wbrakman.nl

Lezing bij de aanbieding van een Ongeneeslijk heimwee

16 februari 2020

Marjoleine de Vos

Toms verhaal over de eerste ontmoeting is dat van een mislukt interview. Hij heeft het vaak verteld. Of nu ja, mislukt, misschien was het niet mislukt, maar de 19-jarige Tom, schrijvend voor de jeugdrubriek van de Nieuwe Haagsche Courant was helemaal vergeten iets op te schrijven. Pas in de trein weer op weg naar huis, hij woonde in Den Haag en Brakman in Enschede, besefte hij dat hij helemaal geen tekst had. Hij leende pen en papier van een medepassagier en schreef zoveel op als hij zich nog kon herinneren en brouwde daar later een soort interview uit – meer het verslag van een bezoek dan een interview. Maar het wás ook niet echt een interview geweest want in dit verslag lezen we: ,,Ik hoef bijna niets te vragen - hij praat door. Het is moeilijk vast te stellen of hij dit doet om het me makkelijk te maken of omdat hij niet anders kan. Het laatste lijkt het meest aannemelijk.”

Hoe het toen verder is gegaan weet ik eigenlijk niet precies, blijkbaar zijn die twee opnieuw met elkaar in contact gekomen en bevriend geraakt. Ze scheelden flink in leeftijd, 23 jaar, en Tom zag Brakman ook wel een beetje als een vader, nu ja, als een vaderfiguur, als iemand die geestelijk een vader zou kunnen zijn, zoiets. Ik kan me in het geheel niet herinneren dat Wim zich vaderlijk tegenover Tom gedroeg. Hij sprak graag over zijn werk en over de onderwerpen die hem bezighielden en Tom was een goede gesprekspartner. Eentje die iets terug had te zeggen zonder zelf meteen eindeloos het woord te nemen.
Toen ik Tom leerde kennen, in 1980, leerde ik eigenlijk in één moeite door ook Willem Brakman kennen, dat wil zeggen, de schrijver die toen niet geheel toevallig net de PC Hooftprijs kreeg want in de jury had ook Tom zitting. In mijn herinnering heeft Tom mij diverse boeken van Brakman min of meer naverteld om mij iets duidelijk te maken over hemzelf en soms ook wel over zijn gevoelens – hij vertelde over, ik meen De Opstandeling, dat daar een hoofdpersoon in voorkwam die verliefd werd op een vrouw en dacht ,,In dat hoofd wil ik bestaan”. Zo, begreep ik, moest ik zijn verlangen ook opvatten.
Het duurde een poosje voor we werkelijk een paar waren geworden, en toen dat na drie jaar een feit was, gingen we dan ook eens samen op stap: een paar dagen naar Schiermonnikoog. Niet geheel willekeurig, want op datzelfde eiland, in diezelfde tijd, verbleven ook Willem Brakman en zijn vrouw en die zouden we gaan opzoeken. Ik had Brakman inmiddels wel eens in het echt gezien, bij openbare optredens van Tom en hem, maar hij mij natuurlijk niet. Dat was prima, dan sprak de schrijver en ik zat in de zaal en genoot daarvan. Maar nu zou ik dus zelf ook iets moeten zeggen tegen deze man die ik zowel goed meende te kennen, via zijn boeken die ik inmiddels uiteraard ook zelf allemaal gelezen had, als helemaal niet kende. Tom en ik waren denk ik al wel begonnen met het elkaar betekenisvol toevoegen van Brakman-citaten. Niet meer alleen ‘in dat hoofd wil ik bestaan’ maar ook dingen als ‘houdt dit wonderlijke vermogen tot spreken nooit op?” uit Come Back waarin een dode zijn mond niet kan houden, of we refereerden aan de dood van koningin Astrid, voor geen van ons beiden een betekenisvol ongeluk maar wel voor Brakman wiens hoofdpersoon in Het zwart uit de mond van madame Bovary op de dag dat koningin Astrid verongelukte werd gestempeld tot ,,een man die een groot verlies in zich omdroeg en er niet om getroost wilde zijn’. Zoiets konden wij op allerlei momenten te berde brengen. Zoals je ook lelijk en keihard je teen kon stoten en als je dan jammerde de ander kon horen zeggen: ,,Jan, Jan, overdrijf toch niet zo!” naar het slot van Kind uit de buurt, waar de stervende Jan geheel naar waarheid zegt: ,,Ik ga dood” en zijn vrouw hem dat antwoordt.

Enfin, Schiermonnikoog.
Wij begaven ons ’s avonds in het donker naar de Zwarte Duinenweg waar zich het vaste huurhuisje van de Brakmannen bevond. Ongetwijfeld was ik vreselijk verlegen, maar dat kan niet heel erg opvallend geweest zijn want ik hoefde niets te zeggen.
We zaten in de kamer, Wim tegenover Tom en Moof en ik ook tegenover elkaar. Tom vroeg en zei dingen en Wim sprak. In mijn herinnering was het of Moof en ik naar een pingpong wedstrijd keken, we draaiden onze hoofden naar links en naar rechts en verder hielden we ons gedeisd. Waarschijnlijk heeft Moof nog wel eens iets gezegd. Ik zeker niet.
Nadat het ijs aldus gebroken was gingen we de volgende dag met zijn drieën wandelen, Tom, Wim en ik. Het regende keihard tegen ons aan terwijl we over de dijk liepen, maar Wim sprak onvermoeibaar voort, over zijn hekel aan de ‘nou en’-mens. Dat herinner ik me heel goed. Er was nauwelijks een ergere mensensoort te bedenken dan deze geestelijke holtedieren die onder alles lauw en onverschillig bleven. Ongetwijfeld gooide Tom van tijd tot tijd een vraag of een antwoord op dat het mogelijk maakte dat Wim verder sprak en dat wij daarvan genoten. Het was een fijne wandeling die gelukkig ook nog even een gelegenheid met uitsmijters aan deed.

In de latere jaren zal ik wel een enkele keer iets tegen Wim hebben gezegd, maar meestal was het toch Tom die hem aanzette en die hem vaak in het openbaar ondervroeg, waarbij Wim steeds vergenoegder begon te vertellen en dan zag ik hoe Tom van hem genoot, ja hoe hij van hem hield, ik kan het niet anders zeggen en daarom was Wim mij ook dierbaar.
Moof vond ik een heel stuk benaderbaarder en alles was ontspannener als zij er ook bij was, maar bij die interviews was ze dat eigenlijk nooit. Wim kwam ook wel eens bij ons logeren en sprak dan ’s avonds veel en onbekommerd, ook over dingen die hij vies vond – ik meen me iets te herinneren over aanrechtdoekjes en lange nagels maar ook was er van alles op het gebied van eten wat niet goed door de beugel kon. Eens zaten we na een boekenbal met zijn drieën bij ons thuis nog na te praten met een glaasje en ik had toastjes met rosbief gemaakt en zag toen zelf hoe ik met mijn roodgelakte nagels zo’n plakje vlees vasthield en ineens schrok ik omdat ik dacht dat Wim dat misschien ook heel vies zou vinden.
Er was meen ik best veel dat niet door de beugel kon, in het bijzonder de geluiden die de mensen meenden te moeten maken, als ze spraken, als ze aten, als ze ademden en vooral als ze machines gebruikten. Het was een wereld vol onaangenaam lawaai, sterk gericht tegen het leven des geestes. Tom was zelf ook nogal een gretig gebruiker van het oordopje, dus Wim en hij verstonden elkaar ook in dat opzicht uitstekend. Hij reed Wim eens achterop toen die door onze straat liep, op weg naar ons huis waar wij hem ook inderdaad verwachtten. Tom probeerde alvast iets te zeggen tegen de aanstaande bezoeker maar merkte dat die helemaal niet reageerde: oordopjes in. Waarop hij maar verder fietste om pas thuis Wim echt welkom te heten – blijkbaar waren die twee minuten nog even doorgebracht in de eigen geestelijke werkelijkheid zeer noodzakelijk.

Intussen gingen wij in zijn afwezigheid vrolijk voort met onze conversatie te doorspekken met Brakmannianismen. Zo was het woord een ‘zwuifje’ via Wim in ons taaleigen terecht gekomen – ik meen dat het een woord was uit Moofs familie. Ik heb geprobeerd het ingang te doen vinden in de NRC en het is me een paar keer gelukt het langs de eindredactie te smokkelen. Meestal werd het gewijzigd in een zweempje.
Verder monterden we elkaar in grote gezelschappen op door op gepaste momenten uit het Godgeklaagde feest te citeren waar de Here zelf zegt: ,,Voor mijn zegekar krukt een partijtje ongeregeld goed dat er niet om liegt” en als het flink koud was in de winter zeiden we: ,,Varkens bevroren tot poeder en verwoeien brullend op de wind”. Zo’n royale voorraad citaten doet veel goed, je weet dan met een enkel woord waar je het over hebt als iemand ongunstig uit allemaal oogjes loert of anderszins een verdacht voorkomen vertoont – dan hoefde Tom alleen maar even zachtjes te zeggen: ‘de Boze’ of ‘de parelgrijze’ en ik wist genoeg.

Ik geloof dat de vriendschap tussen Tom en Wim bestond uit een grote geestelijke verwantschap waardoor Tom zo’n goed verstaander was van de Brakmanse verzinselen, en niet alleen een goed verstaander maar ook eentje die enorm van dat verstaan genoot, dit dan weer tot genoegen van de schrijver zelf. En dan bedoel ik niet alleen maar stijl en humor uiteraard, ook de titel van de biografie die we hier vanmiddag vieren, ‘een ongeneeslijk heimwee’ was iets dat door Tom geheel begrepen en nagevoeld werd. Net als die behoefte om ergens thuis te zijn, om zich geheel uit te storten in een ander. Bij Brakmans hoofdpersonen leidt dat tot onstuitbare woordenstromen en een drang tot ‘bekennen’ waarmee de personages de wereld nogal eens tegen zich in het harnas jagen, een zowel pijnlijke als geestige verbeelding van de onmogelijkheid om samen te vallen met de wereld. Het misverstand loert overal en de slechte afloop staat al vast. Ik eindig daarom met een lievelingscitaat uit Leesclubje, waarin een van zeer ernstige gedragingen verdachte persoon die zich zojuist gloedvol heeft verdedigd, door de rechter op de volgende uitspraak wordt onthaald: ,,Allemachtig wat een belastend verhaal is dat zeg”. Hij wrijft zich bijkans vergenoegd in de handen en zegt: ,,We pauzeren even voor een kopje koffie, dan nog een babbeltje en dan fijn vonnis wijzen. Ik verheug me erop.”

t.g.v. de aanbieding - 16 febr.2020 - van de biografie Een ongeneeslijk heimwee. door Nico Keuning, Amsterdam, Querido, 2020, 478 blz./p>

xhtml 1.0 | contact | disclaimer | copyright