Arie Storm, Recencent van 't Parool
door Arie Storm, 2009
Op de website van de Engelse krant The Guardian kun je foto's zien waarop werkkamers van schrijvers zijn vastgelegd (NRC Handelsblad heeft op hun website het idee enigszins overgenomen). Ook heb ik een tijdje geleden een boek gekocht getiteld How I Write: The Secret Lives of Authors. Daarin is aandacht voor de spullen waarmee schrijvers zich omringen: een vel papier van Jonathan Lethem met daarop de namen van nog tot leven te brengen personages; de speelgoedsoldaten die Javier Marías op de planken van zijn boekenkasten in slagorde heeft opgesteld; de ansichtkaart met daarop het portret van een ironisch ogende Laurence Sterne, een kaart die Adam Thirlwell op zijn schrijftafel heeft staan. Natuurlijk: het kan allemaal fake zijn. Misschien zien die kamers er een dag later heel anders uit - en zijn de 'dierbare spullen' weggesmeten. Toch kijk ik ademloos naar deze foto's.
Van de verhalen die schrijvers vertellen over hun werkkamer en waarin ze toelichten waarom die werkkamer er zo uitziet als die eruitziet, krijg ik evenmin snel genoeg. Ik knap ervan op wanneer ik de nogal rommelige kamer zie van Claire Tomalin, de briljante biografe van onder anderen Samuel Pepys en Thomas Hardy; ik voel me gesterkt wanneer ik lees dat ze schrijft dat geen enkele biografie langs een bijzonder geordende weg tot stand komt. Ik houd überhaupt van rommelige werk- of schrijfkamers, vooral als de rommel het vermoeden oproept dat er zich daar ergens toch een of ander geheim systeem schuilhoudt. Een systeem dat uitsluitend kan worden aangebracht door het brein van de in die schijnbare chaos bivakkerende auteur.
Want, en dat is het belangrijkste, denk ik, bij al deze foto's van die kamers kan ik me de mensen voorstellen - die zelf overigens niet zijn afgebeeld - die ploeteren en zwoegen, die genieten en die uiteindelijk zegevierend de prachtigste dingen schrijven. Buiten die kamer kan ik me diezelfde schrijver nauwelijks voorstellen. Daar is hij niet echt, hoe fysiek hij ook aanwezig is. Hij is daar een vreemde, ook voor zichzelf. Je kunt je eigenlijk niet voorstellen dat deze persoon ooit een letter op papier zal krijgen. Dat maakt tv-programma's en boekenballen tot kostelijke gebeurtenissen. We zien de schrijver daar waar hij op zijn slechtst is, in het openbaar en met publiek, ver weg van zijn bureau.
Eén uitzondering heb ik in actie gezien. Dat was op een avond van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam in de jaren tachtig van de vorige eeuw in het hoofdstedelijke theater De Balie. Frans Kellendonk en Oek de Jong traden op. Die avond kwam ik voor Kellendonk. Keurig las hij, zonder noemenswaardige haperingen, zijn tekst voor. Maar eerlijk gezegd: wie ik meteen voor me zie als ik eraan terugdenk, is Oek de Jong. Die las zijn lezing hortend en stotend voor uit een notitieblok. Regelmatig sloeg hij bladzijden om: vooruit, achteruit, verder bladerend, weer terug. Het leek erop dat hij zijn lezing nog aan het zoeken was. Of laat ik het beter zeggen: het had er alle schijn van dat die lezing hier, ter plekke, ontstond op grond van enkele vage aantekeningen die hij verspreid in dat notitieblok had gemaakt. In zekere zin zaten we in de werkkamer van Oek de Jong. Het was een bijzonder geslaagde avond.
De afgelopen dagen is de werkkamer van Willem Brakman - de echte werkkamer, daar waar hij werkelijk zijn boeken zat te schrijven - verhuisd naar het Rijksmuseum Twenthe. Ik heb me afgevraagd of dat een goed idee was.
Ik heb Brakman niet gekend. Ik ben een enorme bewonderaar van zijn boeken, van zijn beeldende werk, van zijn optredens; want ik heb hem wel degelijk zien optreden en geïnterviewd zien worden, ik heb hem horen voorlezen, maar ik heb hem nooit echt zelf gesproken.
Toch meen ik dat ik Brakman, de schrijver Brakman in elk geval, beter ken dan anderen hem kennen. Misschien hebben anderen dat idee trouwens ook wel - echt goede schrijvers hebben dat, dat je ze op de een of andere manier werkelijk meent te kennen. Hoe dan ook, voor mij is Brakman een minder vreemde schrijver dan dat hij dat voor veel anderen is, want hij en ik delen dezelfde jeugd; we zijn beiden geboren in Den Haag. Er zitten enkele jaren tussen de periode dat Brakman er opgroeide en dat ik dat deed, maar dat verschil is marginaal. Het is óns Den Haag.
Dat gegeven, dat opgroeien in Den Haag, heeft een beslissende invloed gehad op onze manier van kijken. Ik wil niet zeggen dat ik dezelfde blik heb als hij, maar ik meen die van hem in elk geval wel te herkennen. Brakman betekent voor mij onder meer nestwarmte; Brakman betekent voor mij de terugkeer naar mijn kindertijd. Het decor, de stad, de duinen, de zee, de zon, het dorpse van Den Haag, het stedelijke, de paleizen, Scheveningen, klederdracht, standsverschil, de sublieme historische ervaring die Den Haag biedt, de duisternis van het Verversingskanaal, de Julianakerk, de Vijverberg - het is voor mij allemaal gesneden koek, temeer daar ik er niet meer woon - op een paradoxale manier wordt alles dan veel echter, veel nabijer. Hoewel de gebeurtenissen in zijn verhalen, novellen en romans niet zelden volledig uit de hand lopen, ben ik daar ook geweest waar Brakman is geweest en daarom kan ik bevestigen dat Brakman, zoals in een achterplattekst van een van zijn boeken te lezen is, een realist was.
Nogal wat mensen - en zij zijn nu gelukkig niet hier, want we zijn met Brakmanliefhebbers onder elkaar - vinden het allemaal maar onzin wat die Brakman schreef, onleesbare troep, na een zin of twee, drie haken ze al af, geef hun maar Kluun, Grunberg of Pascal Mercier; we worden door barbaren omringd.
Misschien zou ik over dit aspect van Brakman, zijn vermeende onbegrijpelijkheid, misschien beter kunnen zwijgen. Die veronderstelde onleesbaarheid, zijn beruchte ondoordringbaarheid, ja, de algehele weerzin die tegen de boeken van Brakman bestaat, die soms alleen al tegen het noemen van zijn naam bestaat, slaat meteen over op degene die zich er wél positief over uitlaat, en ik ben niet van plan me zomaar positief uit te laten over dit werk, nee, ik beken dat ik me er van tijd tot tijd volledig mee vereenzelvig. Het lezen van Brakman brengt je, brengt mij in elk geval, in een roesachtige toestand. Je komt terecht in een wereld waaruit je nooit meer weg wilt. Je loopt, je dwaalt in die wereld rond, op een gegeven moment herken je het landschap, het is Brakmanland, je herkent het en tegelijkertijd kijk je toch ook in een onbekend universum, in Brakmanland kun je altijd verrast worden.
Het is trouwens wonderlijk om te zien hoe je er komt, in Brakmanland. Soms gaat de reis per bus, zoals in de roman Inferno: 'Ochtendkriektours zoals gebruikelijk. De directie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor verlies van persoonlijke bezittingen, in welke vorm dan ook. De directie.' Je stapt in en je gaat op weg in de richting van de hemel en komt uiteindelijk in de hel uit. Of kom je toch bij God uit, helemaal aan het eind? 'De Here verdiepte zijn treurnis, Hij dronk champagne, daarna brandy zonder het verschil te merken of er iets van te zeggen.'
Dat is alvast een aantekening die we moeten maken in de marge van de kaart van Brakmanland: de wonderlijke misleidingen, de dwaalwegen, de sluiproutes en het altijd ergens anders aankomen dan je had verwacht, horen erbij.
Een andere keer wordt je hele afkomst in de pan gegooid en in enkele zinnen word je van je familie vervreemd. Dat gebeurt in Een vreemde stam heeft mij geroofd, maar de bestemming is hetzelfde, uiteindelijk arriveer je in Brakmanland, in dit geval bevindt zich dat in de door zo'n beetje de gehele Griekse mythologie bevolkte Noordzee. De ik-verteller laat zich prompt Jason noemen.
Weer een andere keer word je eenvoudigweg meegenomen naar onder de grond, ergens wordt een deur geopend, nu ja, achteraf is het niet zo gemakkelijk vast te stellen hoe het precies in zijn werk is gegaan, maar voor je er erg in hebt, loop je door onderaardse gangenstelsels en kom je lakeien en personen van adel tegen. Bovendien loop je iemand tegen het lijf die een toepasselijke pruik voor je maakt: 'Goed, daar is hij dan, uw perruque, van uw perruquier. Een haartooi van bescheiden omvang, de krullen terzijde ingekort en van achteren in een buidel opgenomen.'
Dat hele spektakel - inclusief pruikenmakerij - vindt plaats in De koning is dood. Het verdient trouwens aanbeveling om even naar de eerste zin van deze roman te kijken, die gaat zo: 'Dokter Van Heel woonde in een van de statige huizen aan de Korte Vijverberg, een begenadigd punt, vanwaar men een fraai uitzicht heeft op de Hofvijver, het zwaar beboste eilandje met lusthuysje en kapel en de hele achterkant van het Binnenhof, waarin dat zo voorname en afstandelijke torentje.'
Het woord lusthuysje, gespeld met een y, op het beeldscherm van de computer zie ik een rode kartellijn onder het woord verschijnen, is al met al direct een teken dat we op de goede weg zijn. Er is heel kort niets aan de hand, we zitten gewoon fijn in Den Haag, en dan gaat Brakman toch weer gek doen, hij spelt woorden ouderwets, of in elk geval quasi-ouderwets; de grote transformatie staat op het punt te beginnen, of is eigenlijk al begonnen; binnen één zin, de eerste van de roman, zitten we in Brakmanland, en dan komen straks die onderaardse gangen en verderop krijgen we een pruik aangemeten.
Er zitten nog twee kenmerkende Brakmanzaken in deze zin. De volgende. Het gebruik van het woord waarin is raar, dat kan zo niet, daar moet nog ergens een werkwoord bij; het moet iets zijn als 'waarin dat zo voorname en afstandelijke torentje…' ja, wat eigenlijk, nu ja, oprijst, zullen we maar zeggen (Freud, of in elk geval een eigenaardige variant ervan, is bij Brakman nooit ver weg). En dan hebben we verder die dokter Van Heel, die kennen we al een tijdje als we andere romans van Brakman hebben gelezen. Personages keren bij Brakman vaak terug, in allerlei gedaanten, er zitten enkele vaste types bij, maar het blijft opletten, al is het ook niet erg als je ze voor het eerst meent tegen te komen, want vrijwel alle personages kletsen je meteen de oren van je kop, maar dat doet dokter Van Heel nu even niet, want die is weg; voor zover we weten is hij dood, maar vast staat dat niet.
En zo gaan we op weg in deze roman van Brakman, De koning is dood; terwijl ik dit schrijf, ligt het boek voor me. Alles ademt erin Den Haag en dokter Van Heel is al de roman uitgewerkt voordat die goed en wel is begonnen.
In een roman van Brakman moet vrijwel altijd op ruwe wijze ruimte worden gemaakt voor de hoofdpersoon. De constructie zit soms zo in elkaar dat de hoofdpersoon net doet of hij een ander is, of zich geheel en al met een ander identificeert, of een ander op zo'n hinderlijke manier achtervolgt dat er voor die ander niets anders op zit dan de kuierlatten te nemen.
In De graaf van Den Haag is de heer Pop de heer Nop, of andersom; er komen valse snorren en (weer) pruiken aan te pas; Brakman zelf scheen ze, die Pop en die Nop, op een gegeven moment ook niet meer uit elkaar te kunnen houden.
Dokter Van Heel, dat is tenminste duidelijk, in déze roman in elk geval, De koning is dood, was dokter in Den Haag, huisarts op stand, en de ik-verteller neemt zijn praktijk over, hoe dat zit weten we niet precies, misschien is die Van Heel voor altijd weg, dood veronderstelden we al, evenzogoed kan hij in een ander boek gerust levend terugkeren, daar doet Brakman nooit moeilijk over, maar daar gaat hij, de ik-figuur, hij mietert die Van Heel en zijn nagedachtenis gewoon zijn huis en zijn praktijk uit; zo, dokter Van Heel is weg, de ik-figuur neemt de zaak over, laat de patiënten maar komen. En daar zit hij dan vervolgens, de roman is begonnen voordat je er erg in hebt, veel schot zit er vervolgens echter niet meer in.
Een nieuw hoofdstuk wordt door Brakman vanzelfsprekend niet genummerd, de lezer zoekt het maar uit, want gaan we de stukken nummeren, zo schijnt hij te denken, dan kan iedereen het volgen, daar beginnen we niet aan, het moet wel een beetje intiem blijven. Kortom, een nieuw ongenummerd hoofdstuk zet in, en dat gaat zo: 'De volgende avond zat ik weer in mijn praktijkruimte en wachtte, maar ik wist dat er niemand zou komen.' En we lezen verder, dat wil zeggen ik, ik ben inmiddels op bladzijde 52, en daar staat: 'Eindelijk kwam er dan toch een patiënt op het spreekuur, tenminste dat dacht ik.' Dat is verkeerd gedacht, natuurlijk, dat voel ik aan mijn water. Er komt geen patiënt. Er komt nooit meer een patiënt in dit krankzinnige boek. We gaan weer lekker dwalen in onderaardse gangen. Daar ligt een koning te sterven. Ja, we hebben wel wat beters te doen dan ons over oninteressante patiënten te buigen. En komen er uiteindelijk dan toch patiënten, want Brakman is niet echt een schrijver van de volledige stilstand, integendeel, zonder patiënten is er toch al wel van alles gebeurd, niet alleen in die onderaardse gangen, maar ook tijdens het spreekuur, zo heeft de ik-figuur in een van de kasten van dokter Van Heel allerlei geheimzinnige objecten ontdekt, maar ik dwaal af, wat ik wil zeggen, is dit: komen er toch patiënten, dan is het helemáál mis. Inmiddels ben ik beland op bladzijde 96, de ik-figuur meldt: 'Tot mijn matig genoegen zag ik dat de praktijk steeds beter ging lopen.'
Ik heb het een beetje gemist, maar blijkbaar zijn er toch al allerlei patiënten. Nu ja, er is slechts één remedie. Op bladzijde 158 begint een nieuw ongenummerd hoofdstuk als volgt: 'Uiteraard had ik een paar maal het avondspreekuur moeten verzuimen, om het ochtendspreekuur bekommerde ik mij niet meer, daar kwam eenvoudig niemand […].'
De ik-figuur laat de boel grondig in de soep draaien, vanzelfsprekend, hij heeft het veel te druk onder de grond, met die stervende koning, en dan is er ook nog dat embryo in de kast, want dat was een van die objecten die werden gevonden: 'De bak was aan alle kanten goed dicht gekit zodat het onmogelijk kon ontsnappen, iets dat me in mijn studietijd vaak was opgevallen en me steeds het gevoel gaf een lichte ademnood te hebben. Ook deze keer bekroop me dat gevoel, zodat ik even moest pauzeren voor ik de bak uit de kast tilde en op een tafeltje zette. Nergens vond ik een etiket dat iets onthulde: een familielid, een broer bijvoorbeeld of anders een zondige ingreep. Waarom het zo verborgen houden?' En een nieuwe verhaallijn kan zich al dan niet gaan ontwikkelen.
Eenvoudig gezegd: Brakman lezen is mede zo weergaloos omdat dat gedoe in de eerste verhaallaag, in die dokterspraktijk dus, al absurd is, maar dat is nog niets vergeleken bij de bonte avonturen die we in de tweede en de derde en misschien zelfs wel de vierde verhaallaag beleven.
Brakman is een schrijver van het verleden en zijn werk gaat ook over het verleden. Dat is al vanaf zijn debuut het geval. In Een winterreis probeert de hoofdpersoon het verleden tot leven te brengen door middel van het voeren van gesprekken met verwanten en vrienden van zijn stervende vader. Het is een van Brakmans minst 'gekke' boeken. Later creëert Brakman zélf als het ware een compleet nieuw verleden, in zijn steeds bedwelmender romans. Het meest getrouwe verleden is daarbij altijd het fantastische verleden.
'Daar de waarheid een verhalend karakter bezit, dat wel degelijk ook de leugen kan insluiten, begin ik met weloverwogen te vermelden dat het dorp waar ik woonde een prachtig dorp was,' luidt de eerste veelzeggende zin van de roman Leesclubje. Waarheid en leugen gaan hand in hand.
Zoals er wel meer in elkaar overloopt. Over de verwerking van jeugdboeken of van literatuur in het algemeen is al vaak iets opgemerkt. Daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld Don Quichot die in Een voortreffelijke ridder Brakmans geboortestad aandoet. De omslagen die Brakmans eigen schilderijen als uitgangspunt hebben, verhogen de sfeer. Het motto bij Een voortreffelijke ridder zegt eigenlijk ook al veel, zoniet alles. Brakman laat de dichter K.P. Kavafis aan het woord. Hij citeert dit: 'Nieuwe plaatsen zul je niet vinden, je zult geen andere zeeën vinden. / De stad zal met je mee gaan. Op dezelfde wegen / zul je rondgaan. En in dezelfde buurten word je ouder, / en in dezelfde huizen zul je vergrijzen. / Altijd zul je komen in deze stad.'
Brakmans proza is herinneringsproza, maar het is herinneringsproza van een zeer bijzonder soort. De herinneringen functioneren bij hem niet als iets wat verwijst naar vroeger, nee, ze zijn opgenomen in een soort eeuwig heden (of een eeuwig verleden), alle 'herinneringen' van Brakman samen vormen een fantastisch Brakmanland.
Sla je er eenmaal in aan het dwalen, in dit Brakmanland, dan is het moeilijk om de uitgang te vinden. De ik-figuur in De koning is dood lukt het. Maar dan treft hij een bordje aan met de volgende tekst: 'Gelieve bij het verlaten van het graf het licht uit te doen.' 'Een normale tekst,' vindt hij zelf, 'maar in mijn bijzondere gemoedstoestand was het alsof op de bijzondere rijkdom werd gewezen van de duisternis…' De roman is afgelopen, de uitgang is gevonden, maar alles lijkt opnieuw te kunnen beginnen met de exploratie van de duisternis. Er komt geen werkelijk einde aan. Gelukkig maar.
Toen Brakman in mei 2008 overleed, vroeg Het Parool me een necrologie te schrijven. Ik schreef in dat stuk naar waarheid dat het overlijden van Willem Brakman mij zeer aangreep. 'Hij is een van mijn lievelingsschrijvers,' schreef ik. 'Als ik even stop met schrijven en mij omdraai, zie ik zijn boeken achter mij. Ze vormen een flinke rij in de boekenkast. Brakman publiceerde ruim vijftig titels, ergens las ik zelfs dat het er tachtig zijn, hij publiceerde kortom véél. Zijn laatste roman kwam in 2006 uit. De titel vind ik al meteen erg sterk, die luidt Naar de zee, om het strand te zien. Het schijnt trouwens dat er nóg een roman van Brakman komt, of in elk geval dat hij met een nieuw boek bezig was.'
Of dat laatste klopt, weet ik niet precies. In míjn werkkamer denk ik in elk geval vaak aan Brakman. Kijk ik uit het raam, dan zie ik een plein in Amsterdam-Zuid, maar tegelijkertijd zie ik daar Brakmanland opdoemen, het land waar de hoofdstad Den Haag heet. Het uitzicht van Brakman vanuit zijn werkkamer heeft men vanzelfsprekend niet kunnen verplaatsen naar het Rijksmuseum Twenthe; zijn werkkamer wel. Ik ga er straks een kijkje nemen. Daar schreef hij dus al die meesterwerken. Het is ongetwijfeld een magische ruimte. En het raam met uitzicht verzin ik er wel bij. Want verzinnen is al met al de beste manier om het verleden te leren kennen.
xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright