wbrakman.nl

Ter gelegenheid van een nieuwe editie van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust, liet uitgeverij De Bezige Bij een boekje verschijnen waarin een aantal auteurs, critici en journalisten hun leeservaringen met Proust beschrijven.
(Een liefde voor Proust. Op zoek naar de verloren tijd in 22 leeservaringen, Amsterdam 2002. De bijdrage van Brakman is te vinden op de bladzijden 33-36)

Proust en de melancholie.

Iedereen die in Proust geinteresseerd is, kent de foto waar hij is gezeten in een chaise longue, het hoofd ondersteunend en met een gelaatsuitdrukking die Cocteau een keer prachtig heeft beschreven. Een enkele keer, zegt hij, kon op de een of andere feestelijke bijeenkomst, diep in de nacht en tot ieders verbazing Proust verschijnen. Gehuld in een bontjas begon deze dan direct te praten, even boeiend als eindeloos want, zo zegt Cocteau, te moe om met dat praten op te houden. Daar hoort zonder meer het gezicht bij van de chaise longue: gesluierd, verzonken, niet gelukkig en moe.

Wie Proust zegt, zegt herinneren, dat is zo langzamerhand zoiets geworden als een bevel. Nu is herinneren de strijd tegen de tijd, dus een allesbehalve passieve toestand, en zo is het verleidelijk eens een andere benadering te vinden voor het fenomeen Proust, bijvoorbeeld Proust en de verveling, of Proust en de melancholie.

Aan het begin van het werk van Proust ligt het trauma van de belofte en de zekerheid van de nachtzoen die niet wordt ingelost. Hier niet de bijzonderheid van een verdrietig incident maar ervaren als de onverbiddelijkheid van een voortaan geldende algemene regel. Na de troostende intimiteit van de nachtkus de nacht die alleen moet worden overwonnen. Dit is voor de jonge Proust een haast kosmische gebeurtenis die hij als zo vaak veelvormig herhaalt, bijvoorbeeld op een vakantie aan de Normandische kust waar zijn kamer en die van zijn grootmoeder in elkaars verlengde liggen, de hoofden vlak bij elkaar. Het naar bed gaan is voor Proust een nachtmerrie: alleen, tussen vreemd geworden dingen in een door het donker worden steeds kleiner wordend vertrek, stijgt zijn angst tot in het onverdraaglijke. Maar net op het punt dat hij zal gaan gillen hoort hij vlak bij zijn hoofd een zacht en troostend geklop. Dat doorbreekt de angstaanval en dat geheel op de hoogte zijn van de grootmoeder, het meemaken van hetzelfde, dat kan alleen de liefde, zegt Proust.

Ietwat gewild spiegelt zich hier het een in het ander, en door er nog de nacht aan toe te voegen zitten wij al midden in de romantiek, de zwarte spiegel. Wie deze spiegel in de hand houdt ziet de wereld en het eigen gezicht in de vale kleur van de dood. De acherontische stilte van de zwarte spiegel is de treurnis van het verlies zoals na de geluiden uit de tuin, de conversatie, het zo bekende rinkelen van 't servies, ten slotte het belletje, la petite sonnette, het vertrek van Swann aankondigt. Maar nog wordt de kus niet ingelost, na de zo koel geregisseerde kwetsuur, de verstoting en het verraad.

Er bestaat een klinische melancholie waar medicijnen op kunnen inwerken, er is zelfs een melancholie die in staat is ons momenten van groot geluk te schenken, maar er is er ook een die ons overal vergezeld en ons geen moment alleen laat. Niets kan ons helpen om van deze duistere tegenwoordigheid los te komen, het is het oog in oog met ons zelf. In de typologie van de melancholie komt inderdaad zoiets voor, maar dan onder de naam querulerende melancholie, de jammer-melancholie en de mokkende depressie. De filosoof en psychiater Jaspers laat uit deze deviaties allerlei wanen ontstaan en het ongeloof dat dit ook bij Proust het geval zou kunnen zijn, geeft precies de plaats aan waar zijn melancholie thuishoort, en wel in die regio waar de ziektes huizen die men nog tot de gezondheid rekenen kan.

Zo is de moederliefde bij Proust even ziekelijk als volmaakt, maar krijgt toch nog een flinke deuk te verwerken als zijn moeder werkelijk sterft. Het is verwonderlijk dat Proust zelf zo weinig wil vermelden over haar sterven, op zijn minst zou men hier de ondergang van de kosmos verwachten, maar niets van dat al. Wel beschrijft Proust het sterven van zijn grootmoeder, maar zo klinisch dat het soms wankelt op de rand van het onsmakelijke. Dat spiegelen van de ene liefdessmart in de andere is als het nu en dan vonken van een smeulende laag in de diepte.

Wraak? Dat is ook maar een woord en te plat, maar Proust was een verlieskundige, een herinneraar en aan het herinneren komt geen eind en daarin is weer veel melancholie. Vervelen deed hij zich niet, eigenlijk was hij de enige in de hogere kringen die zich niet verveelde. Zijn tijd verveelde zich, zozeer zelfs dat het kenmerk van die gesloten gemeenschap de verveling was, "de ennui". Toch viel Proust hier niet geheel buiten, daar hij een diabolische formule had bedacht die aan zijn wil tot lijden tegemoet kwam, en wel dat de afwezigheid van de geliefde de liefde deed opbloeien en de aanwezigheid de vonk deed doven.

Waar deelt men nu een figuur als Proust bij in? Nergens, hij was een unicum!

Willem Brakman

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright