriete schrijvers welk boek hun favoriet was in 2007. Hier Brakman's antwoord:

Brakman in nummer 50/51, Vrij Nederland, 2007

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright