wbrakman.nl

Nieuwe Haagsche Courant, 18 juli 1964

Gesprek met Willem Brakman

Tom van Deel

"Gaat u vast naar binnen mijn vrouw zal u wel verder wijzen." Zo begint mijn kennismaking met Willem Brakman, wonende aan een Enschedese singel en schrijver van vijf publicaties, vrijwel unaniem door de critici geprezen. De huiskamer waarin ik even later zit, is smaakvol ingericht. Op verschillende plaatsen boeken en veel planten. Het Zicht krijgt door het vele glas zijn kans. Vlak bij de deur hangen drie vergrote oude foto's achter museumglas, kennelijk van voorgeslacht. Veel schilderijen sieren de wand. Zijn vrouw was mij voorgegaan de kamer in. Zij ziet er erg jong uit. Er komt een meisje binnen van ik schat twaalf jaar, dat zich voorstelt met: "Ik ben Pauli Brakman." Later maak ik nog kennis met haar jongere broertje. Dan komt Brakman zelf binnen. Hij rookt een pijp, is gekleed in een slobberig blauw jasje en een dito grijze broek. Zijn bril heeft een erg donker montuur. Meteen steekt hij van wal.

"Wat een lawaai hier hŤ. Ja, ik kan er niet tegen. Ik heb al twee ramen en vensters achter elkaar laten maken om tenminste een fatsoenlijk gesprek mogelijk te maken. Als je b.v. in een CitroŽntje zit dan moet je niet denken dat je alles maar zeggen kunt. Je bent genoodzaakt je gesprek te beperken tot de meeste elementaire opmerkingen. Alle subtiliteiten zijn onmogelijk, ik zou zo'n houten wagen van gemeentewerken moeten hebben, met twee ruitjes erin, om rustig in te zitten. Ik heb gevraagd hoe duur ze zijn - 3000 gulden." Hij kijkt me scherp aan. "Dat is erg veel", zeg ik, "ongelooflijk."

We praten wat over zijn werk. Hij is bedrijfsarts van dertien fabrieken. "Als iemand rugklachten heeft aan mag hij natuurlijk niet zwaar tillen. Dat moet een bedrijfsarts uitmaken. Zo heeft zo iemand toch ook nog wel een zeker nut". Hij zegt dat allemaal heel snel en droog.

Herinneringen

Brakman is een veertiger. In 1922 werd hij in Den Haag geboren en hij is daar op school geweest. Na van alles gedaan te hebben, b.v. een machinistenschool doorlopen, is hij op latere leeftijd nog gaan studeren, medicijnen, in Leiden. Over de studententijd raakt hij niet uitgepraat. Dat is voor hem de mooiste tijd van zijn leven, hij zou weer willen studeren en dan heel lang. Hij is binnen de gestelde tijd afgestudeerd, maar hij moest wel. Hij praat wat door, onder het eten, over het allerbelangrijkste en heerlijkste van de studententijd: het discussiŽren met vrienden tot diep in de nacht.

Er komen plotseling veel herinneringen bij hem op. "Toen ik in die tijd van Vestdijk "De toekomst der religie" kocht voor negen gulden, ben ik gewoon van mezelf geschrokken. Ik vond het een onverantwoordelijke daad zoveel geld uit te geven - hoe iemand zoiets kon doen."

Als hij hoort dat ik uit Den Haag kom, wordt hij bestormd door gedachten. Hij zou graag weer naar het westen terug gaan. Vroeger had hij een praktijk in Den Haag, in de nieuwe wijken zoals Morgenstond. Maar hij hield geen tijd over voor zichzelf. Toen is hij naar Enschede gekomen. Hij neemt zich voor de eerstvolgende keer als hij in Den Haag is, een bij een oude kennis langs te rijden om te zien of deze nog leeft. Hij moet ineens denken aan de Sierkan. "Daar stonden altijd van die koele winkelmeisjes, als nonnen, madonna's. En witte tegeltjes aan de wand.

Kritiek

We krijgen het over de waardering voor zijn werk. Veel lovende kritiek. Soms plak ik er eentje in met 'hoera, hoera', wanneer het een slechte is". Hij is erg benieuwd naar de kritiek; vindt dat een schrijver schrijft en dat een criticus de schrijver behoort te vertellen wŠt hij geschreven heeft. En een goed criticus kan dat ook.

Eens heeft hij boeken verkocht op de boekenmarkt naast Godfried Bomans. "Ja ik schrok er wel van toen ze me naast hem bleken, gezet te hebben. Ze moesten bij hem de boeken steeds aandragen. Met z'n drieŽn waren ze bezig, Hij verkocht er geloof ik wel 300. En ik verkocht er op die dag 17. Toen was ik wel een beetje bedroefd hoor, ja..."

Brakman schrijft gedisciplineerd. Iedere dag werkt hij, of het nu goed of slecht gaat Hij vindt dat hij dat nodig heeft. In inspiratie gelooft hij niet. "Ik heb nooit begrepen hoe iemand jaren zwanger kan lopen van een boek". Hij kent zgn. gezellige uren van de dag. "Voor koffietijd 's morgens, dan begint de dag nog zo lekker - en 's-avonds natuurlijk, als het donker is". Als hij goed bezig is te schrijven, moet hij oppassen. Het werk wordt hem soms te autonoom onder zijn handen. De controle wil hij behouden. Dat wil niet zeggen dat hij steeds begrijpt wat de diepere betekenis is van een passage als b.v. die van Lazarus onder het Kruis in "De gehoorzame dode". Terwijl hij deze schrijft weet hij echter dat het zo moet.

Kamertje

"De omstandigheden spelen bij mijn schrijven een grote rol. Om rustig te kunnen werken heb ik boven een klein kamertje gemaakt. Ik zal het u even laten zien, dan kunt u zich een voorstelling maken van de omgeving waarin ik werk. Ik zou het tenminste altijd leuk vinden zoiets te zien." Hij gaat mij al pratend voor, twee trappen op. "Zijn kamertje -(aldus 'De opstandeling', blz. 15/16) "was een overschot boven in het huis tegen het puntdak aan. Het bezat een ingewikkelde zoldering, zo hoekig in- en uitspringend dat het een slaapverwekkende invloed had als Stein er van uit zijn bed naar keek en het vlakken- en balkenspel wilde begrijpen. De kamer had een nis waarin zich het enige raam bevond, een soort in het schuine dak gestoken kist dat wel een of andere bouwkundige naam zou hebben: guirlande, mansarde, puist, koekoek of wat dan ook, maar het paste precies om Stein en zijn tafel heen. Naar de kamer toe placht hij het hokje af te sluiten met een roze deken die hij aan haken ophing en wanneer hij dan nog het rolgordijntje voor het raam liet zakken, was het er zo stil dat hij zichzelf kon horen ademen."

Tekeningen

"Ga maar zitten," zegt hij en ik doe het. "Kijk, hier heb ik een zonnescherm, want de zon op je schrijftafel doodt de woorden." Ik kijk snel rond. Boven het tafeltje hangen kindertekeningen. Erop liggen filosofische werken van Husserl, Plato en Heidegger, enkele aantekenpapiertjes, benevens een bloknoot met keurig geschreven tekst. "En dan doe ik het gordijntje dicht", zegt hij, "en als het dan donker is", hoor ik hem zeggen, terwijl hij door de kamer loopt, "dan doe ik, wacht even, dit lichtje aan, zo, zie je wel hŤ?" Ik zit even volkomen alleen en voor niemand zichtbaar. Het gordijn is dichtgetrokken en hij staat daar achter. Hoe zou Du Perron zich gevoeld hebben, toen hij voor het eerst plaatsnam aan het bureau van Multatuli? Brakman schuift het gordijn opzij en ik sta op. Dat wil eerst nog slecht lukken. want veel ruimte is er niet, en hij blijft staan waar hij staat.

Hij blijkt alweer aan een nieuwe roman bezig te zijn en een bundel verhalen is persklaar, en zal eind dit jaar verschijnen. Brakman bouwt een groot oeuvre op. Het is ongelooflijk. In 1961 werd "Een Winterreis" uitgegeven. In datzelfde jaar "De weg naar huis", een bundel verhalen waarvan er twee al eerder, nog voor "De winterreis", in "De Gids" werden gedrukt. In 1962 volgde "Die ene mens", in 1963 "De opstandeling" en nog niet lang geleden zag zijn grootste roman "De gehoorzame dode", over Lazarus, de opgestane, het licht. Een verbazingwekkende productie dus, die menigeen wel weer zal verlokken tot een vergelijking met Vestdijk, een vriend van Brakman overigens. Een vergelijking die mijns inziens weinig verder gaat dan dat zij beiden medicijnen gestudeerd hebben. De ondertoon immers van het werk van Brakman, gevoelig en melancholiek, treft men bij Vestdijk niet (in die mate) aan.

Brakman zelf ziet die herhaaldelijk gestelde overeenkomst ook niet. Als ik een opmerking maak over de grote hoeveelheid Vestdijks in zijn kast, zegt hij dat hij er maar heel weinig van gelezen heeft. "Dus daar kan het niet aan liggen." Hij leest weinig of geen romans.

Nol Gregoor

We laten dit punt rusten. Brakman vertelt hoe hij tot schrijven is gekomen. "Met Nol Gregoor heb ik een paar jaar op kamers gewoond, hij is mijn beste vriend. Twintig jaar lang schreven we elkaar brieven, in een stijl alsof ze gepubliceerd zouden worden. We deden dat om ons zo spits mogelijk uit te drukken. Toen zei ik op een keer tegen Nol: "We kennen elkaar nu al zoveel jaren, maar ik heb steeds de indruk dat jij een bepaalde kant van mij nog niet kent." En ik besloot daarover een verhaal te schrijven voor hem. Ik had dus al een twintigjarige ervaring en zo ontstonden de verhalen van "De weg naar huis" die eigenlijk brieven zijn aan Nol Gregoor."

Hij beschouwt Nol Gregoor als de toplezer. Altijd schrijft Brakman voor die toplezer, voor Nol Gregoor of een andere. Hij gelooft niet dat zijn boeken voor iedereen zijn. Ze zijn voor mensen die als het ware intiem met hťm kunnen zijn. Die dezelfde gevoelens kennen of in staat zijn mee te voelen. Hij heeft niet te klagen over de verkoop, hoe slecht het ook op die boekenmarkt ging; van enkele boeken verscheen al een tweede druk.

Lazarus

Naar aanleiding van "De gehoorzame dode" zegt hij. "Lazarus heeft me al lang mateloos geboeid. In een paar boeken komt hij ook al ter sprake." Eerst wilde hij twee romans door elkaar schrijven, omdat Querido had gevraagd om een dik boek (!). De titel zou dan luiden "De gehoorzame dode", en het zou gaan over Lazarus en een Lazarus-figuur. Dat lukte niet erg en toen heeft hij het ene verhaal eerst geschreven - De opstandeling - en later het andere - De gehoorzame dode -. De titel "De opstandeling" had eigenlijk op dit laatste boek moeten slaan; hij is zich bewust dat het zo niet geheel juist is.

Brakman schrijft vanuit een beeld, zoals hij zelf zegt. "Het beeld van "De winterreis" was een meisje, mijn nichtje, een aardig kind, uit Zeeuws-Vlaanderen. Ik zie haar nog lopen, met een wit truitje aan." Hij wordt melancholiek.

Het beeld van "De gehoorzame dode" is Lazarus, verstopt achter het wonder. "Johannes haalde hem te voorschijn en doofde hem weer uit in een paar zinnen." "Een onvindbaar man dus, weggemoffeld achter twee zusters, ziek geworden, gestorvene, begraven en weer uit het graf getrokken, gehoorzaam als ijzer aan de magneet." ("De opstandeling", resp. blz. 17 en 20.)

Brakman is niet gelovig, "maar", zegt hij, "ik vind oriŽntatie noodzakelijk in het horizontale vlak - de verhouding tot de medemens - en in het verticale - de verhouding tot God of een proces waarin iedereen is opgenomen." Hij komt wel uit een gelovig gezin.

Voor het laatste boek heeft hij veel werk moeten verzetten. In de voorstudie was vooral de Talmud begrepen - "een heerlijk boek is dat" -.

Die ene mens

Ik hoef bijna niets te vragen - hij praat door. Het is moeilijk vast te stellen of hij dit doet om het me makkelijk te maken of omdat hij niet anders kan. Het laatste lijkt het meest aannemelijk. "Het gaat niet om een heleboel mensen, maar om die ťne mens. Het probleem van de communicatie, daar draaien eigenlijk al mijn boeken om. Ik kom steeds meer tot de conclusie dat het enorm moeilijk is bij de anderen te komen; dat ik het tenminste niet kan. En dan ben ik wel zo, dat ik dat erg rot vind."

We hebben steeds staande gepraat. Dan verhuizen we naar beneden, want er wacht hem een spreekuur in Goor. Beneden laat hij me een paar boeken zien van Beckett, die hij bewondert.

Omdat zijn vader ook aan tafel zat(hij stelde zich voor als: Brakman senior) ben ik benieuwd geworden, hoe hij Brakmans werk vindt. "Vader leest het nooit. Zelfs "De winterreis" heeft hij nooit gelezen. Tantes en ooms hebben hem er al zoveel vreselijks van verteld dat hij weigert er aan te beginnen." Of hij dit betreurt? "Nee. Hij zou er toch niets van begrijpen."

Ik neem afscheid. Hij zegt: "Moeilijk om daar een verhaal van te maken."

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright