wbrakman.nl

Toeristen

Willem Brakman

Om het terrasje hing de lichte onbeschoftheid van een goed lopende, zonnige vakantiemiddag niet al te ver buiten het topseizoen. Ze dreigde schemerig, half verscholen, maar toch al veelvormig in de vele toeristen op de wijde tegel- en asfaltvlakken om het restaurant, vol felle zonnevlekken, geparkeerde bussen en rijen vonkende, hete auto's,bewaakt door propvolle papierkorven. De filmploeg had zich daar parkeertechnisch afgezonderd middels een eigen, in het rond gebouwd wagenparkje, waarin enkele auto's met statieven en veel lampen her en der, leren koffers en tassen op de grond en ertussen wat verachtelijk starende jongelui die traag uit plastic bekertjes dronken. De meesten waren in witte broek. Ze dreigde in de kinderstemmen, in het slaan van portieren, het loerend verveeld ge~ slenter, in de veel te blauwe lucht, maar het duidelijkst was ze aanwezig op het terras waar schei en luidruchtig een zwerm Amerikanen was neergestreken, een vlucht kwetteraars, beweeglijk en kleurrijk als papegaaien.

Het was een overwegend zwarte groep: leren, clowneske petjes, kroezige, blauwzwarte baardjes en snorren om uitdagend flitsende tanden, getailleerde leren jacks snoerend nauwe pijpen om benen vol onrust en tikketakkende, orthopedisch hoge hakken.

Beurtelings wit en rood van ergernis draafde de ober-eigenaar heen en weer, nerveus als een insect getreiterd tot het uiterste. Onophoudelijk wisselden de yanks van tafeltje, kirrend, giechelend met archaÔsche keelgeluiden, zodat het snel aandravende bier en ijs, de cakeplakken en Kšsetorten opeens verbijsterd in de lucht kwamen te hangen. 'Wrong guy man... this is shit man... get lost man...' 'Gleich zahlen,' siste de bezwete eigenaar die overal tegelijk was, en groot geld wiegde tergend aan het eind van lange zwarte vingers tussen roze nagels. 'Hurry up man... got to go man...' Ook om het terras was het onweersachtig, maar toch zuiverden. Langs de kiosk met de onvermijdelijke wandelstokken, kaarten en zonnebrillen was de Kainzhof te zien, ook zonbevlekt maar met hardnekkig somber groen-grijs, ernaast wat paarden met biergele manen.

Het terrasje daar werd overwegend bevolkt door groen-witte autochtonen: op de tafeltjes de bierkroezen en de rode handen, eromheen de harde benen, de harde bovenlijven. De barokke pukkel van de kiosk nam een deel van het uitzicht weg.

Het weer was beurs en drukkend en onze reiziger achter zijn glas thee, helgeel schijfje citroen op de rand geprikt, laagje suiker veelbelovend op de bodem, voelde zich zwaar en humeurig aanwezig achter zijn giftig in het rond warende blik. Eerst maakte hij nog wat grove, overzichtelijke onderscheidingen, bijvoorbeeld tussen Bantoes die nog wel eens een enkele keer omhoog keken naar het kasteel, en hen die geheel in het horizontale gewroet en gegiechel waren opgegaan, tussen petjes ante- en jacks post-coÔtum, tussen kwakers die al naar het kasteel waren geweest en dezulken die er nog naartoe moesten. Later bouwde hij zijn broeierige onweersmiddagchaos op met boosaardige willekeur: vedetten en hun ondergeschikten in diverse rangen, echtheid of onechtheid in vrolijkheid en getreiter, gespeeld of niet gespeeld 'high' zijn ('You call this good shit?... just give the shit a chance man, don't rush this shit...'). Loom trachtte hij te onderscheiden tussen homofielen, homofieloÔden, latente en manifeste pseudo-homofieloÔden, en eindelijk was zij er ook weer. Opeens, als een Wagneriaans Leitmotiv, een niet al te vreemde associatie op een onweersmiddag in en om de zwanenburcht waar ze steeds weer opnieuw was opgedoken, koffiekleurig, met door het bewegen zwart fluwelen verdonkeringen aan gezicht, hals en armen, dan eens hier, dan weer daar.

Breedheupig was ze, maar met opvallende, lange, slanke hoogglansbenen, het lichaam gehuld in rode, glanzende zijde, het gezicht omvat door een brede dofzwarte kam haar. De kauwgumni in haar grote, beweeglijke mond flitste nu en dan op als een mes in het kroegduister maar het meest opvallend waren toch haar handen. Hij had ze moeten zien op de warme hellingen van de steile heuvel, horen ritselen in het struikgewas, zien tasten en strelen in de vertrekken van de koning. Zwiepende flappen obscene vleselijkheid, overdreven reclameroze, slap wapperend en zwaaiend aan de door de hitte ver van het lichaam gehouden armen.

Ze viel ook niet te ontlopen en toen hij wachtte in de gang van het kasteel tot er weer voldoende toeristen verzameld zouden zijn voor de volgende rondleiding, was ze er weer. Hij zag haar door de poort aankomen: een stralende rode vlek, die uit de schaduw gleed, maar verder zwarter dan ooit op dat blakerende binnenplein. Alles nog veraf, maar even later streek ze rozevleugelig neer op de bank, een paar plaatsen van hem vandaan. Het was koel in de gang, de tijd kroop, achter de pilaarvensters blikkerde het scherpe grijs van de bergen, achter het tourniquet schemerden de standaards vol Ludwigs, de stapels folders en boeken, en gloeiden de rekken met dia's. Naast hem worstelden de handen, ze sprongen zalmkleurig van schoot naar bank en weer terug, al wachtend noemde hij haar Isolde met de roze handen en hij dubde er een tijdje over wie ook weer Isolde met de witte handen was geweest: een alleen door die handen bestaande maar verder uiterst vaag gehouden troela waarmee de arme Tristan, ver weg in Bretagne, het een tijdje had moeten stellen, nagelbijtend van begeerte naar de enige, de echte, de ware Isolde, wit als die handen in Bretagne, maar dan overal.

De onvermijdelijke kinderen verschenen, die de galm uitprobeerden van de gang, en na enige tijd dook ook het korte boerenvrouwtje op dat hij bij de steile klim naar het kasteel had ingehaald. Snuivend en piepend herhaalde ze maniakaal de levensreddende bezwering: 'Es ist nicht hoch... es ist nicht hoch...' Al passerend had hij, zijn hoofd opeens vlak bij het hare, geglimlacht en gezegd: 'Doch, doch, das ist es... sehr sogar,' en was verder gelopen, diep doorbuigend in de knieŽn, met bonkend hart, ogenschijnlijk moeiteloos, maar ver boven zijn stand.

Sancta Bavaria, onverzettelijk stond ze daar in de koelte, het gnoomachtige gezichtje wit en vlekkerig. Hij glimlachte weer tegen haar, maar ze staarde agonaal dwars door hem heen.

Het was koel in de gang, bijna koud, en de negerin bleek, misschien wel daardoor, nu duidelijk bij een rasgenoot te horen: geel-bruin geblokt jasje, zwarte broek, zeer puntige bestoven lakschoenen. Hij leunde somber voorover op de knieŽn en staarde door de tegels tussen de lakschoenen in vlezige verten.

De rondgang werd aangekondigd door een elektrisch belletje en dicht op elkaar marcheerden ze dreunend door een lage, schemerige gang waar aan een kant onder een aantal bogen de duistere bediendenvertrekken waren te zien, sombere lichtloze holen, waarin vaag de contouren van geelhouten banken en britsen. Daarna kwamen ze in een hal vol pilaren en bogen met

Moorse motieven. De gids had hier bijzonder veel te vertellen, maar was onverstaanbaar door de dikke haag van toeristen, waarachter hij, gebarend naar zolder en muren, heen en weer liep. Vervolgens een trap, een gang, een zaal, een troonzaal, wandschilderingen. Toen de groep weer eens een keer stilstond, bekeek hij het rankende, bloemige motiefje dat vlak voor zijn neus op de muur was geschilderd, met niet al te vaste hand overigens, haastig, slordig of gewoon bibberig. Naar het mozaÔekje starend vond hij het kasteel opeens veel kleiner dan hij het zich had voorgesteld, ook veel kouder, en hij voelde de behoefte om nog meer te zien sterk afnemen.

Ze scharrelden en dromden door het werkvertrek waar hij stiekem wat achterbleef Zo kijkend bleef de blik eigenlijk nergens aan hangen, hij tolde maar wat rond over de lampen, gebeeldhouwde poten, pilaren, kandelabers tot hij toch nog tot rust kwam in de wandschildering links van de eens aan de overversierde tafel arbeidende koning. Daar zat de ridder Tannhšuser in zijn Venusberg, geleund tegen een blote Venus die goudgelokt met een lichte minachting op hem neerkeek. Met reden vermoedelijk, want ongevoelig voor al dat goddelijk bloot staarde de door lust vervoerde langs drie gratiŽn heen, die met sluiers nog wat trachtten te prikkelen, naar de verre horizon of naar de uitgang. De vrouwen waren allemaal aantrekkelijk golvend en wit, de grot was koel en stil met hier en daar een buitelend, overvet cupidootje, wat rozen en duiven, maar Tannhšuser, nobel beheerst in blauw en rood fluweel, deed onweerstaanbaar denken aan het bandje van een heel dure sigaar. Intrigerend was alleen dat de blijkbaar moe- en zatgeminde lange, scherpe en vermoedelijk gouden sporen droeg.

Toen hij opeens bemerkte dat hij alleen stond, haastte hij zich schuldig achter de groep aan door de slaapkamer en stond daar plotseling stil. Onbeweeglijk staande hoorde hij in de verte de stemmen kleiner en kleiner worden en even later bevond hij zich alleen in het slaapvertrek van de koning. Een late gast. Door de ramen zag hij het van daaruit wat zachtere roze-grijs van de bergwand, in de diepte ruiste de Pollšt en tot het uiterste waakzaam voor iedere voetstap zette hij zich schuldbewust op de rand van het bed en streek met de hand over het zilverbestikte blauw van het beddek.

Het was een verrassend hard en weerbarstig bed, al bijna een eeuw niet beslapen, en het geurde licht naar aardappelen en wierook. Boven zijn hoofd drukte de donkere, onoverzichtelijke wirwar van houtsnijwerk, alleen aan de rand wat uitstralend in kunstig gesneden boogjes, grijs stof in de naden. Onder de rand door van het hemelbed aan de rechterbovenkant van de buitenmuur reikte Isolde Tristan de drinkhoorn maar het was weer dezelfde Tannhšuser, even overgewipt uit de werkkamer.

Doodmoe en uitgeblust waren die wandschilderingen, niemand zag daar ook nog maar ergens een reden voor de volgende stap. IJl dun, zonder graat of bot leek alles op alles, leunde slapjes tegen elkaar, ontkracht, veraf ruisend. De blik bleef dwalen, werd nergens tegengehouden, verrast of opgeschrikt en in het hoofd werd het dun en mistig. Zijn hand wreef bedachtzaam over de beddensprei plukte wat aan de zilvergestikte zwaantjes, kroontjes en Franse leliŽn en wreef en morrelde zich zo een stil treurende en zich eindeloos vervelende koning bij elkaar, die zacht fluitend rondging, voor het raam geeuwde, teenwipte en het ook niet meer wist. Een wat bolwangige reus met brillantinekapsel, grote verwende ogen en een lichtbehaarde, weke mond. Een verlate middeleeuwer, ook een soort toerist, alleen achtergelaten door zijn groep, angstig luisterend naar het geklos van de volgende, op zijn bed van koningsblauw, in zijn kamer van lapis lazuli, frunnikend aan zwaan en kroon en zo ijl in het hoofd door de wandschilderingen dat hij tenslotte maar gek werd verklaard. Hij voelde een groot en behaaglijk medelijden in zich opstijgen, een medelijden dat zijn tevredenheid putte uit de wat doezelige mogelijkheid dat hij, hoewel een eeuw te laat, daarom toch niet minder een troost was voor de ontredderde en geschrokken koning, zoals ook de blauw-zilveren Ludwig daar op datzelfde moment ruisend en grijs aanwezig was in de slaapkamer. Hij kon het zich niet goed voorstellen, maar het had iets te maken met gebarsten zuilen waarover de schaduwen van wolken gleden, een beeld waarin vermoeide voeten en de troost der eeuwen meetrilden. Hij voelde zich ook moe, maar achterover liggen op het bed lag al te zeer voor de hand, dat zou de toch al fragiele verstandhouding zeker verstoren.

Moeizaam stond hij op en slofte de meute achterna, terwijl het hem vaag verbaasde dat hij het gedreun van de volgende groep nog niet had gehoord. Door de onverwachte koelte van een kunstmatig grotje, wat lege gangen en trappen, over de mozaÔekvloer vol vogels en bloemen van een toch nog even indrukwekkende troonzaal, zocht hij naar de uitgang. Hij oriŽnteerde zich op de binnenplaats, wierp nu en dan een blik door het venster om te zien waar hij uithing en zo stootte hij onverwacht op een wonderlijk tafereel. In de omlijsting van een boogvenster stond de in het zwart geklede bovenhelft van de koning van Beieren, een soort gemiddelde was het van alle bekende kaarten, boekomslagen en foto's: de bekende Schotse hoed, de fluwelen kraag en revers, het bleekbolle gezicht, de zacht omdonsde mond en de gemaniŽreerde, hautain over alles wegstarende blik.

Schoksgewijs verdween de romp in het kozijn, waarbij het hoofd star en feodaal in dezelfde stand werd gehouden. Terwijl hij zich naar het diepe venster overboog, voelde hij nog in dezelfde schrik hoezeer hij verlangde dat het ook werkelijk een visioen zou zijn, een scheur in het vlies van de tijd, een toeristenwensdroom, tussen de veel te velen die ene te zijn die zien mocht, een uitverkorene.

Maar het vooroverbuigen was al een te scheppende act, het door boogjes en pilaren omlijste fragmentje werd vermenigvuldigd tot een heel slotplein, een blikkerende, dichtbevolkte vlakte, een tragische, zwarte koets in het midden, met glanzend dak en vier paarden. De sombere monarch daalde af met mechanische tred, geflankeerd door twee grijzende ouderlingen. Eťn ervan, kalend in de zonneschijn, hield een eerbiedige maar dwingende hand aan de koninklijke elleboog, hem echter nauwelijks aanrakend. Het portier van de koets werd wijd opengeklapt door een hemelsblauwe lakei, de zon flitste even in het glas, waarna de vorst nog even bleek om zich heen keek voor hij in het zwarte gat van het rijtuig verdween. Over de knapen in jeans heen had hij gekeken, over de mannen met de kronkelende kabels, de spiegels, de camera's. Naar de verre koele bergen had hij gekeken, een hand besluiteloos in de lucht.

'Valeroso... valeroso...'

De metalen telefoonstem sprak niet alleen vanuit de hemel boven de bergen maar ook vanuit de schaduw bij de poort, uit een sportwagen waarop een dikke man zat in een gebloemd, roze overhemd, met zijn achterwerk op de regenkap, zijn voeten op de leuning van de achterbank. Zijn buik bolde ver over de broekriem en twee mollige handjes masseerden onophoudelijk zijn duidelijk zichtbare borstjes. Zijn gezicht was droevig, groot en vlezig, een Romeins hoofd met grote, glanzende Goethe-ogen, het dunne, zwarte haar krulde in vettige lokjes. Een schandknaap hield hem de megafoon voor de mond alsof zijn woorden als kostbaarheden moesten worden opgevangen.

Veel uitwerking had de stem overigens niet, de besluiteloosheid in de koets werd er niet door verminderd, de blik dwaalde traag over het slot. Het gezicht, beslopen door camera's, rond en zacht als een ei, rolde tegen de linkerschouder en kwam daar tot stilstand.

'Confuso... ma nobile...' riep de vette tors licht wiegend en zich bewrijvend, 'nobile... ma umano...'

Het portier ging weer open, de koning boog zich naar buiten naar de lakei, de hoeden vonden elkaar, de Schotse en de driekante donkerblauwe met zilveren rand.

'No, no, no! Cara omino... ancora una volta...' Het klonk elektronisch, maar toch smekend. De koning stapte uit, drie zwartgeklede heren liepen de trap weer op met ruggen vol tegenzin en daalden weer af, een hand ging naar de elleboog, het portier open, de zon flitste.

'Reale... reale...' kraaide de man op de sportwagen en zijn blote armen bewogen traag in extatische, wulpse kringen. Het portier klapte dicht en omlijstte een bleek gezicht achter glas.

'Stupendo ... !' De koets zette zich in beweging, reed op de poort toe waar de adipeuse regisseur als overweldigd door verrukking de armen wijd uitbreidde. 'Belezza superiore...' riep hij tegen de onaandoenlijke calŤche, 'incolpibile...' Het rijtuig ging schuddend de schaduw binnen, draaide uit het gezicht en liet het plein opeens vreemd leeg achter, ondanks de kronkelende kabels en de rommelige knapen die erbij hoorden. Chaos. Lakeien wierpen hun steek op de grond, knoopten de livrei los en liepen als cowboys. Op een camera hing een pruik. 'Mia insogna...' riep de regisseur met metalen klaagstem. 'Mia insogna...' Waarna ook de megafoon in de rekwisietenwagen werd opgeborgen.

In de poort en op het plein verschenen de toeristen weer, ze waren er opeens overal: zittend op de trappen, rijen hoofden over de muur om in de afgrond te kijken, reeksen schuifelaars, hand-in-hand-slenteraars, ronddraaiers en hurkende roedels aan de slotmuur, het gelaat devoot naar de zon. Alweer uren waren ze er en niemand kon zich herinneren dat ze er ooit niet waren. Ook het kasteel leefde op: gedraaf, een kindergalm, een roepstem. Hij vond de gang naar buiten, de eerste toeristen zaten alweer te wachten op de banken.

Buiten de poort bekeek bij aan een stalletje de ansichten: het verwende koppetje in hoogglans, de overdreven weelderige en donkere haardos, en hij dacht, vermoedelijk door het slaapkamerblauwe uniform, terug aan het orgelpunt van de kasteelruimte, het slaapvertrek met zijn stilte om het bed, het stroeve zilveren stiksel en zijn troostende fantomen op zoek naar de koning. Hij kocht de brochure Ludwig II, KŲnig von Bayern en een bergstok en hij daalde af over de historische weg Hohenschwangau naar het kasteel. Beneden sloeg hij rechtsaf, hij liep langs de Kainzhof en koos zich met zorg een tafeltje zo ver mogelijk buiten het gewoel der Amerikanen die schijtlollig bezig waren met stuivertje wisselen onder het uitstoten van de oerlach, onder geroep en onder geschuif van stoelen. Het weer was drukkend, maar terwijl zijn ogen naar het licht knipperden dat korrelig en ijl boven de tafeltjes hing, herinnerde hij zich de lucht boven de bergen als felblauw.

De stemmen klonken dan eens hel op, dan weer dun en ver uit elkaar, zilveren punten in de ruimte van zijn vermoeid hoofd. Hij hoorde de lepeltjes in de glazen, het tinkelen van munten, streepjes muziek uit verre transistors en ook de sidderende zonnevlekken op het asfalt, een toestand van halfslaap waarin de fantasiebeelden jacht op elkaar gaan maken. Heel ver in de diepte klonk even het gegrom van onweer, een licht maar dreigend beroeren van het strak gespannen paukenvel achter de bergen. Steeds waren er geluiden die hem nog net beletten weg te glijden in zijn ouwemannetjesdommel: het houten geklepper van stoelen, een lach, de bazuinstoot van een claxon.

Het was het eind van de middag, de brug was van dof hout, ernaast waren planten te zien diep in het water, stijf, metaalgroen. Leren mannen, scherpe geluiden van geweren, een zoldering was laag en drukkend, het water zwart en het licht erboven als een fijne zilveren penseelstreek. Maanlicht, de kleur van grijs zilver waarin langhalzige silhouetten die uit de witte holte spiraalden in duizeligmakende kringen. In grote bogen kwamen de maanvogels uit het zwanenlicht, de vleugels floten en gonsden in de lucht. Rood en zwart plopten de kogels in het glinsterende dons waaruit ogenblikkelijk palmroze de inhoud naar voren puilde, blaasachtig glanzend in de scherende vlucht. Tinkelend en kakelend viel de maan uiteen in veren, vleugels bloed en halzen, de maan werd gedood, de maan viel uit elkaar, grijs licht knapte, brak en scheurde en in het midden van dit alles stond de koning: fotozwart, de hoed met diamant op de gefriseerde lokken, de rechterhand onder de linkerrevers, het gezicht bleek en ernstig. Hij stond tot iets onder het middel in het water. Wie stond er nou tot iets onder het middel in het water, een hand onder de revers, hoed op het hoofd, het gezicht bleek en ernstig? Maar Ludwig gaf het antwoord: 'Die kalten Fluten des Alpsees ziehen mich an...' 'Fluten?' dacht hij oogknipperend, of. 'Tiefen?...'

Traag rolde de donder over de witte tafeltjes. Nog met een hoofd vol neersneeuwende zwanen keek hij naar de grote, roze handpalmen aan het tafeltje naast hem, die onvermijdelijke attributen van de middag. De knaap met het rode, leren petje had voor zich op tafel een stapeltje blauwe ansichten, die hij lusteloos zat te beschrijven. Het was even stil, maar de lach rommelde en loerde aan tafel en boven de bergen. 'Yessir...' Over het grind kwam hij al aanstappen, geel overhemd, blauwe broek, petje omgedraaid op het hoofd, opvallend vreemd waggelend en achteroverhellend, een roze-nagelige Napoleonhand op de borst. Opvallend buigzaam, overdreven slungelig in de knieŽn, het grind spattend onder de hoge hakken, verzamelde hij de aandacht die hij nodig had. Zijn ogen hadden de glans van eigeel en licht oranje, in de omkroesde sterk naar voren springende mond flitsten goud en tanden, sterk gelede vingers wreven om en over die mond die feilloos op het juiste moment een zeer evocatieve paardenhinnik produceerde. Daarna verweefde hij koning en lakei met elkaar, knikte, boog, strekte potsierlijk de rug, deed zwierig en keelkrakend een portier open en sloeg het dof en fataal weer dicht.

Al die tijd slingerde een bijfiguur op een pas afstand overdreven aan een denkbeeldige filmcamera. Instinct deed het gelach op tijd verstommen. Een lijzige, hese stem, een stem die een even denkbeeldige, maar niet minder aanwezige tegenstander uitjouwde:
'Spoke the mad king, ah am what ah am,
For women ah don't give ah damn,
What ah like best,
With Wagnerian zest,
Is being sucked off by ah man...!'

De lach, eindelijk vrij, scheurde over de tafel, verduisterde de lucht, versomberde de Kainzhof nog meer, de pijnbomen op de bergen werden zwart en de toren van het kasteel sidderde en blikkerde in het grijze licht. Groot en gruwelijk is de kracht van zalmkleurige huig en handpalmen. Diep in het verleden schrok iemand op en zag met verdrietige rug hoe boven het zwarte water de laatste zwanen uit de lucht werden geschud. Hij stond op, stijf en moe in de benen, en begon de veelbeproefde kelner op te zoeken. De man stond in de lichte tocht op een hoek verschrikkelijk te zweten en uit te dampen. Hij rekende af en zei, terugdenkend aan het vorstelijk dťdain waarmee de droom grote stukken tijd had overgeslagen: 'Das haben die da oben falsch gemacht, der KŲnig wurde nicht am Tage festgenommen.' De kelner, door alle wateren gewassen, was niet minder vorstelijk. Met een vaag routinegebaar deed bij alsof hij wilde teruggeven en toen dit niet hoefde, sprak hij belonend: 'Joa, der Kini woar oa Nachtmensch...' Het klonk troostend, zette de koning even werkelijk neer daar op het grind, maar liet hem weer sterven bij het knippen van zijn grote leren portemonnee.

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright