wbrakman.nl

Bric ŗ Brac

Een archief van eerdere berichten. Beschikbare jaren: 2017 - 2016 - 2015 - 2014 - 2013 - 2012 - 2011 - 2010 - 2009 - 2008 - 2007 - 2006 - 2005 - 2004 - 2003 - 2002 - 2001.

Dit is 2002

Onderscheiding Fonds der Letteren

Het bestuur van het Fonds voor de Letteren kende Willem Brakman onlangs een jaarlijks eregeld toe. De biograaf van Brakman, Gerrit Jan Kleinrensink, schreef een korte schets over de schrijver.Veel meer over Brakman vindt u op Kleinrensinks website.

Klik ook HIER om naar de site van het Fonds der Letteren te gaan.

Toen Willem Brakman in 1961 debuteerde met de roman Een winterreis reageerden de critici enthousiast en stelden vast dat zich een volgroeid talent had aangediend. Brakman had dan ook lange tijd naar het schrijverschap toegewerkt.

Zijn ouders waren Zeeuwen die zich in 1919 in Scheveningen hadden gevestigd. Zijn vader was wisselloper bij een bankiersbedrijf in de Haagse binnenstad en zijn moeder verdiende bij door in winkels te werken en pensiongasten te houden. Brakman bracht zijn jeugd door in de wijk Duindorp, volgde de Mulo en doorliep daarna vele kantoorbaantjes. De oorlogsomstandigheden maakten het hem mogelijk om als onderduiker het HBS-diploma te halen zodat hij in 1946 met de studie medicijnen kon beginnen. In de jaren Vijftig was hij militair arts, arts-assistent in een ziekenhuis in Den Haag en huisarts aldaar.

In het laatste oorlogsjaar leerde Brakman de dichter, criticus en Vestdijkbiograaf Nol Gregoor kennen. Een begaafd causeur die hem wegwijs maakte in de literatuur en de beeldende kunst en die als mentor 'een zwaard zonder genade' was. Deze vriendschap deed Brakman zijn schrijverschap aan een hoge norm meten, zoals aan het voorbeeld Vestdijk met wie Gregoor hem in contact had gebracht.

In 1957 verruilde Brakman zijn huisartsenpraktijk voor een betrekking bij de bedrijfsgeneeskundige dienst in Enschede. Hier kwam hij tot schrijven en vanaf 1961 verscheen zijn werk met vaste regelmaat. Het stond aanvankelijk in de traditie van het psychologisch realisme, maar in de jaren zeventig vond Brakman een eigen weg die door de lezers herkend en gewaardeerd werd nog voor er een etiket op geplakt was. Typerend voor zijn werkwijze werd het scheppen van een verhaalwereld waarin verbeelding en werkelijkheid naadloos in elkaar overgaan. Gangbare conventies zette hij op losse schroeven. Brakmans vertellers lijken genoeglijk keuvelende heren, maar achter dat masker verbergen ze een diep wantrouwende en demonische aard.

In 1979 kreeg hij de Bordewijkprijs voor de verhalenbundel Zes subtiele verhalen en in 1981 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre waarvan toen het grootste deel nog geschreven moest worden.

De eigenheid van Brakman is gelegen in zijn weerbarstigheid, zijn ongrijpbare humor en het negeren van de herkenbare, realistische verhaallijn. Voor veel lezers werd hij daardoor een 'zwaard zonder genade', een beoordeling die zich tegen hem keerde toen zijn werk in het laatste decennium van de vorige eeuw voor vrijblijvend postmodernisme werd gehouden. Ten onrechte, want de gedrevenheid van Brakmans werk en de inzichten waarmee het de lezer beloont, wijzen op een instelling die verder reikt dan het verlangen een veelgelezen en bekende Nederlander te zijn.

In 2003 verschijnt zijn vijftigste roman, Nazomer geheten. Kenmerkend bleef al die tijd zijn kritische opstelling - hoe ook onder humor verscholen - ten opzichte van de waan van de dag, de trends in de letteren, de druk van de media en de laatste hype. Dit alles met als bron het onvervreemdbaar ervaringsvermogen in zijn jeugd opgedaan.

Fulco de Minstreel

Deze meester tilde iedere zaterdagochtend het laatste uur de deksel op van de lessenaar waaraan hij was gezeten, nam het boek eruit, opende het en las er een uur uit voor. Ik heb hierover lang nagedacht, ik heb hem om zo te zeggen keer op keer in de geest Pieter Pikmans, De zilveren schaatsen, De scheepsjongens van Bontekoe en Il Tigretto in de handen gedrukt, maar hij heeft er niet uit voorgelezen, geen letter. Het enige dat hij ooit heeft voorgelezen, ja het enige boek dat mij ooit is voorgelezen, was Fulco de minstreel...

Klik Hier voor Brakman over Fulco De Minstreel (Fulco de minstreel' door Johan Kievit, tekeningen Joh. Braakensiek)

leegte

De Hotelier doet mee

In het romanwerk van Simon Vestdijk is de laatste periode daarvan niet het beste deel. Een dalende lijn is onmiskenbaar, maar voor ťťn boek maak ik een uitzondering en dat is voor de roman De hotelier doet niet meer mee. Het is een meesterwerk...

Klik hier voor Brakman over De Hotelier

Klik op Vrij Uitzicht voor de recensies

Het toppunt van ellende

In 1971 beantwoordde Brakman vragen die in 1884 al aan Marcel Proust waren gesteld.

Bijvoorbeeld vraag 16: Welke historische figuren verafschuwt u het meest?

Die kleine, anonieme ellendelingen die altijd de historie hebben uitgevoerd, de bakker, schoenlapper en me1kboer uit ieders buurt die als het toevallig zo uitkwam, hebben geschoten, doodgetrapt, vergast en opgehangen met een verrassende vaardigheid en vanzelfsprekendheid.

Lees het hele interview: Klik op Interview voor de complete tekst van het interview

Lees ook: Willem Brakman over Proust. Klik op Proust voor de tekst

Dankwoord Brakman bij de receptie van zijn verjaardag

Klik hier voor de tekst van het dankwoord

uitnodiging ter gelegenheid verjaardag
De uitnodiging, zoals die aan genodigden is verstuurd ter gelegenheid van de verjaardag.

De pop ontpopt

uit: Uitgave poppenmuseum, beperkte oplage, 1985.

Klik hier voor de tekst.

De tekening is geen zelfportret maar een impressie door Woldhek.

Boekenweekmagazine

Ter gelegenheid van de boekenweek 2002 verscheen deze week het Boekenweekmagazine. Verhalen en gedichten over de liefde, maart 2002, redactie Onno Blom e.a.

Op bladzijde 37 is de volgende bijdrage van Willem Brakman te vinden.

door Brakman geschilderde omslag van de Opstandeling'Oogstrelend
Het ultieme beeld van de liefde? Wie kan dat beter geven dan ikzelf. Het is nu eenmaal een tijd van ultieme beelden, voor nuances heeft men tegenwoordig geen oog meer. Nu verkeer ik in de gelukkige omstandigheid dat ik het ultieme beeld van de liefde zelf heb geschilderd. Ziehier mijn schilderij [behorende bij mijn roman] "De opstandeling", waarin het verhaal van een overspel en de oeroude elementen van woede, heimwee, verraad en allerlei verrukkingen zijn verweven. Het verhaal stuurt als het ware zichzelf en kiest hier een compositie waarin elkaar uitsluitende elementen worden samengevoegd. Geen beter stijlmiddel dan het zo constructive kubisme. De mooiste schilderijen van Picasso zijn ook altijd boosaardig - en dat is dit beeld ook. De liefde is altijd dubbel, een verstrengeling van lust en angst. Scherp en absoluut. Als je de uiterste liefde beleeft, dan denk je: als het maar zo blijft. En als de eerste liefde al weer een tijdje duurt, ben je geneigd weer eens verderop te kijken. Een chaos van uitersten, dat is de liefde en dat drukt mijn schilderij, in alle bescheidenheid, perfect uit.'

Brakman en de Klassieke Oudheid

In 1992 verscheen Brakmans roman 'Een vreemde stam heeft mij geroofd' waarin de tocht van de Argonauten uit de Griekse mythologie verplaatst blijkt naar het Nederlands kustgebied.. De dichter, poŽzierecensent en leraar klassieke talen Piet Gerbrandy onderzocht hoe Brakmans roman zich verhoudt tot de bronnen uit de Oudheid. Gerbrandy's verhandeling verscheen in zijn essaybundel 'Boeken die ertoe doen. Over klassieke literatuur', uitgeverij Meulenhoff 2000. Opmerkelijk is dat Gerbrandy bij de spelling van de naam Jason, de aanvoerder van de Argonauten, een onderscheid maakt tussen de spelling van Brakman ( Jason) en die welke hij aan de mythologie toeschrijft (Iason).

Klik hier voor de tekst

Het theater van de romancier

Ik reken mij tot de geschikte voorlezers van eigen werk en wel omdat daarin spontaan al een theatereffect is opgenomen; een element van juiste belichting, van mime, geste, een gevoel van clausen ťn de juiste plaats voor pauzen en accenten. Dit in tegenstelling tot de gangbare opvatting dat men dient voor te lezen uit eigen werk met ťťn hand in de broekzak, monotoon, liefst geheel onverstaanbaar, wat mijns inziens een geheel doorzichtige vertaling is van de doodsangst om niet gewoon te zijn. Goed voorlezen echter, is een zaak van glimmende glossen en waarvan de glans niet ongenoemd mag worden gelaten, polemische schelheid, bekkentrekkerij, het brede alomvattende gebaar en een feilloos gevoel voor pointe.
Alles bij elkaar genomen is het een veelheid van personen in de schrijver die dringen en dwingen om aandacht. Zo is het ernstig te betreuren als de zwetser, de hoffelijke verkoper, de infantiel, de hebzuchtige, de wraakbeluste wrokker, de aansteller en ook koning Nobel zťlf hun kans niet krijgen. Om al dit ben ik het theater zeer toegedaan, maar vooral ook om het onechte dat het theater aankleeft als geen der kunsten: de glorie van het gespeelde gevoel, het loeren naar effect, de schaamteloze imitaties, het uitgesproken talent van de intrigant waarzonder geen speler uitkomt. De mime is de mimer zelf, hij kruipt in allen, kent daar alle dwalingen, dubbele bodems en zwakheden en heeft hiervoor een heel scala van gebaren tot zijn beschikking: schokken, grimassen, stuipjes, sidderen en beven tot in de vingertoppen. In hem is het raadsel en kracht van de onechtheid, de geboren intrigant, een hogere hysterie en waarachtig, dit spel is de ware schrijver niet onbekend; het spel om de waarheid met leugens en leugentjes om bestwil, en halve waarheden in te vangen. In de overdadig betraande wereld van nu is het goed dit te weten.

door Willem Brakman, uit:Twaalfhoven, Elffrich, Misdom (ed.)Nadere kennismaking: het bewerken van literatuur tot theater, Amersfoort, 1996, p. 7.

De koning is dood (Book Review)

World Literature Today Autumn 2000, Vol. 74 Issue 4, p870

by Atzert, Stephan

DE KONING IS DOOD

Amsterdam. Querido. 1999. 198 pages. 39.90 fl. ISBN 90-214-5419-x. Willem Brakman.

WILLEM BRAKMAN'S forty-sixth novel, De koning is dood (The King Is Dead), develops a surrealistic dreamscape: "I ... seriously had to consider whether I was dreaming or whether I was wandering through someone else's dream." The book resists being understood, because the sequence of events follows a logic reminiscent of that found in dreams. Though the text does not make sense outside its own frame of reference, it is not devoid of consistency: the narrator, a doctor, encounters a number of strange men fond of lengthy monologues. He explores a subterranean labyrinth, where he takes part in political machinations involving Freemasons, Jesuits, and an evil dwarf. Imaginative use of the Dutch language, playful pathos, and exaggeration contribute to the humor of the text. But the hermetic plot, decipherable perhaps to the "Brakmanianen" (as a circle of educated Brakman readers is called in The Netherlands), poses difficulties for uninitiated readers such as myself. Brakman himself does not see this as a shortcoming. In an interview about his writing, he stated that the mental effort required for unraveling something is of fundamental importance in life. Solutions will stop the mind from exerting itself in its (albeit vain) attempt to grasp that which is outside its reach.

The final sentence of the novel points toward the source of the author's inspiration: "In my particular mood it seemed to indicate the special wealth of darkness." This sentence provides both justification and closure for Brakman's well-crafted, self-referential, hermetic text. However, linking the somewhat arbitrary dream-logic to more common systems of signification might have produced a more engaging and compelling book.

By Stephan Atzert, University of Melbourne

Een terugblik op de tentoonstelling "Willem Brakman tussen woord en beeld"

door Lisette Pelsers (conservator moderne kunst van Rijksmuseum Twenthe te Enschede)

'Extra aandacht vraag ik voor het Rijksmuseum Twenthe, ook daar wandel ik vaak. Vroeger was het museum gegarandeerd hol en stil, en ik beluisterde er de eigen voetstap terwijl ik neerzag op ondoorgrondelijk bot, steen en brons. Een zeer tijddoordrenkt beleven, dat zijn subtiel hoogtepunt vond in de gobelinzaal, een zaal door zijn wandbekleding en zijn centrale ligging absoluut stil. In die zaal staan een houten bank en een monument van een Haagse klok. Daar zit ik nog wel eens als de nood hoog is en luister, luister hoe langzaam door het wennen van het oor, de tik duidelijker en duidelijker wordt. Tenslotte komt hij dan voorbij in al zij statie, de absoluut zuivere seconde. Bewaart men in Parijs de platina meter, Enschede heeft de tijd, de platina seconde.'

Willem Brakman
Glossen en Schelfhoutjes (1988)

Willem Brakman (1922) behoort tot de trouwste bezoekers van het Rijksmuseum Twenthe. In de loop van vele jaren heeft hij een sterke band ontwikkeld met het museum en met verschillende werken uit de collectie. In zekere zin is Brakman te beschouwen als de ideale bezoeker van elk museum: een echte herhalingsbezoeker, die in alle rust de collectie bekijkt en telkens weer iets anders ontdekt in een kunstwerk.

Deze relatie van Brakman met het Rijksmuseum Twenthe vormde de aanleiding voor de tentoonstelling 'Willem Brakman tussen woord en beeld', die van 24 november 2001 tot en met 17 februari 2002 plaatsvond. Hierin werd aandacht besteed aan Brakmans tot nog toe onbekende beeldende werk. De tentoonstelling in het Rijksmuseum Twenthe liet dit werk alsnog via een omweg zien.

Tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling werden in totaal circa veertig tekeningen geselecteerd, de meeste in vetkrijt op papier. Tot de selectie behoorden ook zes werken in olieverf, geschilderd op board. .

De tekeningen waren verschillend van formaat en zaten deels in passe-partouts, die ook nogal uiteenliepen wat betreft afmeting, kleur en kartonsoort. In overleg met Willem Brakman werd daarom besloten de tekeningen in elk geval voor de duur van de tentoonstelling uit de passe-partouts te halen. In eerste instantie werd dit gedaan uit presentatieoverwegingen. Voor het tonen van de tekeningen werd gebruik gemaakt van eenvoudige houten kasten met glazen leggers in twee 'etages': de onderste horizontaal geplaatst, de bovenste iets schuin, als een lessenaar. De kasten werkten als kleine kabinetjes, waarin de tekeningen geconcentreerd bekeken konden worden. Op elke legger konden twee werken worden getoond. Om eenheid en rust in de presentatie te brengen werd elke legger voorzien van ťťn groot passe-partout, met telkens twee op maat gesneden uitsparingen. De indeling van de tekeningen werd door Willem Brakman zelf bepaald, die zich daarbij niet leiden door chronologie of inhoudelijke overwegingen, maar voornamelijk door sfeer en kleur.

De in totaal acht kasten met de Brakman-tekeningen werden opgesteld in een centraal gelegen kabinet in het museum, waarvan de grote zijramen waren voorzien van lichtwerende - maar wel nog licht doorlatende - 'screens', die de lichtwaarde in de zaal terugbrachten tot de voor werken op papier toegestane 50 lux. Hogere waardes hebben op den duur vergeling van het papier tot gevolg en verbleking van de materialen die zijn gebruikt voor de tekening.

Conservatorische overwegingen vormden ook een tweede argument voor het verwijderen van de passe-partouts, die in de meeste gevallen 'zuur' waren, dat wil zeggen, gemaakt van karton met houtvezels met een hoge zuurgraad. Een zuur passe-partout versnelt de afbraak van de papierketens, met als in eerste instantie vergeling als gevolg en op den duur gaten.

Daarbij waren de passe-partouts met lijmtape aan de tekeningen bevestigd. De lijm kan in het papier dringen en gekleurde vlekken veroorzaken die niet meer te verwijderen zijn. Uiteindelijk heeft het gebruik van lijmtape dezelfde gevolgen als een zuur passe-partout.

Om al deze redenen was het raadzaam de tekeningen te voorzien van nieuwe, zuurvrije passe-partouts en ze bovendien op te bergen in eveneens zuurvrije kartonnen prentendozen.

Bij het ontruimen van de tentoonstelling deed zich een interessante conservatorische casus voor. Drie tekeningen uit de jaren vijftig blijken problemen te vertonen. Het grootste werk van de drie, 'Kerkhof', heeft ernstig materiaalverlies, craquelť en blazen. Volgens de opgave van Willem Brakman is het gebruikte materiaal verkrijt. Bij de restauratoren van het Rijksmuseum Twenthe rees echter al snel het vermoeden dat het om waskrijt ('Wasco') gaat. Uit navraag bij Willem Brakman bleek dat het inderdaad om waskrijt of timmermanskrijt gaat. Brakman verzamelde overgebleven stompjes krijt en krijtschaafsel en smolt die in de kachel. Door toevoeging van extra bijenwas en / of paraffine werden nieuwe waskrijtjes gemaakt. Brakman was vooral verrukt van de zeer mooie gemÍleerde grijstinten die zo verkregen konden worden.

Volgens een eerste analyse van de restauratoren kan het feit dat deze oudere werken als enige deze schade vertonen meerdere oorzaken hebben:

Waarschijnlijk is de huidige schade een combinatie van deze of enkele van deze mogelijke oorzaken geweest.

Inmiddels is Willem Brakman naar de werken met schade komen kijken. Hij heeft toestemming gegeven voor het uitvoeren van enkele consolidatietestjes. Hierbij wordt gedacht aan plaatselijke verwarming door middel van een warme spatel, en aan diverse (synthetische) lijmen.

Een deel van het losgeraakte krijt is helaas verdwenen. Voor deze lacunes zou een beslissing over retoucheren genomen moeten worden. Over verplaatsing van de tentoonstelling naar het Drostehuis in Zwolle wordt nog nagedacht.

De Brakmanroute in Rijksmuseum Twenthe in Enschede

Het was voor Willem Brakman bijzonder plezierig om een tentoonstelling van eigen werk te krijgen in een museum waarvan hij de vaste collectie zo goed kende dat men van de Brakmanroute kon spreken. Die route heeft hij op verzoek van het Museum beschreven en is binnenkort in boekvorm verkrijgbaar. De tocht voert langs twaalf schilderijen waaronder Jan RoŽde's 'Children playing with a toycar' dat op het omslag van Ante Diluvium is afgebeeld Hieronder de tekst bij dat schilderij.

'Kinderen hebben op een bijzondere wijze weet van een vlak; rechtsonder is heel iets anders dan links boven, het ene gedeelte is warm, het andere kil en het centrum totaal iets anders dan de randen. De voor velen onzichtbare differentiaties van een vlak zijn nu juist dat wat de tekenaar aantrekt. De diepe, intuÔtieve kennis die nodig is wil het vlak herkend zijn voor wat het is. Kinderen nemen in hun onschuld ruw bezit van het vlak in willekeurige krassen van rand tot rand en hebben weet van een lel rood in een hoek dat als een kanon het hele slagveld bedreigt. Kunstenaars als RoŽde weten van deze onbezorgde en onbekommerde omgang met het papier, het vlak, maar juist daardoor zijn zij in staat de fijnste nuancen te ondergaan en deze af te tasten met uiterst gevoelige lijnen. Is de stift eenmaal gezet dan is er geen terug, want geen onschuld is te herroepen. Iets in de diepte van toen slaat de ogen op en doet mee. Dat is het spel van toen er nu, het subtiele van wat eens had kunnen zijn en het manco in de actualiteit aan barre en ongebreidelde spontaniteit. RoŽdes doeken tasten hun weg tussen twee polen, winst of verlies, nu en toen, bruut en voorzichtig, lijn en vlek, vorm en toeval. ver en dichtbij. In het onderhavige geval is de keus gevallen op een ijl blauw, dat zoals men weet de kleur is van de werkelijkheid achter de werkelijkheid. De figuren, uiterst materieloos en voorzichtig getrokken, zijn zwaarteloos. Kortom, herinnering aan herinnering.'

Dubbeltalent Brakman schildert zijn romans

Kester Freriks

Voor de ouders van schrijver Willem Brakman (1922) waren schilderijen te duur. Brakmans vader bedacht een slimme oplossing: hij schilderde werken uit de Haagse School na en deed dat zo goed, dat hij er alle lof voor kreeg. In enkele boeken van Brakman komt dit motief voor, zoals in de autobiografie Een wak in het kroos en in de roman Ansichten uit Amerika.

Als kleine jongen versloeg Brakman in ťťn keer zijn vader door een groot schilderij dat hij ergens in een Haagse winkelstraat zag centimeter voor centimeter in zijn geheugen op te slaan en het na te schilderen. Het zijn twee veelzeggende verhalen, die misschien wel aan het begin staan van Brakmans schrijverschap. Want zijn oeuvre is doortrokken van beelden, schitterende beschrijvingen en weergaloze evocaties. In een interview heeft Brakman eens gezegd dat zijn romans altijd met een `beeld' beginnen. In de jaren vijftig sloot hij zich aan bij een groep schilders die later als de Cuijkse school bekendheid verwierf.

Brakmans dubbeltalent komt mooi aan de orde op een tentoonstelling in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. In 1998 vatte Brakman het plan op om al zijn boektitels van een schilderij of tekening te voorzien, die de essentie uitdrukt. Zo krijgt het woord een bijpassend beeld, zo wordt de roman of het verhaal een schilderij.

Het zijn geen illustraties die Brakman maakt, evenmin anekdotische uitbeeldingen maar schilderijen die een grote mate van expressie bezitten. Over de expressieve kracht van het schilderen schrijft Brakman in de catalogus: ,,Vorm, inhoud, vlakverdeling, spanning tussen lijn en kleur, de bewegende scheppende hand die duidelijk speurbaar was en het kunstwerk deed meevoltrekken.'' Spanning en een trefzekere, kleurrijke vlakverdeling bezit het schilderwerk van Brakman zeker. Hij werkt met vetkrijt, wat een ruwe, ongestileerde oppervlakte creŽert. Het eerste schilderij dat de inspiratiebron weergeeft voor zijn debuut Een winterreis is schitterend van atmosfeer. Als locatie koos hij `het dorp der dorpen', een vakantiedorp waar Brakman in zijn jeugd verbleef. Op een besneeuwd plein staat een meisje met rode trui en lange groene rok. Sneeuw dwarrelt langs blauwe boomstammen en gele huizen. Het meisje wacht op niemand anders dan de schrijver. Zij is zijn jeugdliefde. Het werk heeft de stijl van de Duitse expressionisten wegens het fel contrasterende kleurgebruik.

Een van Brakmans raadselachtigste titels is Het doodgezegde park naar een titel van de Duitse dichter Stephan George. Zoals de roman overvloeit van sfeerbeschrijving, zo is ook de tekening zuiver atmosferisch. In bijna abstracte vlakken in zachtgroene, gele en grijze tinten bouwt Brakman een beeld op van mensen die in een ijle wereld lijken te zweven. De romans Come-back en Weekend in Oostende krijgen een kubistisch-expressionistische uitvoering. Huizen, mensen, een zeilschip en de zee zelf zijn krachtige elementen in blauw, knalrood, paars. Brakman geeft uitleg in een begeleidende tekst: ,,Wie aan de kust is geboren en het woord `weekend' uitspreekt, heeft alle ingrediŽnten tegelijk in handen: zee, zon, zand, boot, golven, parasol, vis etc. Het is de sfeer van toen!' De roman De biograaf speelt zich af in de schittering van de toneelwereld. Brakman tekende een oud acteur, grijs aan de slapen, die boven het voetlicht lijkt te zweven. De achtergrond is dat speciale rood dat je `toneelrood' zou kunnen noemen: fluwelig, gloeiend, een vleug van paars erin als het toneelgordijn in een oude schouwburg. Brakman schilderde bij zijn zwierige novelle De reis van de douanier naar Bentheim een zwarte gestalte in een wereld van geel, lila, groen.

De weergave van Het zwart uit de mond van Madame Bovary is grimmiger. Emma Bovary heeft zojuist arsenicum ingenomen en spuugt een golf zwart uit. Zij ligt op haar sterfbed, strak en wit als een pop. Om haar heen de mannen en de pastoor, allen van een verstikkende burgerlijkheid. Op de achtergrond een fraai gestileerd Normandisch kerkje. Het meest dynamische schilderij hoort bij De sloop der dingen. Een groep mensen vaart op een schip dat door een vloedgolf schuin de hoogte in wordt getild. Er staan dames op met parasols, een roerganger, een matroos die met een rood vlaggetje zwaait. Het lijkt wel een narrenschip, een schip van feestvierders temidden van het tumult van de zee. Het drukt precies de opstandige heftigheid uit waarmee dit boek is geschreven.

Schilderijen en romans, beeld en taal. Bij Brakman zijn die twee sterk op elkaar betrokken. Het mooie van deze tentoonstelling is dat ze aantoont dat Willem Brakman zijn boeken als het ware eerst `ziet'. Of, zoals hij eens in een interview zei: ,,Het is een samenstel van toevalligheden en bijzonderheden.'' Omdat Brakman dit eerst geziene beeld trouw blijft, vertonen zowel zijn boeken als schilderwerk aldoor weer een krachtige eenheid.

De BiograafBrakmans tekening bij zijn roman `De biograaf' (vetkrijt, 30 x 29 centimeter; illustratie uit catalogus)

(klik voor informatie over de tentoonstelling hier)

leegte

Brakman in het Rijksmuseum

Voor informatie over de tentoonstelling, klik hier.

Lees het interview met Brakman bij de tentoonstelling, klik hier

Het Rijksmuseum Twenthe:"Willem Brakman tussen woord en beeld"

De tentoonstelling is te zien t/m 17 februari 2002.

letter in kleur

Er zijn schrijvers die bij elke herdruk aan hun werk gaan sleutelen, er zijn schrijvers die dat niet doen, maar hun werk van een stroom commentaar en interpretaties voorzien. Tot die soort behoort Willem Brakman en het mag daarom geen verbazing wekken dat hij ook een tentoonstelling van zijn tekeningen en schilderijen zal inleiden. Wie zijn beschouwingen over literatuur en beeldende kunst kent, weet dat hij dat niet doet om er het laatste woord over te zeggen, maar om aan te geven dat dat laatste woord niet uitgesproken kŠn worden omdat een kunstwerk zijn identiteit ontleent aan de mogelijkheid er vele zienswijzen aan te ontlenen en er op los te laten.

Willem Brakman (1922) behoort tot de kunstenaars met een dubbeltalent: schrijver en beeldend kunstenaar. Hij is bekend geworden als schrijver. In 1981 kreeg hij de P.C. Hooftprijs toen hij nog niet de helft van zijn oeuvre geschreven had. In de jaren vijftig hield hij zich voornamelijk bezig met schilderen. Toen hij in 1959 met het schrijven ernst begon te maken, verdween zijn beeldende werk naar de achtergrond. In het najaar van 1998 hervatte hij het tekenen met het doel om zijn romans van een andere, weinig bekende kant te belichten. Bij elk van zijn boeken maakte hij een tekening van de essentie van het verhaal, een tekening die ook voor het omslag van het boek gebruikt zou kunnen worden. Elk verhaal van Brakman vindt zijn oorsprong in een beeld dat zelf niet of nauwelijks in het betreffende verhaal voorkomt. Via een omweg krijgt de toeschouwer die beelden nu alsnog te zien. De tentoonstelling presenteert een keuze uit die 'boekomslagen' en uit het vele werk dat daarna ontstond.

Over de voorgeschiedenis van Brakmans beeldende werk is genoeg bekend uit interviews, uit essays over eigen werk in de bundel Wak in het Kroos en de roman Ansichten uit Amerika. Brakman is autodidact, hij keek het schilderen af van zijn vader die thuis ansichtkaarten naschilderde omdat schilderijen in de jaren dertig van de vorige eeuw voor de familie Brakman onbetaalbaar waren. Het meeste leerde hij echter bij een Haagse schildersbent die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog als 'Cuijkse school' enige bekendheid verwierf. Hier leerde hij met vetkrijt werken. Zijn vroege werk kenmerkt zich door zwaar aangezette, aan het Expressionisme verwante vormen, in het latere werk is zijn toets opmerkelijk lichter en kleurrijker, hanteert hij verschillende technieken en zijn de voorstellingen nu eens grillig en raadselachtig, dan weer luchtig en speels en naderen zij de cartoon.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling verschijnt een boek met veertig afbeeldingen in kleur waarvan er een aantal op de tentoonstelling te is:

Willem Brakman, Letter in kleur. Schilderijen en tekeningen, ( uitgeverij De Prom, onder redactie van Gerrit Jan Kleinrensink en met een inleiding van Willem Brakman)

Het eerste exemplaar wordt door Paul Hajenius, beeldend kunstenaar, aan Willem Brakman overhandigd.

Dit boek is in de museumwinkel verkrijgbaar (en in de betere boekhandel) voor euro 18.50.

Leden van de Brakmankring kunnen het boek bestellen tegen een gereduceerd tarief door euro 15,- (boek + porto) over te maken op giro 137321 van de stichting Willem Brakmankring, Leiderdorp.

Museum voor oude en moderne kunst
Rijksmuseum Twenthe
Lasondersingel 129-131 Enschede
Tel: 053 4358675
Fax: 053 4359002
E-mail: info@rijksmuseum-twenthe.nl

Brakman over verkiezingen: PEER

Schrijvend over zijn schilderen heeft Vincent van Gogh eens gezegd dat de peer niet aan een tak hangt maar aan wortels, een stam, bladeren, de wind en de regen, aan dag en nacht. Hoe verhelderend dat ook is, het valt steeds moeilijker in deze liefdevolle natuurverbondenheid te geloven. Voor ons hangt de peer onverbiddelijk aan cadmium, kwik, fosfaat is de regen zuur en de wind bezwangerd van dioxine en wat al niet. De peer van nu is monochroom zwart.

Soms, op een dribbel in de stad, met oordopjes in, sta ik wel eens stil voor het gemeentehuis en zie de peer erin; al die bekwaamheid, ijver, contracten en blauwdrukken. Al dat vergaderen, die rivieren vergaderkoffie, dat zorgvuldig wikken en wegen hangend aan omgekapte bossen, vlakten van beton en asfalt, kruisingen hoog en laag, de overal waggelende zandwagens en graafmachines, god weet nog een dubbelstad, een groter vliegveldÖEen huis vol dynamisch, toekomstgericht Europees denken.

Wat daaraan nog te doen? Rouwdiensten? Stille omgangen? Het massaal kaarsen aansteken? Dat is te weinig! Kies Groen Links! Wees de eerste aan de bus, vecht u naar voren, hoedt u voor andere partijen, laat u niets wijsmaken door andersdenkenden want er is haast bij!!

Uit: Verkiezingskrant Groen links, Enschede, maart 1990, nr. 5, p.3.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright