wbrakman.nl

Brakman in citaten

Wim Noordhoek

Wim Noordhoek opende de tentoonstelling van Markus in de Zeeuws Bibliotheek in Middelburg met de volgende toespraak.

Voor deze gelegenheid heb ik wat ervaring met het lezen van boeken van Willem Brakman genoteerd.

Maar eerst dit. De schrijver, die in juni 83 is geworden, heeft niet lang geleden bij een val van zijn fiets zijn heup gebroken. Eigenlijk zou hij dit najaar zijn laatste roman verschijnen, maar door die val en de gevolgen ervan is hij toch weer aan het schrijven geslagen. Ik denk dat hij viel omdat hij niet meer schreef. Eerst brieven. Zo schreef hij me hoe hij lag aan infusen en beademing. Zijn uitzicht was beperkt. Een rommelig stuk stad strekte zich uit. Hij probeerde zijn ongevraagde raamuitsnede terug te brengen tot twee dimensies. Citaat:

'Het is flets en flauw, maar in gedachten projecteer ik alles in een vlak. Plotseling wordt het dan soms boeiend.'

Daar lag hij dus, opgescheept met een uitzicht.

Ik citeer verder uit die brief:

'Op een heel hoog dak staat een oud autootje dat Herman Brood achterna gaat. Een wat verzakt huisje lijkt op het hoofd van Clint Eastwood, compleet met achterhoofd. Ik ontwaar een groepje palen. Links twee, rechts drie, maar dan zo dat de figuren links zich keren tegen die rechts. En met rechte rug. Met de woorden meneer u is een ui! Ik zie olifanten, slakken. De Duitse keizer.' 'En over alles hangt de doem dat de televisie wordt afgezet. Een ziekenhuis reduceert iemand tot nul.'

Maar inmiddels gaat het hem goed. Zijn kruk wordt weldra een wandelstok, zei hij vanmiddag dor de telefoon. Hij stelt er prijs op u te laten weten dat hij het werk van Markus gezien heeft. Dat werk treft het zijn heel goed, vindt hij. Hij laat u groeten.

Nu de leeservaringen.

Willem Brakman is een Scott, een Amundsen, een Thor Heyerdahl of Abel Tasman, die de witte plekken op de kaart van de geest ont-dekt. Kaap Brakman bestaat.

Voor me ligt een boek dat begint met de regel:

'Ik (wiens naam ik maar niet noemen zal) ben lichtelijk misvormd, dat is weliswaar niet te zien maar het is nu eenmaal zo. Ik ben de enige die het weet, wat ook een vorm van eenzaamheid is...'.

Zo, met de introductie van de bedreigde diersoort 'ik', begint 'Nazomer'.

Mij lijkt dat Brakman in dit boek een kern nadert die bestaat uit een huis, het wonen en de omgang met bewoners en personages die 'over huis' komen. Dit alles in verten van meervoudigheid.

Ja ik wist:

'dat er tussen de dagen van de week dieper afgronden gapen'. Niet ver van daar moet een geheime toegang zijn. Want:

'als je op de juiste plek gaat staan, je zelf als het ware er tegenaan drukt dan kun je stappen horen aan de andere kant'.

Willem Brakman maakt van zijn lezer een ontdekkingsreiziger in eigen hoofd. Een paar regels nog uit 'Nazomer'.

'Wij schrijden vooruit door wat nog geen taal is.'

'Ik heb u dikwijls opgemerkt, zei ze, met een accent van goeden huize, een soort fonetisch loensen dat heel prikkelend werkt.' 'Richt het zo in dat alles daar gebeurt waar het toeval heerst (...) Laat je dragen, geen avontuur wil iets weten van doel of inzet. Hoed u voor het willen.' (En tot slot het recept van de dokter, dokter Brakman): 'Laat die je dan een zomernacht voorschrijven, zo een waarin de oehoe roept, wijndronken stemmen klinken, het fluisteren van minnenden. Als het kan met weerlichten aan de horizon...'

En laatst zei hij nog door de telefoon: 'Ik kan me niet voorstellen dat iemand iets niet begrijpt.' Dit bij wijze van introductie.

'Aan het eind moet blijken of het boek in de schrijver gelooft.' Dat zegt Brakman in z'n roman 'De afwijzing'. Waarbij ik als een brevierende monnik prevel 'een goed boek weet meer dan de schrijver', wat tegelijk een geruststelling en een bron van grote onrust is. Woorden zijn als muggen. De traagste worden bloedvlekken tegen het plafond, onder je opgerolde krant. Maar midden in de nacht hoor je toch weer gezoem. En dan eruit! Dat zijn de ongrijpbaren. Er achterheen.

Brakman. Dat is: de blik achter de dingen, de waarneming tussen de gebeurtenissen en het zicht op de samenhang van het vluchtige maar essentile, het fludum dat de wereld samenhoudt. Laat dit ieder die: 'een goed in de hand liggend geheim' naar waarde weet te schatten', gezegd zijn. Want: 'er is onheil op de wind, en dat is altijd verheugend: gruwzame domheid, overvolle musea, lege eensgezindheid, schaamteloze bewondering her en der. Er is overvloed, de geile lokroep van sier, praal en het actuele. Somnambule pleinen vol lichtjeswaaiers.' Alles spreekt, en als steeds bij Brakman, met vele monden: 'Heb ik u al van mijn moeder verteld? Haar moederlijke buik rees en daalde in flanel gelijk de zee. Zij noemde dat nadenken.'

Zo zet de schrijver de wereld, die hij eerst zorgvuldig demonteerde, weer in elkaar. Soms staat hij zijn hoofdfiguur, de politieman Lupijn, wat genoemd wordt 'een leegte' toe, bijvoorbeeld in de bocht van de trap naar een zolder 'in een grijs, ijzig licht'. Want 'ieder huis dat die naam verdraagt weet daarvan'.

Wanneer een zin gaat als volgt: 'De weg erheen was lang, daar ik zeer vermoeid was'. Of: 'Sla uw kinderen zonder dat zij iets hebben misdaan opdat zij tijdig de onverdiende straf herkennen.' Dan weet ik me terecht.

Het verhaal is bij dit alles rudiment, alleen flonkering blijft over. Een walvis draagt in zijn binnenste resten mee van pootjes, maar zijn bestemming is zwemmen. En dan zijn er die de walvis verwijten dat hij niet loopt! Zie het zeeschuim spatten in de zon.

Maar wat me blijft achtervolgen: in zijn boek 'Gesprekken in huizen' aan zee verwijst Brakman naar een fictieve roman van hemzelf die 'De afhangende hand' zou heten. Ik zag hem meteen, die hand. Het schijnbaar dadenloze van een pols, ongedwongen over de leuning van een fauteuil neergelegd, waaruit al snel het spel volgt van - noodgedwongen - mee afhangende vingers. Vingers zijn rusteloos. Voor je het weet maken ze speelse, kleine gebaartjes, plukken ze - schijnbaar in gedachten, schijnbaar verstrooid - aan iets, of iemand. Iets of iemand in de verbeelding van de hand. Ach, verkeerde ik n kamer met die afhangende hand.

Dan de roman 'De gifmenger'. Zo'n titel, en dan het huishoudelijke schrijven, met woorden als onderzettertjes, vingerkommetjes, messenleggers en let op, druppels, uit een flesje. Leven is huishouden. Ook een geestelijk hebben en houden moet met natte lapjes worden afgenomen. Waar mensen wonen wordt aanhoudend geknoeid en gemorst en stof onder het tapijt geveegd. Geuren en geluiden houden niet op vingerwijzingen uit te delen. Huisraad, onraad. Wonen? Wat is dat? Wat doet een man binnenshuis? Hij verbergt zijn bedoelingen, loopt op zijn tenen en sluit onhoorbaar deuren. Nachtland, zegt Willem Brakman. Dit is een innerlijke topografie.

Wie weet nog van thuis zijn, van stil staan luisteren, terwijl het bloed uit je hersens wegzakt? Een huis is een mens is een huis. Natuurlijk hebben muren oren. Zo verkeer ik zelf al levenslang tussen de dingen, en nu kom ik als lezer een levende ziel tegen. Wat ligt, voor wie een huis bewoont, eigenlijk het meest voor de hand? Ik denk ziek worden. De huisziekte krijgen. Met een mond die kleppert als een brievenbus.

Kijk, daar staat er eentje voor zijn eigen deur maar ziet de ingang niet. Dat geeft vertrouwen. Over schrijven gaat dit boek: 'schrijven, het heilige in de alledag'.

Brakmans laatste roman: J'accuse is weer zo'n boek om het vroege donker te vullen met warm gefluister. Een dwaalwandeling door eigen brein, vol vergezichten in blikkerlicht, afgewisseld met nevelgebieden vol klamme slierten waarin alles kan. Was ik Erwin Kroll, ik zou de lezer zeggen 'houdt u daar rekening mee'. Brakman komt achter de dingen, daar waar de vermoedens wonen. En, dit is bovenal een boek van strijd. Van stilte, schaamte en nederlaag voert het naar inzichten, het opstaan in taal. Brakman legt de wereld uiteen en monteert hem weer tot hij waarachtig werkt. Daarbij lachend in zijn slaap. Hij is de Houdini van de Nederlandse letteren, hij worstelt en ontzwemt altijd. Wie beweert dat ie zout op zijn staart heeft gelegd liegt.

Tenslotte iets uit 'De sloop der dingen': 'Al enige tijd had ik last van mijn rechter grote teen; ik wist als gewezen zo niet fossiele arts dat men op moet passen met alle uiteinden van het lichaam, daar deze ertoe neigen af te vallen.'

Lezen maakt weinig geluid. Soms kraakt de stoel bij het gaan verzitten, terwijl de lezer een gniffel ontsnapt. Soms legt hij het boek even neer en krabt zich uitvoerig op het hoofd, of probeert een plaats op zijn rug te bereiken waar hij net niet bij kan. In 'De sloop der dingen' kruist Willem Brakman de paden van Monty Python, Lewis Carroll, Franz Kafka, Laurel en Hardy, Buster Keaton of de Brave Soldaat Schwejk al naar het hem uitkomt. Vergeet niet dat er tijden zijn geweest dat heiligen op hun pilaren zaten te schateren, terwijl het volk beneden jaloers naar ze opkeek. Het gaat in dit boek om, het draait om, een tante. Of beter: de schijngestalten van een aangewaaide tante. Tante Dien. Nu eens licht als een zwanendonsje, dan weer amechtig onder haar eigen gewicht. Ze wordt vermist. Het vermist-worden is de essentie van Tante Dien. 'De dijen bloot tot aan de kin.'

Een aanwaaiende, maar ook zo weer wegwaaiende tante. Het gaat -nu voorgoed lijkt het- om Brakmans jeugd in Duindorp, Scheveningen. Het oproepen, het gestalte geven aan vleugen, zuchtjes herinnering, zeg gerust het mken van herinneringen. Duindorp wordt gesloopt en de geuren die vrijkomen zijn die van zand en zilt, van pannensponsen en gordijnen van lang overleden buren, van al wat aan de grenzen van het brein floerst.

Een restauranthouder, tevens vuurtorenwachter van een zelf gebouwde kartonnen vuurtoren, heeft de dienst voorgoed gestaakt. Een hoofdstukje begint met 'Ik zal u nu iets over mijn moeheid vertellen'.

De hoofdfiguur schrijft -vanuit de door hem gehuurde verdieping onder het ouderlijk huis- een brief aan zijn moeder, waarin hij zich beklaagt over de geluidshinder boven zijn hoofd. Tot slot een Brakman-dialoog. Dialogen zijn bij hem een vorm binnen de vorm. Met een inhoud binnen de inhoud. De verteller, altijd op zoek naar publiek, treft enkele slopers. De dialoog gaat als volgt. 'Moeheid,' zei ik, 'maakt datgene zwaar wat haar mogelijk maakt.' 'Als u gewoon eens zweeg,' zei de cycloop, 'wat zou u daarvan denken.'

leegte

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright